Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3284

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
05/780022-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

tussenbeslissing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/780022-14

Datum uitspraak : 8 juni 2016

Tegenspraak

tussenbeslissing van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Zuid Oost, Huis van Bewaring Ter Peel.

Raadsman: mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht.

Deze tussenbeslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van (laatstelijk) 25 mei 2016. Van deze terechtzitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1 Onderzoekswensen van de raadsman

Verzoeken van de raadsman

Ter terechtzitting heeft de raadsman verzocht om aanvullend onderzoek. Hij heeft, zakelijk weergegeven, de volgende onderzoekswensen kenbaar gemaakt:

Prof. [geboorteplaats]

De raadsman wil een aanvullend dossieronderzoek laten verrichten door professor [geboorteplaats] naar de letseldatering, de exacte doodsoorzaak en het tijdstip van overlijden. Hij meent dat de uitkomsten van het onderzoek door de deskundige [naam 1] hiertoe (nog meer) reden geeft. Volgens de raadsman heeft [geboorteplaats] de expertise om de vragen te beantwoorden waarop [naam 1] geen antwoord heeft kunnen geven. Verdachte heeft het recht en er belang bij om alle middelen te benutten die haar verklaring kunnen ondersteunen, aldus de raadsman.

Schouw en reconstructie

De raadsman wil dat de rechtbank bij een schouw kennisneemt van de grootte en de gehorigheid van het chalet. Een schouw kan een verklaring bevestigen of juist ontkrachten.

De raadsman heeft ten aanzien van een reconstructie betoogd dat hij de kans moet krijgen te laten zien of verdachte het slachtoffer heeft kunnen overmeesteren en verplaatsen. Ook moet bij een reconstructie naar voren komen of de worsteling die zou hebben plaatsgevonden, hoorbaar is geweest en of de medeverdachte het heeft kunnen horen met of zonder open deur.

Gegevens verbinding

De raadsman heeft verder naar voren gebracht dat de analyse van een gegevensverbinding van een telefoonnummer, door de officier van justitie bij brief van 2 mei 2016 toegevoegd aan het dossier, ontlastend is voor verdachte nu daarmee wordt aangetoond dat zij in Bergen op Zoom was. Volgens de raadsman heeft dit tot gevolg dat de gereconstrueerde tijdlijn moet worden aangepast. Hij meent dat het Openbaar Ministerie hem aldus stukken heeft onthouden hetgeen in strijd is met een eerlijk proces. De raadsman verzoekt om een proces-verbaal waarin wordt gerelateerd waarom de stukken pas nu boven tafel komen dan wel dat de betreffende verbalisant daarover wordt gehoord.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft betoogd dat het verzoek met betrekking tot nader onderzoek door [geboorteplaats] niet nieuw is. Ze ziet geen aanleiding voor een nader onderzoek door [geboorteplaats] . Ten aanzien van het houden van een schouw en reconstructie heeft de officier van justitie meegedeeld dat haar eerder in de procedure ingenomen standpunt niet is gewijzigd. Ter zake van het proces-verbaal gegevensverbinding heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat het geen nieuwe informatie betreft en dat de inhoud van het proces-verbaal niet van invloed is op de tijdlijn. De dataverbindingen geven geen nieuwe inzichten. De verbinding bevestigt dat verdachte in Bergen op Zoom was, maar dat is allerminst een nieuw gegeven.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat op eerdere zittingen onderzoekswensen zijn geformuleerd, waarop laatstelijk door de rechtbank bij tussenbeslissing van 11 maart 2016 is beslist. De rechtbank stelt vast dat de raadsman, nadien niet heeft verzocht [naam 2] en [naam 1] als deskundigen te horen.

A. Prof. [geboorteplaats]

De raadsman heeft verzocht om een aanvullend onderzoek door prof. [geboorteplaats] . De raadsman heeft daarbij niet aangegeven op grond van welk artikel van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dit verzoek is gebaseerd, maar alleen gesteld dat verdachte recht heeft op een contra-expertise.

De rechtbank overweegt dat er geen algemeen recht bestaat op een contra-expertise. Een wettelijke basis voor het aanwijzen van een deskundige namens de verdediging kan in het algemeen, voor zover van belang, worden gevonden in de regeling betreffende het onderzoek door de rechter-commissaris (Tweede Boek, titel III Sv), waaronder de artikelen 228 lid 4, 230 lid 2 en 231 lid 1 Sv. Een andere wettelijke basis kan worden gevonden in artikel 315 Sv betreffende de bevoegdheid van de rechtbank om ambtshalve of op verzoek van de verdediging of het Openbaar Ministerie, nieuwe getuigen of deskundigen op te roepen of stukken te doen overleggen.

Voor zover de verdediging bedoeld heeft aan te knopen bij voornoemde bepalingen omtrent het onderzoek door de rechter-commissaris, overweegt de rechtbank als volgt.

Het verzoek lijkt niet aan te haken bij artikel 228 lid 4 Sv, nu geen sprake is van de aldaar bedoelde situatie dat een van de zijde van de verdachte aan te wijzen deskundige aanwezig is bij het onderzoek van de door de rechter-commissaris benoemde deskundige.

Evenmin is het verzoek gebaseerd op artikel 230 lid 2 Sv, nu het verzoek van de raadsman zich niet beperkt tot een onderzoek naar de deskundigenrapporten van [naam 2] en [naam 1] .

Voor zover bedoeld mocht zijn aan te knopen bij het bepaalde in artikel 231 lid 1 Sv (“indien het rapport van de deskundige daartoe aanleiding geeft, kan de rechter-commissaris … nader onderzoek opdragen aan dezelfde deskundige dan wel het onderzoek aan een of meer andere deskundigen opdragen. (…)”, overweegt de rechtbank in samenhang met het bepaalde in artikel 315 lid 2 Sv als volgt.

Het benoemen van een nieuwe deskundige door de rechtbank vindt plaats indien de rechter dit nodig acht, gezien de in de wet gebruikte termen “noodzakelijk” en “wensen”. Bij beantwoording van die vraag is de onderbouwing van het door de verdediging gedane verzoek in het licht van de betreffende rapportage van belang. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Anders dan door de verdediging gesteld, is er niet zozeer sprake van een situatie waarin vragen niet door [naam 1] konden worden beantwoord. De vragen zijn namelijk wel door [naam 1] beantwoord, in die zin dat zij gemotiveerd heeft aangegeven – kort samengevat – dat en waarom een tijdstip van overlijden niet kan worden vastgesteld.

Uit het rapport van [naam 1] komt onder meer naar voren dat het niet gebruikelijk is bij sectie een tijdstip van overlijden vast te stellen. Volgens [naam 1] is de methode van Henssge de meest toegepaste, enige gevalideerde, methode is om de postmortale termijn te berekenen op basis van de na overlijden intredende daling van de lichaamstemperatuur. De volgens de methode van Henssge berekende postmortale termijn zou (met een marge van plus of min 2,8 tot 7 uur) een betrouwbaarheidsinterval hebben van 95%. Deze methode is echter niet bruikbaar en betrouwbaar als een lichaam na overlijden is blootgesteld aan extreme hitte zoals bijvoorbeeld brand, zoals hier het geval is. Bovendien is het lichaam pas vele uren later gevonden en is het mogelijk verplaatst na overlijden. Door de hitte inwerking van een brand is de beoordeling van lijkstijfheid mede beperkt. Gezien de variatie van de genoemde postmortale veranderingen en bovendien de blootstelling aan hitte (brand) is in de onderhavige casus geen tijdstip van overlijden gegeven en ook geen grove indicatie van het postmortaal tijdsinterval en kan dat ook niet. Er zijn vele factoren die de spreiding in het optreden van postmortale veranderingen veroorzaken. Ook kan (deels) stijfheid optreden als gevolg van hitte-inwerking (door brand) op zichzelf. Volgens [naam 1] zijn binnen de forensische pathologie geen andere methodes bekend die een tijdstip van overlijden of een grove indicatie van het postmortaal interval beter kunnen bepalen.1

De raadsman heeft verder op geen enkele wijze toegelicht waarom er naar aanleiding van het rapport van [naam 1] (meer) reden zou zijn voor een nader onderzoek door [geboorteplaats] . De raadsman heeft geen begin van inzicht gegeven welke (wetenschappelijk aanvaarde) onderzoeksmethoden wel tot opheldering van de door hem gestelde vragen zouden kunnen leiden. De stelling dat verdachte het recht en er belang bij heeft om alle middelen te benutten die haar verklaring kunnen ondersteunen, is daarvoor onvoldoende specifiek en concreet. Nu het verzoek aldus niet voldoende is onderbouwd en de rechtbank aanvullend onderzoek door [geboorteplaats] niet noodzakelijk acht, zal de rechtbank het verzoek afwijzen. Hetgeen meer of anders door de raadsman is aangevoerd, kan aan dit oordeel niet afdoen.

Het eerder gedane verzoek om [naam 2] en [naam 1] ter zitting te horen, heeft de rechtbank bij tussenbeslissing van 11 maart 20916 afgewezen. Na kennisneming van de rapporten van [naam 2] en [naam 1] heeft de raadsman zijn verzoeken niet opnieuw gedaan. De rechtbank ziet na kennisneming van die rapporten ambtshalve geen aanleiding [naam 2] en [naam 1] ter zitting te horen.

Een schouw en reconstructie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman in zijn herhaalde verzoek onvoldoende concreet en specifiek onderbouwd dat en waarom (specifiek) een schouw noodzakelijk is. Een reconstructie acht de rechtbank om dezelfde redenen evenmin noodzakelijk. Voor die -samenhangende- beslissing is het volgende van belang.

Zoals de rechtbank in haar tussenbeslissing van 11 maart 2016 heeft overwogen, is er al veel informatie over de plaats delict in het dossier aanwezig. Er zijn plattegronden van de omgeving en van het chalet en er zijn diverse foto’s. Opnieuw is onvoldoende onderbouwd dat en waarom een reconstructie een antwoord zal kunnen geven op de door de raadsman gestelde vraag of verdachte het slachtoffer alleen heeft kunnen overmeesteren en verplaatsen in de gang. Van belang hierbij is, zoals in de tussenbeslissing van 11 maart 2016 is overwogen, dat er te veel ongewisse factoren en dus te weinig toetsbare elementen zijn om de scenario’s specifiek middels een schouw en/of reconstructie te kunnen testen.

Ten aanzien van de gehorigheid overweegt de rechtbank opnieuw dat een schouw en/of reconstructie niet het geëigende middel is om de gehorigheid ter plaatse vast te stellen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de overwegingen in haar tussenbeslissing van 11 maart 2016, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.

Overigens neemt de rechtbank, zoals ook in de tussenbeslissing van 11 maart 2016 is overwogen, bij het voorgaande in aanmerking dat de plaats delict verstoord lijkt te zijn tussen de dood van het slachtoffer en het aantreffen van zijn lichaam na de brandstichting. Uit het dossier lijkt naar voren te komen dat er verschillende handelingen zijn verricht met het lichaam van het slachtoffer, een groot deel van de inboedel in het chalet (meer of minder) is verplaatst na het overlijden van het slachtoffer en er vervolgens brand is gesticht in het chalet.

De rechtbank zal deze (herhaalde) verzoeken van de raadsman, gezien het vorenstaande los en in samenhang beschouwd, afwijzen. Hetgeen meer of anders is aangevoerd door de raadsman, kan aan dit oordeel niet afdoen.

Gegevens verbinding

De rechtbank overweegt dat het proces-verbaal analyse van gegevens verbinding van een telefoonnummer, dat de officier van justitie bij brief van 2 mei 2016 aan het dossier heeft toegevoegd, een toelichting bevat waarom een extra verbinding die in het NFI-rapport 18 januari 2016 stond eerder niet was aangetroffen.

Uit het proces-verbaal komt naar voren dat voor de analyse van de historische verkeersgegevens van telefoonnummer [telefoonnummer] gebruik is gemaakt van het programma Digitale Communicatie Sporen (DCS). DCS is een programma waarmee door de provider aangeleverde originele historische verkeersgegevens kunnen worden omgezet naar (historische verkeers)gegevens met dezelfde opmaak. Er wordt gebruik gemaakt van het programma DCS omdat de afzonderlijke telecommunicatie-providers hun historische verkeersgegevens elk digitaal in een andere opmaak aanleveren. Nadat de originele historische verkeersgegevens in DCS zijn ingeladen, kunnen de (omgezette) gegevens (met eenduidige opmaak) worden geëxporteerd naar MS Excel en nader worden geanalyseerd.

Uit het proces-verbaal komt verder naar voren dat de door het NFI genoemde verbinding van 13 maart 2014 om 23:24:20 uur wel in de originele historische verkeersgegevens zichtbaar was maar destijds (in 2014) blijkbaar niet werd weergegeven na omzetting door het programma DCS.

In het proces-verbaal wordt toegelicht dat aannemelijk wordt geacht dat de omzetting door DCS de oorzaak is van het ontbreken van deze verbinding in het destijds opgemaakte proces-verbaal.2

Gelet op de toelichting in het betreffende proces-verbaal is de rechtbank, zonder vooruit te willen lopen op enige (eind)beslissing, van oordeel dat hiermee voor nu een aannemelijke verklaring is gegeven voor de ontstane situatie. De verdediging heeft onvoldoende onderbouwd dat en waarom in het licht van het rapport van [naam 3] van 21 april 2016 en de daarin gegeven toelichting sprake zou zijn van een situatie waarin het Openbaar Ministerie informatie aan de raadsman zou hebben onthouden en dat sprake zou zijn van grove veronachtzaming van de belangen van verdachte.

Verder overweegt de rechtbank dat de raadsman niet heeft toegelicht waarom en in welke mate een in het dossier beschreven en voor verdachte (mogelijk) belastende tijdlijn niet (meer) zou kloppen, zodat het verzoek in zoverre niet voldoende is onderbouwd.

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het doen opmaken van een aanvullend proces-verbaal dan wel voor het horen van verbalisant en wijst het verzoek van de raadsman in zoverre af.

Hetgeen meer of anders is aangevoerd door de raadsman, kan aan de beslissing op dit onderdeel niet afdoen.

2 Overige overwegingen

De rechtbank heeft in raadkamer geen aanleiding gezien haar standpunt ten aanzien van de op de zitting van 25 mei 2016 gegeven beslissing over de voorlopige hechtenis van verdachte te herzien.

De rechtbank zal het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd schorsen.

De rechtbank zal de uiterste termijn waarbinnen het onderzoek ter terechtzitting dient te worden hervat stellen op maximaal drie maanden. Deze termijn is langer dan een maand om de klemmende reden dat moet worden aangenomen dat een kortere termijn ontoereikend zal zijn voor het appointeren van de zaak ter voortzetting van de behandeling ter terechtzitting, mede gelet op de zomervakantie en de afstemming van de agenda’s van alle raadslieden, de officier(en) van justitie en de rechtbank.

De rechtbank streeft ernaar de zaken van verdachte en de medeverdachten gelijk op te laten lopen. Bij de appointering van de zaken van verdachte en de medeverdachten dient daarom te worden gelet op de verhinderdata van alle betrokken procesdeelnemers.

Op de zitting van 7 december 2015 heeft de rechtbank beslist dat de medeverdachten [naam 4] en [naam 5] als getuige in de zaak van verdachte dienen te worden gehoord. In het geval op de volgende zitting de inhoudelijke behandeling van de zaak zal plaatsvinden, dienen [naam 4] en [naam 5] voor alsdan als getuige te worden opgeroepen.

3 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst af de verzoeken met betrekking tot onderzoekshandelingen;

  • -

    schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd en stelt de stukken in handen van de officier van justitie;

 stelt de uiterste termijn waarbinnen het onderzoek ter terechtzitting dient te worden hervat op maximaal drie maanden. Deze termijn is langer dan een maand om de klemmende redenen dat moet worden aangenomen dat een kortere termijn ontoereikend zal zijn voor het appointeren van de zaak ter voortzetting van het onderzoek ter terechtzitting;

 beveelt de oproeping van verdachte en haar raadsman tegen die terechtzitting met kennisgeving daarvan aan de nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] en hun advocaat;

 beveelt de oproeping van de medeverdachten [naam 4] en [naam 5] als getuigen, in het geval op de volgende zitting de inhoudelijke behandeling plaatsvindt.

Deze tussenbeslissing is gegeven door mr. M.C. van der Mei (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 juni 2016.

Mr. Hovens is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/780022-14

Uitspraak d.d.: 8 juni 2016

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van
8 juni 2016.

Tegenwoordig:

mr. Van der Mei , rechter,

mr. Markink , officier van justitie,

en , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De gedetineerde verdachte,

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Zuid Oost, Huis van Bewaring Ter Peel,

is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.


Ter terechtzitting van 25 mei 2016 heeft de verdachte aangegeven niet bij de uitspraak aanwezig te willen zijn.

De raadsman, mr. Y. Moszkowicz, is wel / niet verschenen.

De rechter spreekt de beslissing uit.

Waarvan proces-verbaal,

1 NFI-rapport van 8 april 2016, opgemaakt door M. [naam 1] , arts en patholoog.

2 Rapport Analyse n.a.v. beschreven verbinding in NFI-rapportage van 21 april 2016 opgemaakt door [naam 3] .