Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3294

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-05-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
292567
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of gedane betalingen moeten worden aangemerkt als aflossing op de geldlening of als vergoeding van het gebruik van de grond. Pacht (art. 7:311 BW). Beroep op bedrog, onjuiste prijsbepaling, dwaling, onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en onrechtmatige daad gaat niet op. Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/292567 / HA ZA 15-643

Vonnis van 25 mei 2016

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.J. Paalman te Almelo,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

en

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

in diens hoedanigheid van testamentair bewindvoerder over de nalatenschap van wijlen mevrouw [erflaatster] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. W. Kok te Barneveld.

Eiser zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagden zullen worden aangeduid als [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2] . Met de enkele aanduiding [gedaagden] worden beiden gezamenlijk bedoeld.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 december 2015 en de daarin genoemde gedingstukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 april 2016;

  • -

    de notities van mr. J.J. Paalman t.b.v. de comparitiezitting;

  • -

    de aantekeningen comparitie [gedaagden] / [eiser] II - 13 april 2016 van mr. Kok voornoemd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In een akte getiteld Schuldbekentenis van 17 november 1995 is vastgelegd dat [eiser] verklaart aan [gedaagde 1] en diens echtgenote [erflaatster] (verder te noemen: mevrouw [erflaatster] ) schuldig te zijn wegens ter leen ontvangen gelden f 141.222,- onder de volgende bepalingen, voor zover hier van belang:

“1. De hoofdsom is eerst opeisbaar ingeval van overlijden van de schuldeisers casu quo de langstlevende hunner, daarna te allen tijde met inachtneming van een opzegtermijn van zes (6) maanden.

2. De schuldenaar is bevoegd op de hoofdsom af te lossen, mits in ronde sommen van eenhonderd gulden (f 100,00).

3. Van de hoofdsom of het restant daarvan is een rente verschuldigd van vijf en vijfentwintig honderdste procent (5,25 %) per jaar, ingaande 1 april 1995 te voldoen in kwartaaltermijnen.”

De akte is van een goedschrift voorzien.

2.2.

[gedaagde 1] en mevrouw [erflaatster] waren gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.

2.3.

Mevrouw [erflaatster] is overleden op 10 december 2006 na bij testament te hebben beschikt over haar nalatenschap. In het testament is bepaald, voor zover hier van belang:

“BEPALINGEN VOORAF

Considerans

Deze uiterste wil heeft mede ten doel mijn echtgenoot - binnen het kader van het hierna bepaalde - ongestoord te laten voortleven na mijn overlijden.

(…)

2. Ik legateer, niet vrij van rechten en kosten, af te geven binnen zes maanden na het eindigen van het hierna gemelde recht van vruchtgebruik, aan:

(…)

4. mijn neef, de heer [eiser] , (…) het te mijnen sterfdage nog openstaande saldo van de vordering wegens geldlening te zijnen laste en te mijnen behoeve, casu quo mijn aandeel daarin.

(…)

4. Legaat vruchtgebruik

Ik legateer, niet vrij van rechten en kosten, aan mijn echtgenoot, [gedaagde 1] , het vruchtgebruik van mijn gehele nalatenschap.

Met betrekking tot bedoeld vruchtgebruik bepaal ik nog het navolgende:

a. het vruchtgebruik gaat in op de dag van mijn overlijden ongeacht de dag van afgifte van het gelegateerde;

b. het vruchtgebruik omvat alle goederen en rechten die tot mijn nalatenschap zullen blijken te behoren;

(…)

6. Executeursbenoeming

Ik benoem tot gezamenlijke uitvoerders van mijn uiterste wilsbeschikkingen, bezorgers van mijn uitvaart en beredderaars van mijn nalatenschap de heren [eiser] voornoemd en [gedaagde 2] , (…) voornoemd.

(…)

7. Vruchtgebruikbewind

Terzake van het hiervoor gelegateerde vruchtgebruik ten behoeve van mijn echtgenoot stel ik, zolang het vruchtgebruik duurt, een bewind in als bedoeld in artikel 3:204 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zover nodig, aanvullend een bewind als bedoeld in artikel 4:153 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Ik benoem tot gezamenlijke bewindvoerders de heren [eiser] en [gedaagde 2] voornoemd.”

2.4.

Bij authentieke akte Afgifte legaat van vruchtgebruik / oneigenlijke verdeling van 8 december 2008 is vermeld, voor zover hier van belang, dat de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] onder meer de onverdeelde helft van een perceel cultuurgrond omvat, plaatselijk bekend te [woonplaats 1] , [adres 1] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats 1] , [kadastrale aanduiding 1] , groot 8.22.44 ha (verder: het perceel), en dat [eiser] en [gedaagde 2] , handelend zowel voor zichzelf als als executeurs, aan de erfgenamen als vermeld in het testament ieder hun aandeel in het perceel toedelen en leveren en ten behoeve van [gedaagde 1] het recht van vruchtgebruik op het perceel vestigen.

2.5.

Bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 26 november 2014 is [eiser] ontslagen als bewindvoerder.

2.6.

Partijen hebben voor de pachtkamer van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, onder zaak/rolnummer 3666670 LC EXPL 14-5634 een procedure gevoerd. Op de rol van 18 februari 2015 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een conclusie van antwoord genomen. In die conclusie staat onder meer te lezen:

“ [eiser] (bedoeld is [eiser] , rechtbank) vordert in onderhavige procedure de schriftelijke vastlegging van de pachtovereenkomst betreffende een deel van het perceel landbouwgrond, kadastraal bekend gemeente [woonplaats 1] [kadastrale aanduiding 1] , tot een grootte van ongeveer 5.76.00 hectaren, waarbij [gedaagden] of [gedaagde 1] als verpachter dienen te worden aangemerkt, zulks voor onbepaalde tijd en tegen een pachtprijs van € 4.200,00 per jaar.

2.7.

In het proces-verbaal van comparitie in die zaak, gehouden op 11 mei 2015, is onder meer vermeld:

Mr. Kok verklaart:

[gedaagde 1] heeft de door [eiser] onder de noemen “pacht” gedane betalingen opgevat als een aflossing op de lening. Het zijn ook geen reële pachtprijzen - alleen het in 2013 betaalde bedrag van € 4.200,00 komt een beetje in de buurt van een reëel bedrag.”

2.8.

[gedaagde 1] heeft bij exploot van 12 mei 2015 [eiser] en vier medegerechtigden tot het perceel in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank en gevorderd, voor zover hier van belang, dat zij zouden worden veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van het perceel aan derden, primair tegen een prijs waarmee de meerderheid van de gerechtigden instemt, en subsidiair tegen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen prijs, waarbij rekening gehouden wordt met de al dan niet aanwezige pacht.

2.9.

[eiser] heeft zich in dat geding op het standpunt gesteld dat hij het perceel of delen daarvan in gebruik heeft gehad voor de uitoefening van zijn agrarische bedrijf en dat hij voor dat gebruik heeft betaald, zodat uitgegaan kan worden van het bestaan van pacht. [gedaagden] heeft niet weersproken dat [eiser] het perceel gebruikt, maar bestrijdt wel dat het perceel of delen daarvan aan hem zijn verpacht.

2.10.

Beide hiervoor bedoelde procedures zijn geëindigd doordat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] (delen van) het perceel zou kopen van [gedaagde 1] en de erfgenamen.

2.11.

Bij authentieke akte van 21 augustus 2015 (ingeschreven in de openbare registers op 24 augustus 2015) heeft [gedaagde 2] , handelend voor zichzelf, als gevolmachtigde van [gedaagde 1] en als bewindvoerder vertegenwoordigend de gezamenlijke gerechtigden tot het perceel, (delen van) het perceel geleverd aan [eiser] op grond van een tussen hen gesloten koop. Het betreft twee delen van het perceel, kadastraal vernummerd tot gemeente [woonplaats 1] , [kadastrale aanduiding 2] en 1.27.50 ha respectievelijk 4.7.50 ha groot. In de akte is vermeld, voor zover hier van belang, dat de koopprijs € 321.000,- bedraagt, dat [eiser] dat bedrag onder de notaris heeft gestort en dat hem daarvoor kwijting is verleend door de verkoper. Verder is vermeld, voor zover hier van belang:

Artikel 4

Verkoper garandeert het navolgende:

1. verkoper is bevoegd tot verkoop en levering van het verkochte;

2. het verkochte wordt overgedragen vrij van huur, pacht en/of van andere aanspraken tot gebruik, leeg, ontruimd en ongevorderd. Het verkochte is evenmin zonder recht of titel in gebruik bij derden;

(…)

4. voor verkoper bestaan ten opzichte van derden geen verplichtingen uit hoofde van een voorkeursrecht of optierecht.”

2.12.

Op 24 september 2015 heeft de raadsman van [eiser] het volgende geschreven aan [gedaagde 1] :

“Namens uw neef de heer [eiser] , wonende te [woonplaats 1] aan de [adres 2] , vraag ik uw aandacht voor het volgende.

Bij notarieel vastgelegde schuldbekentenis van 17 november 1995 heeft cliënt bevestigd dat hij destijds van u en uw inmiddels overleden echtgenote een bedrag ter grootte van Hfl. 141.222,- = € 64.084,- als geldlening heeft ontvangen.

Deze schuldbekentenis en de geldlening waarop zij betrekking heeft zijn door althans namens u aan de orde gesteld in de pachtvastleggingsprocedure die cliënt tegen u en tegen bewindvoerder [gedaagde 2] heeft gevoerd bij de pachtkamer van de rechtbank Midden-Nederland te Lelystad. Cliënt stelde in die procedure, zoals u weet, dat er sprake was van landbouwkundig gebruik van een bepaald perceel landbouwgrond, eigendom van u, tegen betaling. Dat laatste - de betaling voor het gebruik van de grond - is namens u betwist: de betalingen die cliënt heeft gedaan, zouden geen betalingen voor het gebruik van de grond, maar aflossingen op de geldlening zijn geweest.

De na de zitting bij de pachtkamer van 11 mei 2015 gevoerde schikkingsonderhandelingen hebben ertoe geleid dat cliënt de grond heeft gekocht en in eigendom ontvangen. De pachtvastleggingsprocedure is vervolgens doorgehaald.

De vraag is nu echter wat rechtens is ten aanzien van de geldlening. Hiertoe is het volgende van belang.

Blijkens het testament van wijlen uw echtgenote van 29 september 2005 is aan cliënt gelegateerd, maar af te geven binnen zes maanden na het eindigen van uw recht van vruchtgebruik, het op de sterfdag van uw echtgenote nog openstaande saldo van de geldlening.

Zoals aangegeven, is namens u gesteld dat de - jaren achtereen - door cliënt gedane betalingen geen betaling van pacht, maar aflossingen op de lening waren.

Sinds 2006 heeft cliënt per bank aan - wat u hebt genoemd - aflossingen op de lening € 31.000,- plus € 6.000,- = € 37.000,- betaald. Daar komt bij dat cliënt voor 2006 in contanten afgerond € 13.375,- heeft betaald. Bij elkaar geteld is dat € 50.375,-.

Daarnaast is van belang dat cliënt de jaren door steeds rente heeft betaald over de oorspronkelijk aan hem geleende volledige som ad € 64.084,-. Waren de hiervoor bedoelde betalingen aflossingen op de lening, dan heeft cliënt substantieel te veel aan rente betaald, te weten tot een bedrag ad afgerond € 20.319,-. In het voetspoor van het vorenstaande zou deze teveel betaalde rente eveneens als aflossing op de lening kunnen worden gezien.

Te uwer informatie voeg ik een overzicht van de vanaf 1997 tot en met augustus 2015 gedane betalingen bij (bijlage).

Een bedrag ad (€ 50.375,- plus € 20.319,- minus € 64.084,-=) € 6.610,- is vervolgens door cliënt onverschuldigd betaald en dient door u aan cliënt te worden terugbetaald, vermeerderd met de (rente)betaling die cliënt eerder deze maand onder protest heeft gedaan.

Aldus - uitgaande van de contante en de per bank gedane betalingen - is de conclusie dat de geldlening is afgelost en niet meer bestaat. Ik verzoek u mij binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief schriftelijk te bevestigen dat dit inderdaad het geval is.

Daarnaast verzoek ik u binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief het per saldo te veel betaalde bedrag van €6.610,- - vermeerderd met de recente (rente)betaling - over te maken op de bankrekening van cliënt (…).”

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair: de tussen gedaagden en eiser gesloten koopovereenkomst met betrekking tot de percelen landbouwgrond gemeente [woonplaats 1] [kadastrale aanduiding 2] gedeeltelijk - te weten voor een gedeelte van de koopprijs, zijnde dat gedeelte € 96.300,- althans voor het door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag - te vernietigen;

2. subsidiair: de gevolgen van de tussen gedaagden en eiser gesloten koopovereenkomst met betrekking tot de percelen landbouwgrond gemeente [woonplaats 1] [kadastrale aanduiding 2] te wijzigen in die zin dat de koopprijs wordt verminderd met een bedrag van € 96.300,- althans met het door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

3. primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair: gedaagden hoofdelijk althans gedaagde sub 1 te veroordelen om binnen vijf werkdagen na betekening van het door de rechtbank te wijzen vonnis aan eiser te betalen het bedrag van € 96.300,- althans het door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding althans vanaf de door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag tot de dag van volledige betaling;

4. uiterst subsidiair (na wijziging): voor recht te verklaren dat hij op de hem door [gedaagde 1] en diens overleden echtgenote in of rond november 1995 verstrekte geldlening een bedrag van € 71.427,39 - te vermeerderen met de na 23 september 2015 ten titel van rente of aflossing betaalde bedragen -, althans een bedrag ad € 43.540,67 - te vermeerderen met de na 23 september 2015 ten titel van rente of aflossing betaalde bedragen -, althans het door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag heeft afgelost;

5. uiterst subsidiair (na wijziging): [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk althans [gedaagde 1] te veroordelen om binnen vijf werkdagen na betekening van het door de rechtbank te wijzen vonnis aan eiser terug te betalen het bedrag ad € 7.343,39 - te vermeerderen met de na 23 september 2015 ten titel van rente of aflossing betaalde bedragen -, althans het door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding althans vanaf de door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag tot de dag van volledige betaling;

6. primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair en uiterst subsidiair: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten te veroordelen, te vermeerderen met de wettelijke rente indien en voor zover betaling hiervan niet binnen vijf werkdagen na betekening van het door de rechtbank te wijzen vonnis heeft plaatsgevonden.

3.2.

De vordering is, tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten, gegrond op de volgende stellingen.

De koop moet gedeeltelijk worden vernietigd, primair wegens bedrog en subsidiair wegens dwaling, omdat bij de bepaling van de prijs van de door [gedaagde 1] en de erfgenamen van wijlen mevrouw [erflaatster] aan [eiser] verkochte delen van het perceel ten onrechte geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat het perceel verpacht was. De prijs is daardoor te hoog vastgesteld en moet worden aangepast aan de marktprijs van dergelijke landbouwgrond in verpachte staat, die kan worden gesteld op 70% van de marktprijs van grond in onverpachte staat.

Meer subsidiair is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het voor koopsom te veel ontvangen bedrag mogen behouden.

Nog meer subsidiair hebben zij door de koopsom te hoog vast te stellen onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] zodat zij zijn schade behoren te vergoeden.

Uiterst subsidiair mogen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden gehouden aan het standpunt dat zij in de procedure voor de rechtbank Midden-Nederland hebben ingenomen, dat de betalingen aflossingen zijn op de geldlening. Van 1997 tot en met september 2015 heeft [eiser] in totaal € 71.427,39 aan [gedaagde 1] betaald, deels contant en deels per bank. Hierin is de te veel betaalde rente ad € 6.540,67 niet meegerekend. Wel is meegerekend een op 23 september 2015 onder protest betaald bedrag van € 733,11 voor rente. Uit een en ander volgt dat [eiser] € 7.343,39 te veel heeft afgelost. [gedaagde 1] dient dit te restitueren.

3.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren gemotiveerd verweer.

4 Het geschil in voorwaardelijke reconventie

4.1.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen in het geval dat de rechtbank het standpunt van [eiser] deelt dat deze € 43.540,67 in mindering heeft betaald op de hem in 1995 verstrekte geldlening, dat [eiser] zal worden veroordeeld tot betaling van € 50.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, en hem zal verwijzen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten.

4.2.

Deze vordering is gegrond op de stelling dat, als ervan uitgegaan wordt dat de betalingen van [eiser] in mindering strekken op de geldlening, hij de grond van [gedaagde 1] en de erfgenamen om niet in gebruik gehad heeft en dat het reëel is dat hun daarvoor over die periode, van 2006 tot en met 2015, een gebruiksvergoeding ad € 5.000,- per jaar wordt betaald.

4.3.

[eiser] voert op zijn beurt gemotiveerd verweer in voorwaardelijke reconventie.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat de overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt aan de andere partij een onroerende zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken ter uitoefening van de landbouw en die andere partij zich verbindt tot een tegenprestatie, moet worden gekwalificeerd als pacht. Op die overeenkomst zijn de regels van pacht van toepassing (artikel 7:311 e.v. BW). Voor de kwalificatie als pacht is de inhoud van de overeenkomst bepalend, ook als partijen aan de overeenkomst niet de benaming pacht hebben gegeven en ongeacht of zij de toepasselijkheid van die regels hebben gewild.

Voor zover hier van belang wordt onder landbouw verstaan, steeds voor zover bedrijfsmatig uitgeoefend: akkerbouw; weidebouw en veehouderij. Naar de rechtbank begrijpt gebruikt [eiser] het perceel voor melkveehouderij.

5.2.

Het standpunt van [eiser] houdt in dat hij het perceel van [gedaagde 1] en de erfgenamen heeft gepacht, maar dat [gedaagde 1] tegenover hem steeds heeft verklaard de betalingen die hij tot november 2014 van [eiser] ontving te beschouwen als aflossing op de hiervoor onder 2.1 bedoelde lening, en dat hij eerst na de koop het standpunt heeft ingenomen dat de betalingen strekten tot vergoeding van het gebruik.

5.3.

Volgens [gedaagden] is € 6.000,- door [eiser] afgelost, namelijk € 1.000,- per maand vanaf november 2014.

5.4.

[gedaagden] voert verder aan dat [eiser] voor het gebruik van de grond de bedragen heeft betaald die worden genoemd in het overzicht dat [eiser] heeft overgelegd als productie 9 bij de dagvaarding. Dat [eiser] de grond heeft gebruikt staat tussen partijen vast. Volgens [gedaagden] zou uit de stellingen van [eiser] volgen dat hij de grond om niet mocht gebruiken; [gedaagden] voert aan dat dat niet het geval was en dat [eiser] daadwerkelijk heeft betaald voor het gebruik.

5.5.

De rechtbank stelt vast dat dit overeenkomt met de stellingen van [eiser] . Deze staat immers op het standpunt dat hij de grond van [gedaagden] heeft gepacht. De rechtbank zal dan ook in hetgeen hierna volgt daarvan uitgaan gelet op het bepaalde in artikel 7:311 BW (zie hiervoor onder 5.1). [gedaagden] heeft wel aangevoerd dat er behalve ingebruikgeving van een onroerende zaak voor de bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw tegen een tegenprestatie nog andere criteria gelden om te kunnen spreken van pacht als bedoeld in die bepaling, maar de omstandigheden die hij in dit verband aanvoert leiden niet tot de conclusie dat de overeenkomst geen pacht zou zijn. Hij betoogt dat [eiser] een melkveebedrijf en een varkensbedrijf exploiteert en geen akkerbouwbedrijf, dat de bedrijfsactiviteiten niet zijn gericht op winst door uitoefening van de landbouw, dat het bedrijf beperkt van omvang is en dat niet gebleken is van investeringen. [gedaagden] ziet er echter aan voorbij dat niet alleen de algemeen gangbare maar ook de wettelijke betekenis van het begrip landbouw niet beperkt is tot akkerbouw, maar dat de veehouderij mede daaronder begrepen is (zie artikel 7:312 BW). Het verweer van [gedaagden] op het punt van de omvang van het bedrijf en de investeringen is te weinig concreet om daar gevolgen aan te verbinden. Onder investeringen vallen in dit verband ook uitgaven voor regulier onderhoud ter instandhouding van het bedrijf. Dat [eiser] daar geen middelen aan besteedt is niet gesteld of gebleken.

5.6.

[gedaagden] heeft nog aangevoerd dat [eiser] op onregelmatige tijdstippen wisselende bedragen aan [gedaagde 1] betaalde en dat dat er ook op wijst dat geen sprake is van pacht, en dat [eiser] heeft laten weten geen aanspraak te zullen maken op pacht.

5.7.

Dit verweer kan [gedaagden] niet baten. Zoals hiervoor onder 5.1 is overwogen wordt de overeenkomst waarbij landbouwgrond in gebruik wordt gegeven tegen een tegenprestatie gekwalificeerd als pacht, ongeacht de door partijen aan de overeenkomst gegeven benaming en de bedoeling waarmee zij haar zijn aangegaan. Aan het desbetreffende bewijsaanbod van [gedaagden] zal de rechtbank dan ook voorbijgaan. Voor zover [eiser] in de pachtvastleggingsprocedure (zie hiervoor onder 2.6) en/of in het kort geding (zie onder 2.8) een ander standpunt heeft ingenomen is hij daar in dit geding niet aan gebonden, omdat die procedures niet geëindigd zijn met een vonnis dat gezag van gewijsde heeft.

5.8.

Van bedrog, de primaire grondslag van de vordering, is sprake, zo is bepaald in artikel 3:44 BW, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mee te delen, of door een andere kunstgreep. In casu moet volgens [eiser] de mededeling van [gedaagden] dat zijn betalingen beschouwd zijn als bedoeld ter aflossing van de lening als kunstgreep in de hier bedoelde zin worden aangemerkt. Daardoor heeft [gedaagden] zich immers op het standpunt kunnen stellen dat de grond niet verpacht was en voor zich een koopprijs in onverpachte staat kunnen bedingen. Doordat [gedaagde 1] eerst nadat de koop gesloten was het standpunt heeft ingenomen dat de betalingen hadden te gelden als tegenprestatie voor het grondgebruik en alsnog aanspraak maakte op aflossing van de lening is aan zijn kant sprake van bedrog, aldus [eiser] .

5.9.

De rechtbank overweegt dat [eiser] volgens zijn eigen stellingen voorafgaand aan het moment van het sluiten van de koop is uitgegaan van het bestaan van pacht, dat hij zijn betalingen heeft gedaan ter voldoening aan zijn desbetreffende verbintenis en dat hij de betalingen ook als zodanig heeft geoormerkt. Dat partijen van mening verschilden over de strekking van de betalingen leidt niet tot de conclusie dat de koop door bedrog tot stand gekomen is. Het - naar [eiser] stelt toenmalige - standpunt van [gedaagde 1] dat de betalingen strekten tot aflossing van de geldlening valt niet aan te merken als een onjuiste mededeling die hem heeft bewogen de overeenkomst aan te gaan; [eiser] achtte dat standpunt immers ook toen onjuist.

5.10.

Hieruit volgt dat [eiser] ook geen beroep kan doen op een onjuiste prijsbepaling. Uit het over en weer gestelde leidt de rechtbank af dat de koop (zie hiervoor onder 2.8 tot en met 2.10) tevens gold als vaststellingsovereenkomst, namelijk ter beëindiging van het verschil van mening over de aard van de overeenkomst die ten grondslag lag aan het gebruik van het perceel door [eiser] . Op zichzelf is juist dat bij de bepaling van de prijs van verpachte grond die verkocht wordt aan de pachter moet worden uitgegaan van de marktwaarde in verpachte staat. De verpachte staat is bij de totstandkoming van de koop ook het uitgangspunt van [eiser] geweest. Was hij van mening dat een onjuiste prijs werd bepaald, dan had het op zijn weg gelegen op de voet van het bepaalde in artikel 7:379 BW de grondkamer te vragen de marktwaarde van het verkochte te taxeren. Nu hij dit heeft nagelaten moet worden aangenomen dat hij akkoord gegaan is met de prijs van € 321.000,-.

5.11.

Het voorgaande staat eveneens de toewijzing van de vordering op de subsidiaire grondslag, dwaling, de meer subsidiaire grondslag, onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, en de nog meer subsidiaire grondslag, onrechtmatige daad, in de weg. De primaire, subsidiaire, meer subsidiaire en nog meer subsidiaire vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

5.12.

Daarmee komen de beide uiterst subsidiaire vorderingen aan de orde. Naar de rechtbank begrijpt zijn deze vorderingen ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank het verweer van [gedaagden] honoreert dat de betalingen van [eiser] hebben te gelden als aflossingen op de geldlening.

5.13.

Waar [eiser] de betalingen heeft gedaan onder de noemer pacht en uitdrukkelijk betwist dat ze - behalve het genoemde bedrag van € 6.000,- - moeten worden beschouwd als aflossing op de lening, is het niet aan [gedaagden] om ze desondanks als zodanig aan te merken en vervolgens aanspraak te maken op een vergoeding voor het gebruik van het perceel.

5.14.

Wel volgt hieruit dat geen van de door [eiser] betaalde bedragen kunnen worden aangemerkt “te veel betaald”, zodat een recht op terugbetaling zou bestaan. De betalingen hebben immers te gelden hetzij als rente over het geleende bedrag, hetzij als tegenprestatie voor het gebruik van het perceel, hetzij als tegemoetkoming in de kosten van levensonderhoud van [gedaagde 1] .

5.15.

Dit leidt tot de conclusie dat ook deze onderdelen van de vordering niet in aanmerking komen voor toewijzing.

5.16.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De aan de zijde van [gedaagden] gevallen kosten worden begroot op € 876,- voor griffierecht en twee punten à € 894,- volgens het liquidatietarief voor salaris van zijn advocaat, in totaal € 2.664,-.

5.17.

De voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld is niet vervuld. Deze vordering kan dan ook onbesproken blijven.

6 Beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagden] begroot op € 2.664,-;

6.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2016.