Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3301

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
286400
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of sprake is van een geldlening en of die moet worden terugbetaald. Ten aanzien van de rente niet voldaan aan schriftelijkheidsvereiste (art. 7A:1804 BW), daarom wettelijke rente toegewezen. Beroep op rechtsverwerking faalt. Beroep op verrekening slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/286400 / HA ZA 15-400 / 1171

Vonnis van 20 april 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HIGHLANDS HOLDING B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.C.N. Sweep te Haarlem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. G.H.J. Loos te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna Highlands en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 november 2015

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 10 maart 2016, met de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Aan Highlands zijn verschillende werkmaatschappijen verbonden, waaronder de vennootschappen Highlands Retail Investments I, II en III B.V. en Rightful Retail Investment B.V. (hierna: Rightful) [naam 1] is (indirect) bestuurder van Highlands.

2.2.

[gedaagde] is (mede) eigenaar van [bedrijf] te [woonplaats] en houdt zich met name bezig met de algemene juridische praktijk.

2.3.

Eind 2014 heeft [gedaagde] aan [naam 1] gevraagd om een geldlening ten bedrage van € 5.000,00 zodat hij zijn partner in [bedrijf] zou kunnen uitkopen. [gedaagde] is met [naam 1] in contact gekomen via [naam 2] (hierna: [naam 2] ), een cliënt van hem.

2.4.

Blijkens een bankafschrift van Highlands heeft Highlands op 16 december 2014 een bedrag van € 5.000,00 overgemaakt aan [gedaagde] met de volgende omschrijving.

(…)

Omschrijving: lening, tegen 100

procent rente voor 1 dag.

terugbetaling ad. 10.000,- op

17-12-2014 voor 17.00 uur. onder

persoonlijke borgstelling.

(…)

2.5.

In een sms-bericht van [gedaagde] aan [naam 1] van 19 december 2014 staat onder meer het volgende.

Ik wil graag 5k van je lenen met hetzelfde rendement als de vorige keer. (…) Jouw betaling volgt binnen uiterlijk 2 dagen 20k in totaal. (…)

2.6.

[gedaagde] heeft begin 2015 investeringen gedaan bij een derde, [naam 3] .

2.7.

In een bankafschrift van Rightful staat onder meer het volgende.

(…)

Datum Omschrijving (…) Bedrag (€)

03-02-2015 Naam: [gedaagde] 600,00

Omschrijving: lening

(…)

19-01-2015 Naam: [gedaagde] 4.000,00

Omschrijving: lening in prive tegen

100 procent rente binnen 1 dag

(…)

19-01-2015 Naam: [gedaagde] 4.000,00

Omschrijving: lening tegen 100

procent rente binnen

(…)

14-01-2015 Naam: [gedaagde] 1.000,00

Omschrijving: Lening tegen 100

procent rente binnen 24 uur

(…)

07-01-2015 Naam: [gedaagde] 2.000,00

Omschrijving: Lening in prive tegen

100 procent rente

(…)

19-12-2014 Naam: [gedaagde] 10.000,00

Omschrijving: lening in prive,

vanavond 100 procent rente terug,

totaal dus 25000 vanavond

terugstorten

(…)

2.8.

In een SMS van [gedaagde] aan [naam 1] van 11 januari 2015 staat onder meer het volgende.

(…)

Ik heb straks een afspraak met een zeer goede vriend van mij voor een persoonlijke lening om jullie te kunnen voor maandag te betalen. De 17k van jou en de 10k van jm. Als ik jullie betaald heb, dan heb je in ieder geval je geld terug en mocht t met [naam 3] ooit nog goedkomen dan zal ik jullie uiteraard daarin tegemoet komen. (…)

2.9.

Blijkens een rekeningafschrift heeft [naam 4] (hierna: [naam 4] ), de verhuurder van het pand van [bedrijf] , op 19 januari 2015 een bedrag van € 4.000,00 overgemaakt aan Rightful, onder vermelding van ‘lening’.

2.10.

In een schriftelijke verklaring van [naam 4] staat onder meer het volgende.

(…)

In januari 2015 heeft de heer [gedaagde] gevraagd om deel te nemen in een voor mij interessant project. Het zou gaan om een investering op korte termijn met een hoog rendement. Indien de deal zou lukken, zou ik het dubbele bedrag ontvangen. Als de deal niet door zou gaan, zou deze voorwaarde (verdubbeling van de inleg) vervallen.

(…)

Naast [gedaagde] en ik zelf hebben ook [naam 2] en [naam 1] geïnvesteerd bij [naam 3] .

Meestal zorgde [gedaagde] ervoor dat het geld bij [naam 3] werd ingelegd. Er is op 18 januari 2015, 2 x € 4000,00 op de rekening van [gedaagde] gestort waarvan € 4000,00 mijn aandeel is geweest.

Maar ik heb ook eens geld van [naam 1] ontvangen dat ik namens hem bij [naam 3] heb geïnvesteerd. [naam 1] heeft toen het geld eerst op mijn bankrekening gestort. Net zoals hij altijd deed bij [gedaagde] . Ik zou vervolgens de betaling aan [naam 3] regelen. Uit mijn bankafschriften van 18 en 20 februari 2015 blijken de twee betalingen van [naam 1] van € 2.500,00 en € 1.500,00. Dit blijkt ook uit de afschriften van mij (zie bijlage). Ook dit bedrag hebben wij nooit meer terug gehad van [naam 3] . [naam 1] heeft ook nooit de rentevergoeding gehad die staat vermeld bij zijn betaling.

(…) Achteraf blijkt dat [naam 3] alles bij elkaar heeft gelogen. Wij allen hebben er geld in gestopt. Helaas voor ons allemaal is het niet doorgegaan en zijn wij ons geld kwijt.

(…)

2.11.

In een schriftelijke verklaring van [naam 2] staat onder meer het volgende.

(…)

Ik heb begrepen dat de heer [naam 1] (via een van zijn vennootschappen) en [gedaagde] verwikkeld zijn in een gerechtelijke procedure over de vraag of [gedaagde] al dan niet geld van (de vennootschappen van) [naam 1] heeft geleend. Ik heb in dat verband begin september het verzoek van [gedaagde] gekregen om een door hem opgestelde verklaring te ondertekenen. Ik heb deze verklaring niet ondertekend, omdat daarin staat dat ik geld zou hebben geïnvesteerd in een project in Indonesie. Dat is niet juist.

Evenals [naam 1] (of zijn vennootschappen) heb ik geld geleend aan [gedaagde] . Hij had dit geld nodig omdat hij bezig was met een lucratieve investering. Die investering zou op korte termijn 100% rendement leveren. Later is gebleken dat dit allemaal een oplichtingstruc is geweest, waardoor [gedaagde] al het door hem geïnvesteerde geld verloren heeft.

Tevens heb ik een zakelijke overeenkomst gesloten met [gedaagde] waarbij hij de hoofdsom plus het rendement van 100% bevestigd.

De door mij aan hem verstrekte lening is nog steeds niet terugbetaald, hoewel ik daar wel om verzocht heb.

Mijn afspraak over het aan [gedaagde] geleende bedrag en de terugbetaling daarvan plus de 100% rente is overigens ook schriftelijk vastgelegd

(…)

2.12.

[gedaagde] heeft zijn auto, een BMW X5 (hierna: de auto), aan [naam 1] afgegeven. [naam 1] heeft deze auto op 10 februari 2015 verkocht.

2.13.

In een WhatsApp-bericht van 23 februari 2015 van [gedaagde] aan [naam 1] staat onder meer het volgende.

(…) Met de BMW is de 17k meer dan gedekt. (…)

2.14.

In een email van [naam 1] aan [gedaagde] staat onder meer het volgende.

(…)

Jij hebt van mij totaal geleend 26.600,- met hierbij de afspraak dat dit bedrag een rente zou dragen van 100%. Derhalve is de vordering 53.200,-

Dit is door jou meerde malen bevestigd, en ook als zodanig vermeld op de diverse betalingen aan jou.

(…)

De opbrengst van de BMW is 13.500,-. Dit bedrag wordt door mij als pandhouder in mindering gebracht op de vordering van 53.200,- zodat nog resteert, 39.700,-

2.15.

Als reactie op voorgaande email schrijft [gedaagde] op 6 maart 2015 onder meer het volgende aan [naam 1] .

Jouw vordering op mij bestaat uit een lening welke ik met jou heb afgesloten. Daar datgene wat wij voor ogen hadden, niet door is gegaan, heb jij mij aangegeven af te zien van jouw gage en rente als ik maar wel datgene wat jij mij hebt geleend terug zou betalen.

(…)

2.16.

In een email van [gedaagde] aan [naam 1] op 9 maart 2015 staat onder meer het volgende.

(…)

Ik heb jou ook heel nadrukkelijk aangegeven dat ik het geleende geld wilde terugbetalen. Daarvoor heb ik je ook aangeboden om zelf de auto te verkopen en het ontbrekende deel aan te vullen tot de € 26.600,00.

(…)

2.17.

In een schriftelijke verklaring van [naam 5] (de echtgenote van [gedaagde] , hierna: [naam 5] ) over een telefoongesprek dat zij volgens die verklaring in februari of maart 2015 met [naam 1] gevoerd heeft, staat onder meer het volgende.

(…)

Ik vroeg hem, waarom hij mij daarover belde, waarop hij antwoordde: “We zijn opgelicht en ik wil controleren of wij alle vier besodemietert zijn door [naam 3] of dat [gedaagde] ons bedriegt.” (…) De heer [naam 1] zei vervolgens: “luister [naam 5] , het is me helemaal niet om het geld te doen. Ik wil gewoon weten of ik door [naam 3] wordt belazerd of door [gedaagde] . Niet om stoer te zijn, maar ik kan het wel lijden. Ik ben er niet op uit om een gezin kapot te maken. (…) Ik wil gewoon zeker weten dat ik niet door [gedaagde] bedrogen word.”

(…)

Voor de derde keer zei hij: “niet om stoer te doen, maar ik kan het wel lijden en ik zal [gedaagde] helpen er financieel weer bovenop te komen.”

(…)

Kortom. De heer [naam 1] heeft tegen mij gezegd dat hij begreep dat ze alle vier de boot waren ingegaan en wel konden fluiten naar zijn geld. (…) Hij zei nog wel een keer dat hij vond dat hij de investering en rente op [gedaagde] kon verhalen, maar dat hij dat helemaal niet wilde. Ik kon [gedaagde] op het hart drukken dat hij zich daar absoluut geen zorgen over hoefde te maken.

(…)

2.18.

In een Whatsapp bericht van 13 juni 2015 vraagt [naam 1] aan [gedaagde] “of hij al zicht heeft op wanneer hij hem gaat betalen”.

2.19.

Op 26 juni 2015 heeft de deurwaarder op verzoek van [naam 1] conservatoir beslag gelegd op de woning en de inboedel van [gedaagde] .

2.20.

In een op 25 februari 2016 ondertekende ‘overeenkomst van lastgeving’ tussen [naam 1] en Highlands staat dat Highlands in eigen naam de bedragen zal incasseren die [gedaagde] ingevolge deze procedure aan [naam 1] verschuldigd is en dat Highlands bevoegd is daarvoor rechtsmaatregelen te nemen.

3. Het geschil

in conventie

3.1.

Highlands vordert – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 41.488,00, vermeerderd met wettelijke rente over de hoofdsom van € 39,700,00 vanaf 4 februari 2015 en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, daaronder begrepen de beslagkosten en de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - Highlands veroordeelt tot

- betaling van de marktwaarde van de auto, althans tot betaling van € 20.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, onder aftrek van € 5.000,00;

- opheffing van het door Highlands gelegde conservatoir beslag;

- de proceskosten, daaronder begrepen de nakosten.

3.5.

Highlands voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Het meest vergaande verweer van [gedaagde] is dat hij, voor zover sprake zou zijn van een geldleningsovereenkomst, deze slechts heeft gesloten met [naam 1] en niet met Highlands en dat Highlands daarom niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

4.2.

Naar aanleiding van dit verweer heeft Highlands een overeenkomst van lastgeving in het geding gebracht. Met deze overeenkomst heeft [naam 1] aan Highlands een last verstrekt om, voor zover heeft te gelden dat [naam 1] contractspartij is bij de gestelde geldleningsovereenkomst, de betreffende vordering op eigen naam te incasseren. Naar het oordeel van de rechtbank is Highlands daarom, ook als vast zou komen te staan dat [naam 1] contractspartij van [gedaagde] is, bevoegd om de onderhavige rechtsvordering in te stellen en kan dus in conventie de vraag wie de contractspartij van [gedaagde] is in het midden blijven.

4.3.

Kern van het geschil is of de bedragen van in totaal € 26.600,00 die Highlands dan wel [naam 1] (deels via Rightful) aan [gedaagde] heeft overgemaakt, gedaan zijn in verband met een overeenkomst van geldlening. Volgens Highlands is dat het geval en moet [gedaagde] dit bedrag aan haar terugbetalen.

[gedaagde] heeft ter comparitie erkend dat hij € 10.000,00 heeft geleend van [naam 1] . Voor de overige bedragen geldt volgens [gedaagde] echter dat hij voor rekening van [naam 1] geld heeft geïnvesteerd bij een derde. Deze investering is mislukt, zodat [naam 1] zijn geld kwijt is. De vordering van Highlands tot terugbetaling moet daarom voor dat deel worden afgewezen, aldus [gedaagde] .

4.4.

Nadat [gedaagde] de betalingen had ontvangen waarvan Highlands terugbetaling vordert, heeft [gedaagde] het in zijn email van 6 maart 2015 over ‘de lening’ en ‘datgene wat jij mij hebt geleend’ en in de email van 9 maart 2015 over ‘het geleende geld’. Met zijn email van 9 maart 2015 bevestigt [gedaagde] dat het gaat om een bedrag van € 26.600,00. Uit de berichten blijkt ook dat [gedaagde] vindt dat hij dat bedrag aan [naam 1] moet terugbetalen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het voorgaande niet anders begrepen worden dan dat [gedaagde] erkent dat hij € 26.600,00 van [naam 1] heeft geleend en dat hij dat geld moet terugbetalen aan [naam 1] . Dat bedrag kan daarom naar het oordeel van de rechtbank in beginsel worden toegewezen.

4.5.

Voorts ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de gevorderde rente van 100% toegewezen kan worden. Volgens Highlands hebben partijen afgesproken dat [gedaagde] het geleende bedrag met 100% rente terug zou betalen.

[gedaagde] heeft betwist dat hij een rente van 100% aan Highlands verschuldigd is.

4.6.

Artikel 7A:1804 BW bepaalt dat partijen de hoogte van de overeengekomen rente schriftelijk moeten vastleggen. Daarvoor is een onderhandse of authentieke akte niet vereist, ook op andere wijze kan aan het schriftelijkheidsvereiste zijn voldaan. Als partijen de hoogte van de rente niet schriftelijk hebben vastgelegd, is hun overeenkomst op het punt van het rentepercentage nietig en moeten zij worden geacht de omvang van de rente niet te hebben bepaald, waardoor artikel 7A:1805 BW van toepassing wordt. Volgens dit artikel is degene die rente verschuldigd is waarvan de omvang niet is bepaald, rente verschuldigd ter hoogte van het percentage van de wettelijke rente. Dit betreft de rente van artikel 6:119 BW of, voor handelsovereenkomsten, die van artikel 6:119a BW.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderhavige zaak niet voldaan aan dit schriftelijkheidsvereiste. De omschrijvingen die Highlands en Rightful bij de betalingen hebben vermeld en het sms-bericht van 19 december 2014 van [gedaagde] aan [naam 1] , waarnaar [naam 1] in dit verband heeft verwezen zijn daartoe onvoldoende. Uit de eenzijdige vermelding van een rentepercentage van 100% bij de overschrijvingen blijkt niet dat er overeenstemming bestond tussen partijen betreffende dat rentepercentage. De sms van 19 december 2014 spreekt over een ‘rendement van 100%’, hetgeen iets anders is dan rente. Ook daar blijkt dus niet uit dat partijen een rente van 100% overeen zijn gekomen. Bovendien is een sms-bericht niet aan te merken als een geschrift in de zin van artikel 7A:1804 BW. Nu niet is gebleken dat partijen de hoogte van de rente schriftelijk hebben vastgelegd gaat de rechtbank er vanuit dat er geen rente is afgesproken. Daarom zal de rechtbank slechts de wettelijke rente toewijzen, zoals gevorderd vanaf 4 februari 2015.

4.7.

[gedaagde] heeft in zijn verweer nog een beroep gedaan op rechtsverwerking. Daartoe heeft hij gewezen op het telefoongesprek dat zijn vrouw [naam 5] zou hebben gevoerd met [naam 1] en de omstandigheid dat [naam 1] gezegd zou hebben dat hij zijn vordering had gecedeerd aan twee – zoals [gedaagde] ze noemt – ‘klerenkasten’, die bij [gedaagde] aan de deur waren geweest.

4.8.

Naar vaste rechtspraak dient rechtsverwerking niet snel aangenomen te worden en is enkel stilzitten of tijdsverloop daartoe onvoldoende; er dient sprake te zijn van een bepaalde gedraging van de rechthebbende, die onder omstandigheden ook in een nalaten kan bestaan. Deze gedraging of dat nalaten dient bij de wederpartij een zodanig vertrouwen te hebben opgewekt of zijn positie zodanig onredelijk te hebben verzwaard dat de rechthebbende in redelijkheid geen beroep meer kan doen op het desbetreffende recht.

De rechtbank stelt vast dat [naam 1] begin maart 2015 nog heeft verzocht om betaling en vervolgens weer begin juni 2015, waarna [naam 1] 26 juni 2015 conservatoir beslag heeft laten leggen en op 7 juli 2015 deze procedure is gestart. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet als stilzitten worden aangemerkt. Ook hetgeen [naam 1] volgens de verklaring van [naam 5] tegen haar gezegd zou hebben, namelijk ‘dat het hem niet om het geld ging en dat zij zich geen zorgen hoefde te maken’, is naar het oordeel van de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid niet onverenigbaar met het uitoefenen van zijn recht door [naam 1] . Voorts moet de gestelde opmerking over de ‘cessie’ in het licht van de overige communicatie van [naam 1] opgevat worden als een manier om [gedaagde] onder druk te zetten om tot betaling over te gaan en niet als een mededeling dat een rechtsgeldige cessie had plaatsgevonden. Op grond daarvan komt [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen beroep op rechtsverwerking toe.

4.9.

[gedaagde] heeft voorts een beroep gedaan op verrekening van de vordering van Highlands met zijn vordering in reconventie, die verband houdt met de verkoop van zijn BMW X5 door [naam 1] . De rechtbank zal daarom nu allereerst de vordering in reconventie bespreken.

in reconventie

4.10.

[gedaagde] heeft aan zijn vordering in reconventie ten grondslag gelegd dat hij zijn auto aan [naam 1] in ‘onderpand’ heeft gegeven en dat [naam 1] zijn auto, in strijd met de wet, zonder voorafgaande mededeling aan [gedaagde] en onderhands heeft verkocht. De auto was volgens [gedaagde] bovendien veel meer waard dat het bedrag van € 13.500,00 dat [naam 1] stelt te hebben ontvangen. Hij vordert daarom primair schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige executie, subsidiair betaling van het bedrag dat [naam 1] meer heeft ontvangen dan het bedrag dat hij aan hem verschuldigd was, meer subsidiair schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad.

4.11.

Highlands heeft in haar verweer aangevoerd dat [gedaagde] niet-ontvankelijk is in zijn vordering omdat [naam 1] geen partij is in deze procedure en [gedaagde] zich in deze procedure op het standpunt heeft gesteld dat hij noch met Rightful, noch met Highlands enige overeenkomst heeft gesloten en dat - voor zover er sprake is van een overeenkomst - hij deze met [naam 1] heeft gesloten.

4.12.

De rechtbank overweegt dat in alle door partijen overgelegde correspondentie gecommuniceerd wordt door [naam 1] , zonder verwijzing naar Highlands. Nu ook verder nergens uit blijkt dat [naam 1] handelde in zijn hoedanigheid van bestuurder van Highlands, gaat de rechtbank er vanuit dat [naam 1] de contractspartij van [gedaagde] was en dus niet Highlands. Nu Highlands in deze procedure optreedt als lastnemer van [naam 1] , kan [gedaagde] de verweermiddelen die hij in verband met die vordering jegens [naam 1] heeft, ook in deze procedure aanwenden. De rechtbank gaat daarom aan dit verweer van Highlands voorbij.

4.13.

Tussen partijen is voorts in geschil of [gedaagde] zijn auto aan [naam 1] in onderpand heeft gegeven of dat hij de auto aan hem in betaling heeft gegeven .

4.14.

Voor het geval de auto in betaling is gegeven aan [naam 1] , dient de daadwerkelijke waarde van de auto op het moment van inbetalinggeving vastgesteld te worden en moet dat bedrag verrekend worden met de vordering van [naam 1] . Wanneer vast zou komen te staan dat [naam 1] pandrecht had op de auto van [gedaagde] , is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van onrechtmatige executie, reeds omdat vast staat dat [naam 1] de auto in strijd met de wet onderhands heeft verkocht. In dat geval bestaat de schadevergoeding die [naam 1] op grond daarvan aan [gedaagde] verschuldigd is uit het verschil uit hetgeen de auto bij rechtmatige executie had kunnen opbrengen en hetgeen de auto heeft opgebracht. Ook dat meerdere zou dan verrekend moeten worden met de vordering van [naam 1] . Ook in dat geval dient de daadwerkelijke waarde van de auto als uitgangspunt te gelden nu de rechtbank er vanuit gaat dat de auto bij een openbare verkoop de daadwerkelijke waarde zou hebben opgebracht. De vraag of er sprake is van inpandgeving of inbetalinggeving kan daarom in het midden blijven.

4.15.

[gedaagde] heeft gesteld dat het bedrag van € 13.500,00 dat [naam 1] zegt te hebben ontvangen voor zijn auto veel lager is dan hetgeen de auto waard was op dat moment, volgens hem € 25.052,58. [gedaagde] heeft deze stelling onderbouwd door middel van de aankoopfactuur van de auto van 19 september 2014 ten bedrage van € 23.950,00 en een factuur van € 950,00 en € 152,58 voor extra’s. Bovendien stond de auto, nadat [naam 1] deze verkocht had te koop voor € 21.950,00.

[naam 1] heeft gesteld dat hij een bedrag van € 13.500,00 heeft ontvangen voor de auto van [gedaagde] en dat dat ook de waarde was van de auto. Dat de auto minder waard was dan hetgeen [gedaagde] bij aankoop heeft betaald komt door een sterke toename van de kilometerstand, het feit dat de auto geen originele velgen had, er een deuk in de auto zat en de koper onderhoud moest verrichten aan de auto.

De rechtbank zal de waarde van de auto ten tijde van de overdracht aan [naam 1] schatten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de auto ongeveer vijf maanden eerder ruim € 24.000,00 waard was. Dat de auto vervolgens in waarde is gedaald in verband met onder andere een hogere kilometerstand spreekt voor zich. Een waardedaling van meer dan € 10.000,00, ligt echter niet voor de hand. Ook niet als de door [naam 1] aangehaalde omstandigheden in aanmerking worden genomen, zeker niet in het licht van de vraagprijs van € 21.950,00 die vervolgens voor dezelfde auto werd gevraagd. De rechtbank zal op grond van het voorgaande de waarde van de auto vaststellen op een bedrag van € 19.000,00.

Dit bedrag kan worden toegewezen, maar zal in verband met het beroep op verrekening in conventie worden verrekend. Na de verrekening in conventie resteert in reconventie geen vordering meer, zodat die moet worden afgewezen.

4.16.

Zoals hiervoor overwogen zal de vordering in conventie deels worden toegewezen. Highlands heeft dan ook terecht beslag gelegd op de woning en de inboedel van [gedaagde] . De rechtbank zal de vordering tot opheffing van het beslag afwijzen.

4.17.

Highlands zal als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris advocaat € 1.158,00 (2,0 punten × factor 1,0 × tarief € 579,00)

Totaal € 1.158,00

in conventie voorts

4.18.

Zoals hiervoor overwogen slaagt het beroep van [gedaagde] op verrekening. De rechtbank zal daarom het bedrag van € 19.000,00 in mindering brengen op de vordering van [naam 1] ten bedrage van € 26.600,00 en een bedrag van € 7.600,00 toewijzen.

4.19.

Highlands heeft buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. [gedaagde] heeft betwist dat Highlands kosten heeft gemaakt die aangemerkt kunnen worden als buitengerechtelijke kosten. Naar aanleiding daarvan heeft Highlands nagelaten haar vordering van enige onderbouwing te voorzien. De vordering is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet toewijsbaar.

4.20.

Highlands vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 1.118,86 voor verschotten en € 894,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 894,00).

4.21.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van Highlands op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 79,47

- griffierecht 1.909,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 3.146,47

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Highlands te betalen een bedrag van € 7.600,00 (zeven duizendzeshonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 4 februari 2015 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 2.012,86, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Highlands tot op heden begroot op € 3.776,47, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.7.

wijst de vorderingen af,

5.8.

veroordeelt Highlands in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.158,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.9.

veroordeelt Highlands in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Highlands niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak

5.10.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af,

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Elferink en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2016.