Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3277

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5163 , 15_ 5164
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:9736, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Art. 3.8 Wet IB 2001. Verstrekking gelden in het kader van normale uitoefening van de onderneming? Onzakelijke lening?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1373
V-N 2016/45.2.1
FutD 2016-1590
NTFR 2016/1899 met annotatie van mr.drs. E.J.H. Vermeulen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 15/5163 en AWB 15/5164

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 juni 2016

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

15/5163

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2011 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), aanslagnummer [000] .H.16.01, opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.694. Tevens is bij beschikking € 1.319 aan heffingsrente in rekening gebracht.

15/5164

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2011 een aanslag Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw), aanslagnummer [000] .W.16.01.4, opgelegd, berekend naar een maximum bijdrage inkomen van € 33.427. Tevens is bij beschikking € 112 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij twee afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 16 juli 2015 de hiervóór genoemde aanslagen en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brieven van 18 augustus 2015, ontvangen door de rechtbank op 19 augustus 2015, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft, na daartoe de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Eiser heeft voorafgaande aan de zitting een pleitnota ingediend. Verweerder heeft daarvan een afschrift ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2016. Namens eiser zijn verschenen de gemachtigde en [A] . Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde] . De beroepen zijn gelijktijdig behandeld.

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd aan de rechtbank en reeds voorafgaande aan de zitting aan eiser.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is freelance cameraman. Hij drijft sinds [1999] , in de vorm van een eenmanszaak, een onderneming onder de naam [B] (hierna: [B] ). De activiteiten van [B] bestaan uit facilitaire activiteiten voor film- en televisie-productie. Eiser heeft in 2007 een rekening‑courant kredietfaciliteit gesloten bij de Postbank, waarvan de kredietlimiet € 125.000 bedraagt, die een looptijd heeft van onbepaalde tijd, een verschuldigde kent rente van 3,4 percent boven de Postbank Basisrente (die op dat moment 5,2 percent bedraagt) met een minimum van zes percent per jaar en een hoofdelijke aansprakelijkheid heeft van eiser als zekerheid en daarnaast een verpanding van alle huidige en toekomstige bedrijfsactiva.

2. Op 17 maart 2009 zijn opgericht [C] B.V. (hierna: [C] ), [D] B.V. (hierna: [D] ) en [E] B.V. (hierna: [E] ). Eiser houdt alle aandelen in [C] . [C] houdt alle aandelen in [D] en alle aandelen in [E] . Over de aard van de activiteiten van voornoemde drie vennootschappen is in het handelsregister het volgende vermeld: [C] “financiële holdings”, [D] “groothandel in elektronische en telecommunicatieappartuur” en [E] “produktie van films (geen televisie films)”.”

3. Het bij de oprichting geplaatste en gestorte kapitaal bij [C] , [D] en [E] bedroeg elk € 18.000. Eind 2011 bedroeg het eigen vermogen van [C] -/- € 24.338.

4. In april 2009 heeft [B] tot een bedrag van € 125.000 in rekening-courant verstrekt aan [C] . Tot de gedingstukken behoort een overeenkomst van lening in rekening-courant (hierna: de overeenkomst) waarin het volgende is bepaald:

“De ondergetekenden

  • -

    [B] (…) en

  • -

    [C] (…): (…)

in aanmerking nemende dat:

  • -

    [C] in 2009 een onderneming is gestart ten behoeve van de ontwikkeling van tv formats en innovatieve mobiele telefonie reclame koopsystemen

  • -

    [C] als gestarte ondernemer behoefte heeft aan financiële ondersteuning voor de ontwikkeling van deze activiteiten

  • -

    [B] aan enkele van deze producten gerelateerde diensten verleent en er daardoor een spin off effect kan ontstaan tussen partijen

  • -

    [B] deze middelen wil en kan verstrekken middels uitbreiding van haar eigen rekening courantkrediet bij de Postbank

  • -

    partijen de mondeling gemaakte afspraken terzake thans schriftelijk willen vastleggen;

komen overeen

Artikel 1

[B] heeft aan [C] uitgeleend in rekening courant gelijk [C] heeft geleend van [B] in rekening courant een bedrag van € 125.000 (honderdvijfentwintigduizend Euro), op te nemen in onderling overleg.

Artikel 2

De krediet faciliteit is aangegaan voor een periode van vijf jaren en eindigt 31 december 2014.

Artikel 3

De door [C] verschuldigde rente bedraagt 2,0 (twee) % per jaar, te berekenen aan het einde van ieder kalenderjaar over het gemiddeld uitstaand saldo, voor het eerst op 31 december 2009 en vervolgens op 31 december van elk volgend jaar.

Artikel 4

Ter meerdere zekerheid van betaling van lening en rente, zal [C] op eerste afroep van [B] ten gunste van [B] pandrecht vestigen op de aan [C] toebehorende aandelen in de vennootschappen die de betreffende ontwikkelingen zullen vormgeven, te weten het volledige aandelenkapitaal van [E] (…) en [D] (…).”

5. [C] , [D] en [E] hebben in 2009 en 2010 geen omzet gerealiseerd.

6. Eiser heeft voor het jaar 2011 aangifte IB/PVV gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.651. Eiser heeft in deze aangifte een bedrag van € 51.515 in aftrek gebracht op de winst, zijnde 50 percent van het tot dan door [C] opgenomen krediet van € 103.030. Verweerder heeft de afwaardering niet geaccepteerd en heeft de aangifte IB/PVV gecorrigeerd.

Geschil

7. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning terecht heeft gecorrigeerd met een bedrag van € 51.515. Meer in het bijzonder is in geschil of de rekening-courant vordering behoort tot het ondernemingsvermogen en of deze vordering is te kwalificeren als een zogenoemde onzakelijke lening.

8. Eiser is van mening dat de afwaardering ten onrechte niet is geaccepteerd. Hij stelt dat afwaardering ten laste van de winst mogelijk is, omdat er geen sprake is van een onzakelijke lening. De lening in rekening-courant is door [B] aan [C] verstrekt met de bedoeling om door middel van synergie-effecten meer omzet te realiseren bij [B] . Eiser stelt dat de voorwaarden en kosten waaronder de lening in rekening-courant is verstrekt behoren tot het noodzakelijk te nemen ondernemingsrisico om te investeren in een mogelijkheid tot het verkrijgen van meer omzet in [B] .

9. Verweerder is van mening dat de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld.

Beoordeling van het geschil

10. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er sprake is van een lening.

Ondernemingsvermogen?

11. De Hoge Raad heeft overwogen dat voor het antwoord op de vraag of een verstrekte lening tot het ondernemingsvermogen behoort, beslissend is of de lening door de ondernemer is verstrekt binnen het kader van de normale uitoefening van de onderneming. Binnen dat kader valt niet de verstrekking van een lening uit liquide middelen voor doeleinden welke aan de onderneming vreemd zijn. Een uitzondering geldt voor de situatie dat sprake is van de belegging van tijdelijk overtollige liquide middelen op een zodanige wijze dat redelijkerwijze moet worden aangenomen dat de aldus belegde middelen tijdig weer in de onderneming beschikbaar zullen zijn (Hoge Raad 3 april 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8306).

12. Het verstrekken van de onderhavige lening aan een startende onderneming behoort naar het oordeel van de rechtbank niet tot de normale uitoefening van de onderneming van eiser voor facilitaire activiteiten van film- en televisieproductie. Een dergelijke financiering is vreemd aan die bedrijfsuitoefening, zodat de betreffende lening niet tot het ondernemingsvermogen kan worden gerekend. Uit het op afroep te vestigen pandrecht op de aandelen van [D] en [E] is niet gebleken dat dit kon dienen als zekerheid, omdat geen sprake was van concrete activiteiten of reële winstverwachting. Naar het oordeel van de rechtbank is het met de financiering van [C] beoogde synergie‑effect ten behoeve van eisers bestaande eigen onderneming, voor zover dat al aannemelijk is gemaakt door eiser, volstrekt ondergeschikt aan het belang van eiser bij het - niet tot eisers ondernemingsvermogen behorende - (feitelijke of beoogde) bezit van aandelen in deze vennootschap. Het zakelijke motief van de synergie tussen de ondernemingen acht de rechtbank dan ook onvoldoende om etikettering van de geldlening als ondernemingsvermogen te rechtvaardigen. Nu overigens gesteld noch gebleken is dat sprake is van het beleggen van tijdelijk overtollige liquide middelen doet ook deze uitzondering zich niet voor. Eiser heeft daarom de vordering ten onrechte tot zijn ondernemingsvermogen gerekend. In zoverre is het gelijk aan verweerder. Er is aldus sprake van een lening als bedoeld in artikel 3.92, eerste lid, onder a, in samenhang gelezen met artikel 3.92, tweede lid, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Afwaardering ten laste van resultaat uit overige werkzaamheden?

13. Uit de arresten van de Hoge Raad van 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442 en ECLI:NL:HR:2011:BP8952 volgt dat sprake is van een zogenoemde onzakelijke lening indien ter zake van een lening aan een gelieerde vennootschap geen - in wezen niet winstdelende - rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken aan de debiteur, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden. De omstandigheid dat geen formele zekerheden zijn gesteld brengt niet zonder meer mee dat sprake is van een onzakelijke lening (vergelijk Hoge Raad 13 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BP8608). Of daarvan sprake is dient te worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening, met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur alsnog onzakelijk kan worden (vergelijk Hoge Raad 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2735).

14. De rechtbank stelt voorop dat op verweerder de bewijslast rust de feiten te stellen en bij betwisting daarvan aannemelijk te maken dat eiser met het verstrekken van de lening een debiteurenrisico heeft gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen.

15. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat geen zakelijke rente is overeengekomen en dat de zekerheden die zijn verstrekt materieel niet veel voorstellen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de lening is verstrekt op grond van aandeelhoudersmotieven. Een onafhankelijke, zakelijk handelende partij zou hiervoor niet hebben gekozen.

16. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de lening is verstrekt met de bedoeling om meer omzet te realiseren bij [B] . Het voor eigen rekening nemen van een deel van de rente is volgens eiser absoluut gezien niet een groot en daardoor onzakelijk bedrag. Eiser moet niet worden vergeleken met een onafhankelijke derde zonder rekening te houden met de omstandigheden op het moment dat eiser de geldlening aan [C] verstrekte. De voorwaarden waaronder de financiering werd verstrekt, kunnen verschillen van de voorwaarden van bancaire verstrekte financieringen.

17. De rechtbank acht bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een zogenoemde onzakelijke lening het volgende van belang. Weliswaar is in de overeenkomst opgenomen dat op eerste afroep zekerheden kunnen worden gesteld, maar daarvan is – zoals eiser ter zitting heeft verklaard – feitelijk geen sprake geweest. Voor het bedingen van zekerheid was temeer reden omdat [C] , [D] en [E] in 2009 en 2010 geen enkele omzet hebben gerealiseerd. Een zakelijk handelende derde zou onder deze omstandigheden eerder hebben ingegrepen. Ultimo 2011 had [C] € 103.030 opgenomen onder de rekening‑courantovereenkomst. Eiser droeg tot dat bedrag in feite nagenoeg het gehele risico van de opstart van de nieuwe activiteiten en daarmee nagenoeg geheel het ondernemersrisico. Een rente van twee percent acht de rechtbank dan ook – mede gelet op het gebrek aan (materiële) zekerheden – onvoldoende ter compensatie van dat risico. Voorts is van belang dat van betaling van rente (anders dan bijschrijving in rekening courant) niet is gebleken.

18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de geldlening aan [C] is verstrekt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij door eiser een debiteurenrisico is gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard, dan wel slechts tegen een winstdelende rente. Dit brengt mee dat, behoudens bijzondere omstandigheden, ervan moet worden uitgegaan dat eiser dat debiteurenrisico in zoverre heeft aanvaard met de bedoeling zijn belang in die vennootschap in zijn hoedanigheid van aandeelhouder te dienen. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken.

19. Op grond van het vorenstaande dient het verlies dat eiser heeft geleden te worden toegerekend aan zijn positie als aandeelhouder van [C] en heeft verweerder de afwaardering van de vordering terecht niet geaccepteerd. Ook in zoverre is het gelijk aan verweerder.

20. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen beide beroepen ongegrond te worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.J.C. Pieterse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 21 juni 2016

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.