Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3281

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-04-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
300141
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:6581, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Distributieovereenkomst. Looptijd en beëindiging. Uitleg: haviltex. Voor de uitleg en uitvoering van de thans geldende overeenkomst tussen partijen is van belang op welke wijze zij uitvoering hebben gegeven aan hun eerdere, soortgelijke overeenkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1733
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/300141 / KG ZA 16-141

Vonnis in kort geding van 29 april 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 1] ,

eiseres,

advocaten mrs. C.M.X.C.R. Olie-Janssen en S.D. Kerkhof te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaten mrs. E.J.H. Gielen en R.W. de Vrey te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 13;

  • -

    de nagezonden producties 14 en 15 van [eiseres] ;

  • -

    de producties 1 tot en met 6 van [gedaagde] ;

  • -

    de nagezonden producties 16 en 17 van [eiseres] ;

  • -

    de nagezonden (vervangende) productie 4 van [gedaagde] ;

  • -

    de mondelinge behandeling van 19 maart 2016;

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is een vooraanstaande multinational die hoogwaardige medische producten produceert en verhandelt. [eiseres] is een Nederlandse onderneming die medische producten en aanverwante apparatuur aan ziekenhuizen en klinieken verkoopt.

2.2.

Tussen [gedaagde] , althans haar rechtsvoorganger [naam 1] , en [eiseres] is op

18 januari 2007 een eerste distributieovereenkomst tot stand gekomen. Op grond van deze distributieovereenkomst is [eiseres] exclusief distributeur van onder meer [naam 1] katheters en bijbehorende medische producten van [gedaagde] geworden. Deze producten zijn (kort gezegd) inzetbaar voor de endoveneuze behandeling van spataders. De overeenkomst van 18 januari 2007 vermeld onder meer:

‘(…)

17. Term and Termination

(a) Except as otherwise provided in this section 17, this Agreement shall have an initial Term of six (6) months from the Effective Date. [naam 1] may renew this Agreement for an additional, one year term (“the First Extension Term”) if [naam 1] determines that during the Initial Term DISTRIBUTOR has met its commitments, as set forth in paragraph 1(d) to the satisfaction of [naam 1] . [naam 1] may renew this agreement after the First Extension Term for an additional term of one year (“the Second Extension Term”) if [naam 1] determines that during the First Initial Term DISTRIBUTION has met its commitments, as set forth in paragraph 1(d) to the satisfaction of [naam 1] . If [naam 1] does not provide notice of such renewel within the last month of the applicable term the Agreement shall terminate without further obligation of [naam 1] to DISTRIBUTOR, except as set forth on Exhibit E. (…)’

2.3.

De eerste overeenkomst heeft geduurd tot 18 juli 2009. Vervolgens hebben partijen hun handelsrelatie enkele maanden zonder (schriftelijke) contractuele basis voortgezet. Op

18 november 2009 is tussen partijen een tweede distributieovereenkomst tot stand gekomen. Deze overeenkomst vermeldt onder meer:

‘ (…)

12. DURATION AND TERMINATION

12.1

This agreement shall come into effect on the Commencement Date and, subject to clause 12.2, clause 12.3 and clause 15.2, shall continue in force for an initial term until June 30 2012, at which date the agreement will therefore end by operation of law. It is possible to renew this agreement, however, an agreement will only be renewed for a maximum of two periods of one year upon written request of the Distributor to be notified to and agreed by the Supplier in writing three months before the elapse of the term of one Year.

An extension of the relationship between the Parties after two possible renewals of this agreement shall require mutual signing of a new agreement.

(…)’

2.4.

Naar aanleiding van de inhoud van de tweede distributieovereenkomst is door de heer [naam 2] , als Financial Controller werkzaam bij [gedaagde] , bij e-mailbericht van

8 april 2010 onder meer het volgende aan [eiseres] bericht:

‘ With reference to the contract between your company and [gedaagde] dated November 18, 2009, we hereby confirm the extension of the duration of the contract till December 31, 2012 and add the following [gedaagde] products to the exclusive agreement: attached please find the amended schedule 2.

(…)’

2.5.

De tweede distributieovereenkomst duurde aldus in beginsel voort tot

31 december 2012. De overeenkomst heeft echter niet tot die datum geduurd. Op

28 oktober 2011 is tussen partijen een nieuwe (derde) overeenkomst tot stand gekomen. Deze overeenkomst vermeldt onder meer:

’(…)

12. DURATION AND TERMINATION

12.1

This Agreement shall come into effect on the Commencement Date and, subject to clause 12.2, clause 12.3 and clause 15.2, shall continue in force for an initial term of one Year. This Agreement shall be renewed for a maximum of two periods of one year upon request of the Distributor to be notified to and agreed by the Supplier in writing three months before the elapse of the term.

Notwithstanding anything to the contrary in this Agreement, this Agreement shall expire 3 years from the Commencement Date. An extension of the relationship between the Parties shall require mutual signing of a new Agreement.

(…)’

2.6.

De derde distributieovereenkomst heeft vervolgens geduurd tot 28 oktober 2014. Vervolgens hebben partijen hun handelsrelatie vanaf 28 oktober 2014 tot 1 mei 2015 wederom zonder (schriftelijke) contractuele basis voortgezet.

2.7.

Uit een persbericht van 15 juni 2014 volgt dat [gedaagde] na een miljardentransactie deel is gaan uitmaken van het Medtronic concern. Medtronic is een beursgenoteerde multinational en wereldwijd marktleider op het gebied van medische technologie, diensten en oplossingen.

2.8.

Eind 2014 zijn partijen in onderhandeling getreden over een nieuwe (vierde) distributieovereenkomst. Vanwege de overname van [gedaagde] door Medtronic heeft [eiseres] tijdens die onderhandelingen bij e-mailbericht van 15 mei 2015 voorgesteld om de nieuwe overeenkomst voor een aaneengesloten duur van drie jaar aan te gaan, zonder tussentijdse ‘renewels’. Hier heeft [gedaagde] afwijzend op gereageerd. Bij e-mailbericht van 15 mei 2015 heeft de heer [naam 3] , als Director of Marketing werkzaam bij [gedaagde] , aan Bo Medicals bericht:

‘ We did get some feedback from our lawyer.

 A 12 month notification date is not at all possible, as the agreement has 3 consecutive periods of one year. The usual termination date for EU contracts is one month for every year of the contract, but I have told them your concern and I asked for three months to cover the entire term on the contract not just one year.

 The term of the agreement is in effect for 3 years but needs to be renewed every year. I actually think this is better as it allows you to renegotiate your volume commitments every year. If it was a blanket 3 year contract then we would need to have the volume commitments for each year in the contract and I have only seen one year, unless you already have them and I am not aware.

(…)

Let me talk with [naam 4] and see if I am missing some information. We may need to have the lawyers talk to one another about the 3 year term of the contract as I think we are all saying the same thing. We both want a 3 year contract, I’m just not sure how it needs to be written.’

2.9.

Met ingang van 1 mei 2015 is vervolgens de vierde distributieovereenkomst aangevangen. Deze overeenkomst vermeldt onder meer:

‘(…)

12 DURATION AND TERMINATION

12.1

This Agreement shall come into effect on the Commencement date and, subject to clause 12.2, clause 12.3 and clause 15.2, shall continue in force for an initial term of one Year. This Agreement can be renewed for a maximum of two periods of one year in writing three months before the expiration of the term. Notwithstanding anything to the contrary in this Agreement, this Agreement shall expire 3 years from the Commencement Date. An extension of the relationship between the Parties shall require mutual signing of a new agreement. If the Agreement is still valid at that time, Supllier will inform Distributor at least 6 months prior to expiration of the third Contract Year of its intention to either sign a new agreement or to let it expire.

(…)’

2.10.

Partijen zijn in januari 2016 in overleg getreden over de tot dan toe behaalde resultaten, de bedreigingen op de markt die partijen vanaf dat moment mogelijk te wachten staan en wat die omstandigheden zouden moeten betekenen voor de invulling van de lopende distributieovereenkomst. Partijen hebben daarover in ieder geval gesproken op

12 januari 2016 en op 22 januari 2016. Naar aanleiding van het gesprek op 22 januari 2016 heeft de heer [naam 5] namens [eiseres] aan [gedaagde] bij e-mailbericht van 1 februari 2016 bericht:

‘Wij willen er alles aandoen om het opgebouwde succes, de positie van de [naam 1] catheter en de toekomst met de VenaSeal te waarborgen, echter we waren het er al over eens dat het bestaande businessmodel alleen maar leidt tot verdere uitholling van prijs en marge.

Wij staan absoluut open om met je te kijken hoe we op een andere manier invulling aan onze rol kunnen geven.’

2.11.

Op 16 februari 2016 heeft vervolgens opnieuw een gesprek plaatsgevonden over de marktontwikkelingen en optimalisatie van het bestaande verdienmodel. Partijen hebben in dat kader gepraat over een voortijdige beëindiging van de distributieovereenkomst. [eiseres] was op dat moment bereid om daarmee akkoord te gaan, indien aan haar een voor haar acceptabele afkoopsom zou worden betaald van € 3.599.936,98.

2.12.

Op 18 maart 2016 heeft [gedaagde] , althans Medtronic, kenbaar gemaakt niet tot betaling van een dergelijke afkoopsom bereid te zijn. Aan [eiseres] werd een afkoopsom van € 300.000,00 aangeboden. [eiseres] is daarmee niet akkoord gegaan. Tijdens dit gesprek is aan [eiseres] een ongedateerde brief overgelegd van de heer [naam 6] , als Country Director werkzaam bij Medtronic, waarin onder meer staat vermeld:

‘(…)

We zijn op 1 mei 2015 een distributie overeenkomst aangegaan voor de duur van één jaar en dus tot 1 mei 2016 (art 12.1). De overeenkomst had voor 1 februari 2016 schriftelijk door partijen met één jaar verlengd kunnen worden. Door partijen is hier geen gebruik van gemaakt, sterker nog [eiseres] heeft expliciet aangegeven de samenwerking om uw moverende redenen te willen beëindigen.

Conclusie is dat de overeenkomst op 1 mei 2016 automatisch eindigt. Dit is geen “tussentijdse” beëindiging, maar een reguliere beëindiging door expiratie van de duur van het contract.

Het bovenstaande betekent dat voor ons geen verplichting bestaat om enige afkoopsom te voldoen. (…)’

2.13.

[eiseres] heeft de nadien door [gedaagde] op 24 maart 2016 aangeboden afkoopsom van € 400.000,00 niet geaccepteerd. [gedaagde] heeft in reactie daarop kenbaar gemaakt dat zij de distributieovereenkomst per 1 mei 2016 als geëindigd beschouwd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I te gebieden dat [gedaagde] de distributieovereenkomst (zoals laatstelijk vastgelegd bij contract van 1 mei 2015) (ook) na 1 mei 2016 en gedurende de resterende looptijd daarvan nakomt;

II te verbieden dat [gedaagde] de producten (ook) na 1 mei 2016 en gedurende de resterende looptijd van de distributieovereenkomst zelf (direct dan wel indirect) op de Nederlandse markt brengt;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 voor elke dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het onder I genoemde gebod en/of het onder II genoemde verbod te voldoen;

Subsidiair

III die voorzieningen te treffen die de voorzieningenrechter met het oog op de hiervoor uiteengezette belangen van [eiseres] in goede justitie geraden acht;

Primair en subsidiair

IV veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten indien deze kosten niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn voldaan;

V veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis.

3.2.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Het spoedeisend belang van [eiseres] vloeit voldoende uit haar stellingen voort.

4.2.

[eiseres] vordert in deze procedure nakoming van de tussen partijen op

1 mei 2015 gesloten distributieovereenkomst. [eiseres] legt aan deze vordering ten grondslag dat partijen in artikel 12.1 van de overeenkomst de duur daarvan hebben vastgelegd, welke duur volgens [eiseres] drie jaar bedraagt. [eiseres] stelt dat in artikel 12.1 weliswaar staat vermeld dat de overeenkomst voor een initiële duur van één jaar is aangegaan en daarna maximaal twee keer met één jaar kan worden verlengd, maar dat zij uit de eerdere samenwerking tussen partijen en de verklaringen en gedragingen van [gedaagde] mocht begrijpen dat de overeenkomst telkens na een jaar stilzwijgend wordt verlengd en ten minste voor de duur van drie jaar en aldus tot 1 mei 2018 zou voortduren. [gedaagde] heeft deze stelling weersproken en in dat kader aangevoerd dat uit de letterlijke tekst van artikel 12.1 van de overeenkomst volgt dat de overeenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar en dat, indien partijen een verlenging daarvan wensten, dit voor 1 februari 2016 schriftelijk moest zijn medegedeeld. [gedaagde] stelt dat deze verlengingshandeling niet heeft plaatsgevonden, zodat de overeenkomst niet is verlengd en van rechtswege eindigt op 1 mei 2016.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Partijen verschillen van mening over de betekenis van artikel 12.1 van de op 1 mei 2015 gesloten distributieovereenkomst. Dat doet vragen rijzen van uitleg van artikel 12.1. van de distributieovereenkomst. De vraag welke betekenis aan een contractuele bepaling toekomt kan niet alleen worden beantwoord op grond van enkel zuiver taalkundige betekenis van de bepaling. Het komt aan op de zin die de partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis van de bewoordingen gelezen in de gehele context van het schriftelijke contract vaak wel van groot belang. Dit is niet anders indien een overeenkomst een zogenoemde ‘entire agreement clause’ bevat, welke bepaling veelal beoogt te bewerkstelligen dat partijen niet zijn gebonden aan eerdere op de overeenkomst betrekking hebbende afspraken die daarmee in strijd zijn, indien de afspraken niet in de overeenkomst zijn opgenomen en de overeenkomst daar evenmin naar verwijst. Een dergelijke bepaling staat er niet zonder meer aan in de weg dat voor de uitleg van de in de overeenkomst vervatte bepalingen betekenis wordt toegekend aan verklaringen die zijn afgelegd dan wel gedragingen die zijn verricht, in het stadium voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.

4.4.

De op 1 mei 2015 gesloten distributieovereenkomst en de daarin vervatte ‘entire agreement clause’ bieden geen aanknopingspunten voor de gedachte dat deze overeenkomst geheel los moet worden gezien van haar voorgeschiedenis, waarin reeds uitvoering is gegeven aan drie eerdere distributieovereenkomsten. [gedaagde] heeft ook ter zitting geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan dat dient te worden aangenomen.

Bij de uitleg van artikel 12.1 wordt vooropgesteld dat de derde distributieovereenkomst, gesloten op 28 oktober 2011, nagenoeg dezelfde bepaling bevat over de duur van de overeenkomst. Ook volgens artikel 12.1 van de derde overeenkomst blijft de overeenkomst na inwerkingtreding gedurende een initiële termijn van één jaar voortduren, kan vernieuwing voor maximaal twee periodes van één jaar plaatsvinden en eindigt de overeenkomst na drie jaar. Met renewal/vernieuwing is klaarblijkelijk bedoeld het verlengen van de termijn zonder dat daarvoor een nieuwe (schriftelijke) overeenkomst behoeft te worden aangegaan. Over de wijze waarop deze verlengingen zouden moeten plaatsvinden is in de derde overeenkomst bepaald dat die schriftelijk, uiterlijk drie maanden voor het einde van de termijn, op verzoek van [eiseres] en met instemming van [gedaagde] dienen te geschieden. Volgens deze bepaling is dus een actieve schriftelijke verlengingshandeling vereist. Niet in geschil is dat aan dit vereiste gedurende de derde overeenkomst nimmer uitvoering is gegeven, maar dat de overeenkomst na verloop van één jaar telkens stilzwijgend met één jaar is verlengd tot de overeenkomst drie jaar had geduurd. [gedaagde] heeft betoogd dat in ieder geval één keer wel een actieve verlengingshandeling heeft plaatsgevonden blijkens de op 8 april 2010 namens [gedaagde] aan [eiseres] verzonden brief. Het is onduidelijk op welke situatie die brief, die is gestuurd op het moment dat de tweede distributieovereenkomst nog slechts enkele maanden in werking was getreden, exact ziet. Deze brief, die geheel op zichzelf zich zelf staat, kan daarom niet gelden als onderbouwing van de stelling van [gedaagde] dat het gebruikelijk was dat indien verlenging van een overeenkomst was gewenst, daarvoor een actieve verlengingshandeling werd verricht.

4.5.

Vervolgens hebben tussen partijen vanaf oktober 2014 onderhandelingen plaatsgevonden over de invulling van de vierde distributieovereenkomst. Tijdens deze onderhandelingen heeft [eiseres] op 15 mei 2015 ter sprake gebracht dat zij een overeenkomst zou willen met een aaneengesloten duur van drie jaar en dus zonder de tussentijdse renewels/verlengingen. Dit onderhandelingsvoorstel zou erop kunnen duiden dat (ook) [eiseres] van mening was dat de voorgaande distributieovereenkomsten niet golden voor een vaste termijn van drie jaar, maar telkens slechts voor één jaar met de noodzaak van een actieve verlengingshandeling van de partijen. Daartegenover staan echter de volgende omstandigheden.

4.6.

Op het voorstel van [eiseres] om een nieuwe overeenkomst voor de duur van drie jaar te sluiten zonder tussentijdse verlengingen heeft de heer [naam 3] namens [gedaagde] bij e-mail van 15 mei 2015 gereageerd. Hij schrijft daarin dat de overeenkomst drie jaar van kracht zal zijn, maar ieder jaar vernieuwd moet worden. Verder licht hij daarin toe waarom dat laatste zijns inziens nodig is, maar hij benadrukt dat iedereen hetzelfde voor ogen staat, namelijk een contract voor drie jaar, maar dat hij er alleen niet zeker van is hoe het moet worden opgeschreven. Vervolgens is in de nieuwe (vierde) overeenkomst in artikel 12.1 een bepaling opgenomen die vrijwel gelijkluidend is aan die in de derde overeenkomst. Hiervoor is al vastgesteld dat aan deze bepaling gedurende de looptijd van de derde overeenkomst nimmer uitvoering is gegeven waardoor die overeenkomst zonder actieve verlengingshandelingen drie jaar heeft geduurd. Indien [gedaagde] in mei 2015 werkelijk de bedoeling heeft gehad om ditmaal, in afwijking van de wijze waarop aan het derde contract steeds uitvoering is gegeven, een overeenkomst voor de duur van één jaar te sluiten, waarbij jaarlijks een actieve verlengingshandeling zou moeten plaatsvinden om de overeenkomst langer dan dat jaar te laten voortduren, dan had [gedaagde] dit duidelijk moeten maken. [eiseres] hoefde dat uit de e-mail van 15 mei 2015 van de heer [naam 3] in combinatie met de vrijwel zelfde tekst van artikel 12.1 in het vierde contract niet af te leiden of te begrijpen. Integendeel mocht zij de e-mail opvatten als een bevestiging van haar historische beeld dat opnieuw een contract zou worden gesloten voor drie jaar met de gangbare praktijk van jaarlijkse stilzwijgende verlengingen.

4.7.

Dat [eiseres] op grond van het voorgaande niet aan een duur van de overeenkomst van drie jaar zonder dat actieve verlengingshandelingen na één jaar nodig waren, hoefde te twijfelen, geldt temeer indien wordt gekeken naar de uitleg die de heer [naam 3] namens [gedaagde] heeft gegeven met betrekking tot de reden waarom een aaneengesloten duur van drie jaar niet kon worden geaccepteerd. Die uitleg luidt immers dat het beter is om periodes van één jaar aan te houden, omdat op die manier jaarlijks kan worden onderhandeld over het volume van door [eiseres] van [gedaagde] af te nemen producten en dat anders in het contract volume afspraken voor drie jaar vooruit zouden moeten worden opgenomen. Hierbij gaat het dus uitsluitend om praktische overwegingen rondom het maken van volume afspraken en dit duidt in het geheel niet op een bedoeling om de duur van het contract als zodanig te beperken tot één jaar, behoudens een schriftelijke door [gedaagde] geaccepteerde verlenging.

4.8.

Daar doet niet aan af de verklaring van de heer [naam 7] , als Sales Director Europe werkzaam bij Medtronic/ [gedaagde] , waarin wordt verklaard over hetgeen namens [gedaagde] aan de heer [naam 5] van [eiseres] over de duur van de overeenkomst is medegedeeld. Hoewel de heer [naam 7] in dit stuk verklaart dat hij meerdere malen aan de heer [naam 5] van [eiseres] kenbaar heeft gemaakt dat Medtronic en dus [gedaagde] niet akkoord kon gaan met een distributieovereenkomst voor een aaneengesloten duur van drie jaar, heeft de heer [naam 5] van [eiseres] de juistheid daarvan ter zitting betwist en in dat kader aangegeven dat de heer [naam 7] zijn verklaring erg ‘politiek correct richting zijn werkgever’ heeft opgesteld. Gelet op deze betwisting, kan aan de inhoud van deze verklaring geen doorslaggevende betekenis worden toegekend voor het antwoord op de vraag wat partijen zijn overeengekomen en hebben bedoeld met artikel 12.1 in de distributieovereenkomst.

4.9.

Verder doet [gedaagde] een beroep op de omstandigheid dat artikel 12.1 in de vierde overeenkomst is gewijzigd ten opzichte van de overeenkomstige bepaling in de derde overeenkomst, zodat daaraan een andere betekenis moet worden gehecht. In artikel 12.1 van de vierde overeenkomst staat ‘can be renewed’ terwijl in de derde overeenkomst stond vermeld ‘shall be renewed’. Daarnaast is de zinsnede ‘upon request of the Distributor to be notified to and agreed by the Supplier’ in artikel 12.1 van de derde overeenkomst niet in de vierde overeenkomst terug gekomen. Ter zitting is gebleken dat partijen over deze wijzigingen niet expliciet hebben gesproken. Daarom is vooralsnog onduidelijk of aan deze wijzigingen een bijzondere betekenis moet worden toegekend en zo ja, welke. Indien wordt gekeken naar de letterlijke tekst van artikel 12.1 in de vierde overeenkomst, lijkt het een vereenvoudiging van dezelfde bepaling uit de derde overeenkomst. Nu echter niet duidelijk is wat partijen met deze wijzigingen -in het bijzonder de wijziging van ‘shall be renewed’ in ‘can be renewed’- voor ogen stond, kunnen die niet tot een andere uitleg van artikel 12.1 leiden.

4.10.

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat zij de gedragingen en verklaringen van [eiseres] vanaf januari 2016 zo heeft mogen begrijpen, dat [eiseres] de distributieovereenkomst zelf na 1 mei 2016 niet langer wilde voortzetten, zodat ook op die grond nadien een einde aan de distributierelatie behoort te komen. Hoewel [eiseres] heeft erkend dat partijen hebben gesproken over een mogelijke andere invulling van hun samenwerking, heeft zij betwist dat zij kenbaar zou hebben gemaakt dat het voortzetten van de distributieovereenkomst in haar huidige vorm voor haar niet langer zinvol zou zijn. Dat namens [eiseres] dergelijke uitspraken zouden zijn gedaan heeft [gedaagde] ook op geen enkele wijze onderbouwd. Op zichzelf is het immers niet onbegrijpelijk dat twee handelspartners na een jarenlange samenwerking het door hen gehanteerde businessmodel evalueren en eventuele wensen en zorgen bespreekbaar maken en de voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat uit die enkele omstandigheid, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet de conclusie kan worden getrokken dat [eiseres] te kennen heeft gegeven de bestaande distributieovereenkomst onvoorwaardelijk te willen beëindigen. Teminder omdat vaststaat dat partijen zich ook vanaf januari 2016 tot (in ieder geval) half maart 2016 hebben gedragen alsof zij de distributierelatie voortzetten. Zo is niet in geschil dat [eiseres] een op de producten van [gedaagde] gerichte cursus aan het organiseren was die begin juni 2016 zal plaatsvinden en waarvoor een medewerker van [gedaagde] zich heeft ingeschreven en staat evenmin ter discussie dat partijen begin 2016 hebben samengewerkt aan de totstandkoming van een mailing aan de klanten van [eiseres] , waarin haar samenwerking met [gedaagde] (nogmaals) wordt vermeld en omschreven. Gelet hierop, is het niet aannemelijk dat [gedaagde] de gedragingen en verklaringen van [eiseres] zo heeft mogen begrijpen dat zij de distributieovereenkomst na 1 mei 2016 niet langer wenste voort te zetten.

4.11.

De conclusie uit het voorgaande moet zijn dat [eiseres] in het licht van de voorgeschiedenis artikel 12.1 van de huidige overeenkomst redelijkerwijs zo heeft mogen begrijpen dat sprake was van een contract voor de duur van drie jaar waarbij, zoals gebruikelijk, jaarlijks stilzwijgend verlenging met één jaar zou plaatsvinden en er in de gegeven omstandigheden niet op bedacht hoefde te zijn dat [gedaagde] zich (plotseling) op het standpunt zou stellen dat de gehele overeenkomst van rechtswege is geëindigd omdat niet vóór 1 februari 2016 een schriftelijke verlenging(shandeling) had plaatsgevonden. Dit betekent dat de overeenkomst na 1 mei 2016 voortduurt in beginsel tot 1 mei 2018. De vordering van [eiseres] om [gedaagde] te gebieden de distributieovereenkomst ook na 1 mei 2016 en gedurende de resterende looptijd na te komen zal derhalve worden toegewezen. Dat brengt met zich dat ook het gevorderde verbod voor [gedaagde] om gedurende de looptijd van de distributieovereenkomst producten die door die overeenkomst worden bestreken direct dan wel indirect op de Nederlandse markt te brengen zal worden toegewezen, aangezien niet in geschil is dat het om een exclusieve distributieovereenkomst gaat. De gevorderde dwangsom zal op de voet van artikel 611a Rv eveneens worden toegewezen als na te melden.

4.12.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van [eiseres] worden veroordeeld. Deze kosten worden tot op heden begroot op:

  • -

    explootkosten € 82,25

  • -

    griffierecht € 619,00

  • -

    salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.517,25

4.13.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen als na te melden.

4.14.

De gevorderde nakosten zullen, vermeerderd met de daarover gevorderde wettelijke rente, eveneens worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

gebiedt [gedaagde] de distributieovereenkomst (zoals laatstelijk vastgelegd bij contract van 1 mei 2015) (ook) na 1 mei 2016 en gedurende de resterende looptijd daarvan na te komen;

5.2.

verbiedt [gedaagde] de producten die worden bestreken door de distributieovereenkomst met [eiseres] (ook) na 1 mei 2016 en gedurende de resterende looptijd van de distributieovereenkomst zelf (direct dan wel indirect) op de Nederlandse markt te brengen;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 100.000,00 voor elke dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het onder 5.1. en/of 5.2. genoemde gebod en verbod te voldoen, tot een maximum van

€ 3.500.000,00;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.517,25, waarin begrepen € 816,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening;

5.6.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier E.H.J. Krijnen op 29 april 2016.