Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3323

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5114
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een aantal uren blijvend in mindering gebracht op de WW-uitkering van eiser in verband met door eiser verrichte werkzaamheden als zelfstandige. Dit aantal uren moet worden bijgesteld. BAPO-regeling. Buitenwettelijk begunstigend beleid, nu neergelegd in artikel 8, tweede lid WW. Kennelijk heeft de wetgever beoogd de bestaande praktijk ongewijzigd te continueren. Geen vrij te laten uren, nu de werkzaamheden als zelfstandige weliswaar zijn verricht voorafgaand aan het einde van de dienstbetrekking maar niet voorafgaand aan het einde van de werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/5114

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. P.H.M. Kemperman),

en

[verweerder] te [plaats], verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij met ingang van 9 februari 2015 niet langer recht heeft op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) voor 38 uur per week, maar slechts voor 29 uur per week.

Bij besluit van 15 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.H. Nuyens.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Met toestemming van partijen is vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.

1.1

Eiser is tot het einde van zijn dienstverband per 31 december 2014 werkzaam geweest in het onderwijs. Verweerder heeft hem met ingang van 1 januari 2015 een WW-uitkering toegekend voor 38 uur per week, uitgaande van een dagloon van € 175,10.

1.2

Door middel van wijzigingsformulieren heeft eiser op 18 februari, 1 maart en 4 maart 2015 doorgegeven dat hij als zelfstandige gedurende vijf dagen tegen betaling cursussen heeft gegeven. In een inkomstenformulier van 16 maart 2015 heeft eiser het precieze aantal uren per cursus gemeld. In een telefoongesprek op 5 maart 2015 heeft eiser voorts opgemerkt dat hij zich in november 2014 heeft laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel (KvK). Verweerder heeft op basis van deze informatie vastgesteld dat eiser in de betaalperiode van 9 februari 2015 tot en met 8 maart 2015 in totaal 36 uren als zelfstandige heeft gewerkt. Daarop heeft verweerder het primaire besluit genomen, waarbij 9 uren per week blijvend in mindering worden gebracht op de WW-uitkering van eiser.

1.3

In bezwaar heeft eiser zich allereerst op het standpunt gesteld dat hem in een gesprek op 10 februari 2015 door de werkcoach is verteld dat de incidentele inkomsten van de cursussen ook incidenteel gekort zullen worden op de uitkering. Voorts heeft hij opgemerkt dat hij vanaf de eerste werkloosheidsdag weliswaar gemiddeld 8 uren per week besteedt aan zijn eigen onderneming (QR-paaltje, hierna: QR), maar dat hij dit voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag ook reeds deed en dat er derhalve een gelijk aantal uren moet worden beschouwd als vrij te laten uren in de zin van artikel 8, tweede lid van de WW. Hij heeft hierbij stukken overgelegd ter onderbouwing van deze beide stellingen. Uit deze stukken blijkt onder meer dat hij al enige tijd gebruik maakte van de BAPO-regeling, waarmee hij in de gelegenheid werd gesteld om tegen inlevering van circa 10% van zijn salaris een dag in de week verlof te nemen. Eiser heeft (een deel van) deze extra tijd besteed aan zijn werkzaamheden als zelfstandige.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, waartoe onder meer het volgende is aangevoerd. Uit het dossier blijkt niet dat de werkcoach inderdaad de afspraak heeft gemaakt dat de inkomsten incidenteel gekort zouden worden. Onder meer uit de verklaringen van de werkcoach zelf blijkt slechts dat in algemene zin uitleg is gegeven over de wijze waarop uren in mindering kunnen worden gebracht op de WW-uitkering. Daarnaast kunnen de uren die eiser voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag aan QR heeft besteed niet leiden tot vrij te laten uren. Eiser heeft op zijn BAPO-dag als zelfstandige gewerkt. Dat brengt mee dat hij deze werkzaamheden als zelfstandige niet naast zijn werkzaamheden in dienstverband heeft verricht, maar in plaats van deze werkzaamheden. Bij het vaststellen van het aantal vrij te laten uren kan slechts rekening worden gehouden met werkzaamheden als zelfstandige die zijn verricht naast de gewone werkzaamheden in dienstverband.

3. In beroep herhaalt eiser allereerst zijn beroep op het vertrouwensbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit beroep niet slagen. Voor de conclusie dat het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel is genomen is in ieder geval vereist dat er een concrete en ondubbelzinnige toezegging is gedaan, waaraan eiser het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat uren die hij als zelfstandige werkte slechts incidenteel gekort zouden worden op zijn WW-uitkering. Het is niet uit te sluiten dat er tijdens het gesprek op 10 februari 2015 een misverstand is ontstaan tussen de werkcoach en eiser, maar dat de werkcoach een dergelijke expliciete toezegging heeft gedaan is niet vast komen te staan. Het enkele feit dat eiser tijdens het gesprek kennelijk wel dit idee heeft gekregen, is onvoldoende om te maken dat verweerder de gewerkte uren niet structureel in mindering mocht brengen op de uitkering.

4.1

Eiser stelt zich in beroep voorts op het standpunt dat er wel degelijk 8 uren per week hadden moeten worden vrijgelaten. Hij voert daartoe onder meer aan dat uit de door hem ingediende stukken voldoende blijkt dat hij voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag reeds substantiële werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht, alsmede dat deze werkzaamheden niet (volledig) zijn verricht op de BAPO-dag.

4.2

Artikel 8, tweede lid van de WW luidt met ingang van 1 januari 2015 als volgt: In afwijking van het eerste lid behoudt een persoon de hoedanigheid van werknemer voor zover het aantal uren in een kalenderweek waarop hij werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep verricht niet hoger is dan het gemiddeld aantal uren per kalenderweek waarop hij deze werkzaamheden verrichtte in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het moment waarop de werkzaamheden in dienstbetrekking, waaruit de werknemer werkloos is geworden, eindigden.

Voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling hanteerde verweerder terzake een buitenwettelijk begunstigend beleid, waarbij ook zonder een wettelijke bepaling vrij te laten uren werden vastgesteld. Verweerder heeft een aantal paragrafen uit het (door verweerder gehanteerde) Handboek WW in het geding gebracht, waarin dit beleid wordt beschreven. Hierin wordt onder meer opgemerkt dat niet het einde van het dienstverband doorslaggevend is, maar het feitelijk eindigen van de werkzaamheden in de dienstbetrekking.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling van de periode van 26 kalenderweken niet zonder meer aansluiting moet worden gezocht bij het einde van het dienstverband, maar bij het moment dat de werkzaamheden gestaakt worden. Dat is het geval, omdat er anders een verkeerd beeld van het aantal vrij te laten uren kan ontstaan wanneer een betrokkene in een periode voor het einde van het dienstverband op non-actief wordt gesteld en deze periode gebruikt om (veel) werkzaamheden als zelfstandige te verrichten. In een dergelijke situatie dient volgens verweerder dan ook te worden uitgegaan van een periode van 26 weken voorafgaand aan het moment dat de betrokkene op non-actief wordt gesteld. Verweerder stelt voorts dat dit ook speelt in de situatie van eiser, nu zijn vrije BAPO-dag in feite moet worden beschouwd als een periode van non-activiteit. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder nog toegelicht dat dit niet anders is wanneer eiser niet alle werkzaamheden daadwerkelijk heeft verricht tijdens de BAPO-dag, aangezien dan nog moet worden gezegd dat de vrije BAPO-dag hem de gelegenheid heeft gegeven meer uren als zelfstandige actief te zijn dan anders het geval zou zijn geweest.

4.3

De rechtbank ziet zich aldus voor de vraag gesteld of artikel 8, tweede lid WW inderdaad op de door verweerder voorgestane wijze moet worden uitgelegd. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de wijze waarop verweerder voorafgaand aan 1 januari 2015 invulling heeft gegeven aan het buitenwettelijk begunstigend beleid daarbij niet zonder meer doorslaggevend kan zijn. Het feit dat blijkens het aangehaalde Handboek WW moet worden uitgegaan van het moment van arbeidsurenverlies maakt dan ook niet zonder meer dat dit bij de toepassing van artikel 8, tweede lid WW eveneens het geval is. Het feit dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in uitspraken van 7 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU8309) en 14 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY3318) is uitgegaan van de door verweerder voorgestane uitleg kan evenmin doorslaggevend zijn, aangezien het in die uitspraken ging om de vraag of het buitenwettelijk begunstigend beleid op consistente wijze was toegepast en deze beoordeling blijkens vaste jurisprudentie zeer terughoudend geschiedt. Een antwoord op de voorliggende vraag moet dan ook worden gevonden in de tekst van artikel 8, tweede lid, de daaraan ten grondslag liggende wetsgeschiedenis of de jurisprudentie die ziet op de toepassing van dit artikellid.

4.4

Naar het oordeel van de rechtbank dient te worden uitgegaan van de door verweerder voorgestane uitleg, waarbij voor de vaststelling van de periode van 26 kalenderweken wordt uitgegaan van het moment dat de werkzaamheden gestaakt worden. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat de tekst van artikel 8, tweede lid spreekt over ‘werkzaamheden in dienstbetrekking’. Deze bewoordingen kunnen weliswaar op verschillende manieren worden uitgelegd, maar naar het oordeel van de rechtbank is de uitleg van verweerder het meest aannemelijk. In de tweede plaats ziet de rechtbank juist in het feit dat de wetsgeschiedenis uiterst summier is een aanwijzing dat de wetgever beoogd heeft de door verweerder vóór 1 januari 2015 gehanteerde praktijk ongewijzigd te codificeren. Wanneer de wetgever wilde afwijken van deze praktijk had het naar het oordeel van de rechtbank voor de hand gelegen dat dit uit de memorie van toelichting zou blijken.

4.5

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op zijn BAPO-dag geen werkzaamheden hoefde te verrichten, maar wel (zij het verminderd) loon kreeg betaald en over deze uren WW-recht heeft opgebouwd. De omvang van het dienstverband is derhalve gelijk gebleven (namelijk 38 uur per week), hoewel eiser binnen deze omvang één dag per week structureel verlof kreeg. De rechtbank is van oordeel dat er met ingang van het moment dat eiser gebruik ging maken van de BAPO-regeling sprake is van beëindiging van de werkzaamheden voor de omvang van deze verlofdag. Gelet op het in 4.2 en 4.3 overwogene heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er met betrekking tot het vaststellen van vrij te laten uren moet worden uitgegaan van een periode van 26 kalenderweken voorafgaand aan het moment dat eiser gebruik ging maken van de BAPO-regeling. Nu eiser niet heeft gesteld dat hij op dat moment reeds werkzaamheden als zelfstandige verrichtte en dit evenmin anderszins aannemelijk is geworden, heeft verweerder terecht geen vrij te laten uren aangenomen. Gelet op het voorgaande kan de stelling van eiser dat hij de werkzaamheden als zelfstandige niet tijdens de BAPO-dag heeft verricht hem niet baten. Ook wanneer dit vast zou komen te staan, vallen deze werkzaamheden immers niet in de periode van 26 kalenderweken die in acht wordt genomen bij het vaststellen van vrij te laten uren.

5. Nu er geen sprake was van vrij te laten uren kon verweerder in beginsel besluiten de uren die eiser in de periode van 9 februari 2015 tot en met 8 maart 2015 gemiddeld als zelfstandige heeft gewerkt, in mindering te brengen op de WW-uitkering.

Ter zitting heeft verweerder zich echter op het standpunt gesteld dat het aantal in mindering te brengen uren niet moet worden vastgesteld op 9, maar op 8. Daarbij is opgemerkt dat eiser in de periode van 9 februari 2015 tot en met 8 maart 2015 cursussen heeft gegeven, dat deze werkzaamheden enigszins wezensvreemd zijn aan het karakter van de onderneming van eiser (QR) en dat het reëler is om uit te gaan van de 8 uren die eiser volgens zijn eigen opgave wekelijks aan QR heeft besteed.

Nu verweerder dit standpunt inneemt acht de rechtbank het beroep gegrond, aangezien hiermee vast komt te staan dat verweerder in de besluitvorming is uitgegaan van een te hoog aantal in mindering te brengen uren. De rechtbank zal het bestreden besluit derhalve vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het aantal op de WW-uitkering in mindering te brengen uren vast te stellen op 8. De rechtbank ziet voorts aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45 aan hem dient te vergoeden, alsmede om verweerder te veroordelen in de door eiser ten behoeve van deze procedure gemaakte proceskosten. Deze kosten worden, onder toepassing van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht (BPB), voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 992 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Voorts dient verweerder de reiskosten van eiser (ten bedrage van € 21,96) te vergoeden. De reiskosten van de gemachtigde van eiser komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu het BPB geen ruimte biedt voor vergoeding van deze kosten en deze kosten overigens ook geacht kunnen worden besloten te liggen in de vergoeding voor de verleende rechtsbijstand. Nu niet is gebleken van overige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, dient verweerder derhalve in totaal een bedrag van € 1.013,96 aan proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover daarbij het aantal op de WW-uitkering in mindering te brengen uren is vastgesteld op 9, bepaalt dat het aantal in mindering te brengen uren wordt vastgesteld op 8 en bepaalt voorts dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 aan hem dient te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van

€ 1.013,96.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hamaker, voorzitter, mr. E.M. Vermeulen en mr. Y. van Wezel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.W. Blok, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.