Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3134

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
259717
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2015:7250. In conventie slaagt het (impliciete) verrekeningsverweer en worden de vorderingen grotendeels afgewezen. In reconventie zijn de schadeposten voldoende gespecificeerd en onderbouwd en worden zij toegewezen, met aftrek van het bedrag waarvan in conventie is geoordeeld dat het voor verrekening in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 4, p. 235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/259717 / HA ZA 14-108 / 172 / 498

Vonnis van 2 maart 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap naar Italiaans recht

GRILLO STEEL SRL,

gevestigd te Thiene, Vicenza, Italië,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R. de Falco te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.P.M. Borsboom te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Grillo Steel en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 oktober 2015

  • -

    de akte na tussenvonnis tevens wijziging van eis van [gedaagde]

  • -

    de antwoordakte van Grillo Steel.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie

2.1.

De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 14 oktober 2015 (hierna het tussenvonnis), behoudens het navolgende.

2.2.

[gedaagde] heeft in haar akte na tussenvonnis erop gewezen dat het tussenvonnis een kennelijke verschrijving bevat. In rechtsoverweging 2.12 van het tussenvonnis is overwogen dat [gedaagde] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs met betrekking tot de gestelde afspraken tijdens de bijeenkomst op 3 april 2013. Een van die afspraken betrof de creditering door Grillo Steel van de factuur met factuurnummer 1830 ad € 54.270,00. In rechtsoverweging 2.27 van het tussenvonnis is overwogen dat [gedaagde] zich ten aanzien van de partij buizen waarop de tweede factuur met factuurnummer 1830 ad

€ 54.270,00 betrekking heeft, zich op een opschortingsrecht kan beroepen, nu het bewijs omtrent de ondeugdelijke buizen is geleverd. Volgens [gedaagde] betreft dit een kennelijke verschrijving, nu de rechtbank al heeft geoordeeld dat [gedaagde] heeft bewezen dat op 3 april 2013 is afgesproken dat de factuur met factuurnummer 1830 ad

€ 54.270,00 door Grillo Steel wordt gecrediteerd. [gedaagde] heeft met betrekking tot deze tweede factuur dus geen betalingsverplichting meer, waardoor een beroep op een opschortingsrecht niet langer aan de orde is.

2.3.

Dit laatste is juist. Naar het oordeel van de rechtbank kon [gedaagde] ten aanzien van de factuur met factuurnummer 1830 ad € 54.270,00 zich aanvankelijk op een opschortingsrecht beroepen en is de betalingsverplichting ter zake van die factuur vervolgens door de gemaakte afspraak op 3 april 2013 in zijn geheel komen te vervallen. In zoverre zal de vordering van Grillo Steel dan ook worden afgewezen.

2.4.

Het overige deel van die vordering ligt op zichzelf voor toewijzing gereed. Dit ziet op het restant, € 15.984,00, van de eerste factuur met factuurnummer 1593. Ten aanzien van dit restant is in het tussenvonnis overwogen dat [gedaagde] zich terecht kan beroepen op een opschortingsrecht, nu onder meer is bewezen dat tijdens de bijeenkomst op 3 april 2013 tussen partijen is afgesproken dat [gedaagde] die betaling opschort in afwachting van de afwikkeling van de schadeclaim van [bedrijf] jegens [gedaagde] . Over die schadeclaim bestaat nu duidelijkheid en zij maakt onderdeel uit van de reconventionele vordering van [gedaagde] . Het toe te wijzen bedrag van € 15.984,00 zal dan ook worden verrekend met het hierna in reconventie toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding. In zoverre slaagt dus het (impliciete) verrekeningsverweer van [gedaagde] en zal ook dit deel van de vordering van Grillo Steel worden afgewezen.

2.5.

Grillo Steel zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 1.892,00

- getuigenkosten € 0,00

- salaris advocaat € 4.023,00 (4,5 punt × tarief € 894,00)

Totaal € 5.915,00

in reconventie

2.6.

Bij akte na tussenvonnis heeft [gedaagde] aangegeven haar eis (opnieuw) te willen wijzigen, in die zin dat de hoofdsom van de reconventionele vordering ad

€ 122.267,32 wordt verminderd tot een bedrag van € 67.997,32, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.447,00. Mede gelet op het feit dat Grillo Steel heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de vermindering van eis, staat de rechtbank deze eiswijziging toe.

2.7.

In het tussenvonnis is in rechtsoverweging 2.32 overwogen dat het verweer van Grillo Steel tegen de (hoogte van de) eis in reconventie een aantal steekhoudende argumenten bevat die van invloed kunnen zijn op de hoogte van het vast te stellen schadebedrag. [gedaagde] is vervolgens in de gelegenheid gesteld om bij akte op die argumenten in te gaan en haar eigen schadeopstelling nader te specificeren en te onderbouwen. Dat heeft zij bij akte na tussenvonnis gedaan.

2.8.

De rechtbank stelt voorop dat de door Grillo Steel op 19 november 2012 bij [bedrijf] afgeleverde buizen niet beantwoordden aan de order omdat de lasnaad aan de uiteinden van de buizen was gescheurd over een lengte van (tenminste) 15-20 mm, terwijl dit gebrek niet tijdig kon worden weggegenomen zonder inkorting tot minder dan 6000 mm (zie rechtsoverweging 2.23 van het tussenvonnis). Daarmee is Grillo Steel toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de met [gedaagde] gesloten overeenkomst en is zij gehouden de hierdoor door [gedaagde] geleden schade te vergoeden.

2.9.

In de akte na tussenvonnis heeft [gedaagde] haar schade nader gespecificeerd. De eerste schadecomponent betreft het verschil tussen het bedrag dat [gedaagde] heeft uitgegeven aan vervangende buizen uit Dubai, te weten € 72.267,32, en het bedrag dat [gedaagde] voor de ondeugdelijke buizen aan Grillo Steel heeft betaald, te weten € 54.270,00, zijnde € 17.997,32. Naar het oordeel van de rechtbank is dit schade van [gedaagde] die Grillo Steel dient te vergoeden. Immers, indien Grillo Steel haar verplichtingen jegens [gedaagde] deugdelijk was nagekomen, had [gedaagde] geen (meer)kosten voor vervangende buizen hoeven te maken. Daarbij heeft [gedaagde] haar stelling dat zij genoodzaakt was ter voorkoming van verdere schade vervangende buizen in te kopen met een lengte van 8000 mm in plaats van de door [bedrijf] benodigde 6000 mm naar het oordeel van de rechtbank voldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Ditzelfde geldt voor de stelling hoe [gedaagde] aan de vervangende buizen is gekomen. De betwistingen van Grillo Steel van een en ander zijn te algemeen dan wel onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

2.10.

Grillo Steel betwist nog dat de door [gedaagde] genoemde documenten (de inkoopfactuur van [gedaagde] van 30 januari 2013, productie 16 bij conclusie na enquête, en de inkooporder van [bedrijf] , productie 7 bij conclusie van antwoord in conventie) het benodigde bewijs leveren dat de inkoopfactuur ad € 72.267,32 daadwerkelijk en uitsluitend vervangende buizen betreft. Volgens Grillo Steel volgt met name uit de inkooporder van [bedrijf] dat [gedaagde] die vervangende buizen al had of moest kopen voordat de buizen van Grillo Steel werden geleverd en voordat enig defect daarin kon worden gevonden.

2.11.

Dit betoog faalt. In de inkooporder van [bedrijf] is op blad 1 van 6 weliswaar een orderdatum opgenomen van 5 september 2012, maar even verderop valt op diezelfde bladzijde te lezen dat ‘pos 25’ een toevoeging betreft van 18 januari 2013. Uit blad 2 van 6 van de inkooporder van [bedrijf] volgt dat ‘pos 25’ slaat op de levering van de hier aan de orde zijnde vervangende buizen.

2.12.

De tweede schadecomponent betreft de schikking die [gedaagde] en [bedrijf] hebben getroffen, waarbij € 50.000,00 van de schade van [bedrijf] door [gedaagde] is vergoed. [gedaagde] verwijst hierbij naar haar creditnota van € 50.000,00 aan [bedrijf] (productie 18 bij conclusie na enquête), een verklaring van mevrouw mr. [naam] , Senior Legal Counsel bij [bedrijf] (productie 21 bij akte na tussenvonnis) en de door haar in de akte na tussenvonnis gegeven specificatie van het bedrag van € 50.000,00.

2.13.

Grillo Steel stelt dat noch uit genoemde stukken, noch uit de specificatie van de kosten volgt of deze kosten uitsluitend aan het bestaan van de scheurtjes zijn gerelateerd. Het is onredelijk om bij Grillo Steel de rekening neer te leggen van de uitkomst van onderhandelingen waarbij Grillo Steel geen partij was en die ook andere eventuele schade hadden kunnen betreffen dan die waarvoor Grillo Steel aansprakelijk is, aldus Grillo Steel.

2.14.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] dit onderdeel thans voldoende gespecificeerd en onderbouwd. Het bedrag van € 50.000,00 is schade van [gedaagde] die Grillo Steel dient te vergoeden. [gedaagde] had dit bedrag niet aan [bedrijf] behoeven te betalen, indien Grillo Steel haar verplichtingen jegens [gedaagde] deugdelijk was nagekomen. Dat [bedrijf] in haar brief van 14 januari 2013 ook klaagt over andere (vermeende) defecten die niets te maken hebben met het door de rechtbank bewezen gebrek aan de buizen (de scheurtjes), is in dit verband dan ook niet relevant, nu [gedaagde] hoe dan ook extra kosten heeft moeten maken als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van Grillo Steel. Deze extra kosten had zij ook gehad als er geen andere (vermeende) defecten waren geweest. Hierbij komt bovendien dat Grillo Steel onvoldoende heeft betwist dat [gedaagde] een bedrag van € 50.000,00 aan [bedrijf] heeft voldaan en dat dit bedrag onder het eigen risico van [gedaagde] onder diens aansprakelijkheidsverzekering ligt. Dit eigen risico bedraagt namelijk € 100.000,00.

2.15.

Als voorbeeld van werkzaamheden en controles die niets te maken hebben met de scheurtjes, wijst Grillo Steel in het bijzonder nog op de factuur van Element ad € 14.535,13 (bladzijde 19 van productie 7 bij conclusie van antwoord in conventie). Deze factuur vermeldt een corrosieproef, die wel een van de door [bedrijf] genoemde ‘defects’ was, maar niet een waarvoor Grillo Steel aansprakelijk is. Wat hiervan verder ook zij, de corrosieproef maakt geen onderdeel uit van de opstelling van [gedaagde] onder punt 15 van haar akte na tussenvonnis betreffende de minnelijke regeling met [bedrijf] – want door [bedrijf] zelf geïnitieerd – en is dus niet meegenomen in het gevorderde bedrag van € 50.000,00.

2.16.

De derde schadecomponent betreft de wettelijke rente. Volgens [gedaagde] dient het bedrag van € 67.997,32 (€ 17.997,32 + € 50.000,00) te worden vermeerderd met de Nederlandse wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, omdat Nederland de plaats is waar de schuldeiser is gevestigd.

2.17.

Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 4.11 van het tussenvonnis van 5 november 2014 reeds heeft overwogen, wordt de overeenkomst voor de verkoop van roerende zaken ingevolge artikel 4 lid 1 sub a van Rome I beheerst door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft. Dat is in dit geval Italië. Aldus is Italiaans recht op de overeenkomsten tussen partijen van toepassing, voor zover het Weens Koopverdrag bepaalde voor de beoordeling van het geschil relevante onderwerpen niet regelt. Nu het Weens Koopverdrag niet bepaalt welke rentevoet dient te worden toegepast, dient het toe te wijzen bedrag te worden vermeerderd met de Italiaanse wettelijke rente. Deze rente zal dan ook worden toegewezen, en wel vanaf 7 december 2012, de datum van aansprakelijkstelling (zie 2.15 van het tussenvonnis van 5 november 2014).

2.18.

De vierde en laatste schadecomponent betreft de buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] begroot deze kosten conform het Rapport BGK-Integraal 2013 op € 1.447,00.

2.19.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [gedaagde] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. Ingevolge artikel 74 van het Weens Koopverdrag komen gemaakte buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking. Het Weens Koopverdrag bepaalt echter niets over de samenstelling en hoogte van de te vergoeden kosten. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten dienen daarom in beginsel met toepassing van Rome I naar de in Italië geldende wettelijke bepalingen te worden beoordeeld. De rechtbank gaat hier in dit geval evenwel aan voorbij, nu het gaat om in Nederland geleden schade: [gedaagde] heeft deze kosten immers in Nederland gemaakt. De omvang van de toe te wijzen buitengerechtelijke incassokosten kan derhalve worden begroot conform de in Nederland gebruikelijke tarieven. Het door [gedaagde] gevorderde bedrag ad € 1.447,00 sluit daarbij aan en zal dan ook worden toegewezen.

2.20.

Resumerend zal het volgende bedrag worden toegewezen: € 17.997,32 +

€ 50.000,00 + € 1.447,00 = € 69.444,32 minus het bedrag ten aanzien waarvan in conventie is overwogen dat het voor verrekening in aanmerking komt ad € 15.984,00 = € 53.460,32.

2.21.

Grillo Steel zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 1.117,50 wegens salaris advocaat (2,5 punt x factor 0,5 x tarief € 894,00).

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt Grillo Steel in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 5.915,00,

in reconventie

3.3.

veroordeelt Grillo Steel om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van

€ 53.460,32 (drieënvijftigduizendvierhonderdzestig euro en tweeëndertig eurocent), vermeerderd met de Italiaanse wettelijke rente hierover met ingang van 7 december 2012 tot de dag van volledige betaling,

3.4.

veroordeelt Grillo Steel in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.117,50,

in conventie en in reconventie

3.5.

veroordeelt Grillo Steel in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Grillo Steel niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.6.

verklaart alle veroordelingen in conventie en in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2016.

Coll.: MvG