Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3109

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
05-09-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4890
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek terug te komen op intrekking WAZ-uitkering vanwege niet aanleveren jaarstukken afgewezen; artikel 4:6 Awb; artikel 6 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006; terugvordering en duuraansprakenjurisprudentie; vertrouwensbeginsel.

Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/4890

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] eiser

(gemachtigde: mr. M.F. van Willigen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd het besluit van 12 juli 2012 (over de intrekking van eisers uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsuitkering zelfstandigen, WAZ), het besluit van 27 (lees: 30) augustus 2012 (over de terugvordering) en het besluit van 24 juli 2013 (over de heropening van de WAZ-uitkering) te herzien.

Bij besluit van 7 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van Klaveren-Drost.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is op 12 januari 2001 uitgevallen voor zijn werk als zelfstandig interieurbouwer. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser met ingang van 11 januari 2002 recht heeft op een WAZ-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, maar omdat hij zijn eigen werk deels heeft hervat en daaruit inkomsten heeft genoten, is zijn uitkering met toepassing van artikel 58 van de WAZ gekort. Bij brief van 1 maart 2012 heeft verweerder, onder verwijzing naar een eerder verzoek bij brief van 4 oktober 2011, eiser gevraagd de balans-, winst- en verliesrekening over de jaren 2006 tot en met 2010, alsmede de Aangifte inkomstenbelasting 2006 tot en met 2010 vóór 15 maart 2012 aan verweerder toe te zenden. In deze brief is vermeld dat indien eiser hier niet aan voldoet de (uitbetaling van de) uitkering per 1 april 2012 zal worden stopgezet. Eiser heeft hieraan niet voldaan.

1.2

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft verweerder eisers WAZ-uitkering met ingang van 1 januari 2006 ingetrokken. Bij besluit van 27 augustus 2012, vervangen door het besluit van 30 augustus 2012 heeft verweerder de teveel betaalde WAZ-uitkering over de periode 1 januari 2006 tot 1 april 2012 tot een bedrag van € 53.945,69 van eiser teruggevorderd.

Eiser heeft op 29 september 2012 bezwaar gemaakt tegen het terugvorderingsbesluit. In dat verband heeft er op 13 december 2012 een hoorzitting plaatsgevonden. Bij besluit op bezwaar van 17 december 2012 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3

Op 28 juni 2013 en 8 juli 2013 zijn namens eiser de jaarrekeningen 2007-2009 respectievelijk de jaarrekeningen 2010-2012 toegezonden aan het UWV met het verzoek om de uitkering weer in gang te zetten. Bij besluit van 24 juli 2013 heeft verweerder de WAZ-uitkering van eiser heropend per 1 juli 2013. Eiser heeft tegen dit besluit op 28 augustus 2013 bezwaar gemaakt. Daarin heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de brieven van 28 juni 2013 en 8 juli 2013 herzieningsverzoeken betreffen van het besluit tot intrekking van de WAZ-uitkering over de jaren 2006 tot en met 2012. Op 18 november 2013 heeft de toenmalige gemachtigde van eiser telefonisch medegedeeld dat het bezwaar is ingetrokken omdat hij geen heil meer in het bezwaar ziet. Verweerder heeft de intrekking op dezelfde dag schriftelijk bevestigd.

1.4

Op 5 februari 2015 en 3 maart 2015 is namens eiser verzocht om herziening van de besluiten inzake de intrekking, terugvordering en heropening van de WAZ-uitkering.

2. Naar aanleiding van de herzieningsverzoeken van eiser van 5 februari 2015 en 3 maart 2015 heeft verweerder het primaire besluit genomen, welk besluit verweerder in bezwaar heeft gehandhaafd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft de jaarstukken, terwijl deze wel bekend hadden kunnen zijn, niet tijdig aangeleverd. Daarom kunnen deze gegevens niet als nova worden aangemerkt en worden de beslissingen niet herzien. Voorts heeft verweerder toegelicht waarom er van strijd met het vertrouwensbeginsel geen sprake is en waarom de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1) niet van toepassing is in deze zaak.

3. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, te weten de pas in 2013 beschikbaar gekomen jaarstukken over de jaren 2006 tot en met 2012. Deze moeten er toe leiden dat de besluiten van 12 juli 2012, 30 augustus 2012 en 24 juli 2013 herzien moeten worden, dat er een herberekening moet plaatsvinden op grond van het daadwerkelijk genoten inkomen en dat de terugvordering van de WAZ-uitkering over de jaren 2006 tot en met 2012 op basis van die berekening gecorrigeerd moet worden.

Eiser heeft aangevoerd dat hij de jaarcijfers van 2006 tot en met 2010 niet eerder kon aanleveren vanwege een faillissement in 2007 en problemen met zijn boekhouder. Over de jaarstukken 2011 en 2012 kon eiser op 12 juli 2012 sowieso nog niet beschikken.

Subsidiair voert eiser -onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2015 - aan dat het nog openstaande terugvorderingsbedrag op deze wijze gecorrigeerd moet worden. Ter zitting heeft eiser in dit verband gesteld dat sprake is van een duuraanspraak, nu verweerder een aanspraak heeft op terugvordering.

Eiser doet voorts een beroep op de rechtszekerheid, aangezien op de hoorzitting van 13 december 2012 de ondubbelzinnige toezegging is gedaan dat indien eiser de jaarstukken alsnog indient hij een herberekening van de WAZ-uitkering zou krijgen, die hoogstwaarschijnlijk zou leiden tot een aanzienlijk lagere terugvordering.

4.1

De rechtbank stelt vast dat de besluiten van 12 juli 2012, 30 augustus 2012 en 24 juli 2013 in rechte onaantastbaar zijn geworden. Volgens vaste rechtspraak is op een verzoek als dat van eiser artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing (uitspraak CRvB van 22 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1806).

4.2

Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van dezelfde strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit in beginsel niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing betreft. De bestuursrechter dient zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

5. De rechtbank is van oordeel dat van nieuwe feiten als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb geen sprake is, aangezien eiser geen nieuwe feiten naar voren heeft gebracht op grond waarvan verweerder aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke (intrekkings)besluit te herzien. Dat eiser in 2013 alsnog de jaarstukken heeft verstrekt maakt niet dat het oorspronkelijke besluit onjuist is, nu uit de stukken blijkt dat de WAZ-uitkering is ingetrokken omdat het niet nakomen van een verplichting op grond van artikel 45, 46 of 70 van de WAZ ertoe heeft geleid dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser destijds, ten tijde van de intrekking dan wel in een door eiser te initiëren bezwaarprocedure, de betreffende jaarstukken had kunnen overleggen, dan wel aan verweerder had kunnen meedelen - en zonodig aannemelijk had kunnen maken - dat die gegevens (nog) niet beschikbaar waren of (nog) niet bestonden. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraken van de CRvB van 7 september 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN8002) en 27 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:147).

6. De rechtbank is van oordeel dat de alsnog verstrekte jaarstukken ook om een andere reden niet als nieuwe feiten als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb kunnen worden aangemerkt. Bij de onderhavige beoordeling of sprake is van nieuwe feiten als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb en het daarbij horende beoordelingskader dient de rechtbank ook te betrekken dat eiser op grond van dezelfde jaarstukken als die ten grondslag hebben gelegen aan het heropeningsbesluit van 24 juli 2013 om herziening heeft gevraagd. Eiser heeft in de bezwaarprocedure tegen dat besluit aangevoerd dat het alsnog verstrekken van de gegevens tevens moet worden aangemerkt als een herzieningsverzoek. Dat bezwaar heeft eiser evenwel ingetrokken. Ook daarom kunnen dezelfde jaarstukken thans niet als nieuwe feiten als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb worden aangemerkt.

7.1

Het betoog van eiser dat, gelet op de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1), de duuraansprakenjurisprudentie ook van toepassing is op de terugvordering en dat dit er toe moet leiden dat het nog openstaande terugvorderingsbedrag gecorrigeerd moet worden, treft geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank kan ten aanzien van de terugvordering niet gesproken worden van een duuraanspraak in de zin van de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2015. Er bestaat geen aanleiding om de door de CRvB beschreven wijze van toetsen analoog toe te passen in de door eiser gewenste zin met betrekking tot de terugvordering. De rechtbank vindt hiervoor steun in de hiervoor reeds vermelde uitspraak van de CRvB van 27 januari 2015.

7.2

De rechtbank overweegt nog dat verweerder ingeval van het alsnog verstrekken van de jaarstukken artikel 6 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregels) toepast en dat daaruit volgt dat een uitkering wordt hervat, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de verzekerde alsnog aan zijn verplichtingen heeft voldaan. De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn beleid consistent heeft toegepast en de WAZ-uitkering van eiser met ingang van 1 juli 2013 heeft heropend, waarbij de rechtbank opmerkt dat verweerder op deze wijze uitvoering geeft aan de duuraansprakenjurisprudentie.

8. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat op de hoorzitting van 13 december 2012 door de voorzitter de ondubbelzinnige toezegging is gedaan dat indien hij de jaarstukken alsnog indient hij een herberekening van de WAZ-uitkering zou krijgen, die hoogstwaarschijnlijk zou leiden tot een aanzienlijk lagere terugvordering. Eiser heeft voorts gewezen op een emailbericht van de voorzitter aan een medewerker van het UWV van 13 december 2012, waarin is geschreven dat zij eiser heeft gezegd dat indien hij de jaarstukken heeft ontvangen hij een herzieningsverzoek moet indienen, waarna de WAZ-uitkering opnieuw beoordeeld kan worden. De terugvordering zal dan hoogstwaarschijnlijk lager zijn, omdat eiser weinig winst heeft gemaakt volgens zijn boekhouder en volgens hemzelf. De rechtbank houdt het ervoor dat eiser hiermee bedoeld heeft een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel.

9. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Is sprake van verwachtingen, gewekt door toezeggingen als hiervoor bedoeld, dan zal moeten worden onderzocht of, en zo ja in welke mate, het beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden gehonoreerd. Bij dit onderzoek zal het belang van een betrokkene moeten worden afgewogen tegen het belang van het bestuursorgaan, eventuele belangen van derden en het algemeen belang. Bij die belangenafweging kan worden betrokken of betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen heeft gehandeld of nagelaten te handelen en als gevolg daarvan schade heeft geleden en/of nadeel heeft ondervonden. Zie ook CRvB 21 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1685.

10.1

De rechtbank stelt vast dat blijkens het verslag van de hoorzitting van 13 december 2012 door de voorzitter is gezegd dat zij zonder jaarstukken het recht op uitkering en de daarbij eventueel gepaarde terugvordering niet kan berekenen en dat zij eiser heeft geadviseerd om een herziening aan te vragen, nadat hij van de accountant de betreffende jaarstukken heeft ontvangen. De rechtbank stelt vast dat hieruit geen toezeggingen zijn af te leiden. Uit de email van dezelfde dag leidt de rechtbank evenwel af dat de voorzitter tegen eiser heeft gezegd dat indien hij de jaarstukken alsnog overlegt, het recht op WAZ-uitkering over de jaren 2006 tot en met 2012 opnieuw wordt beoordeeld, hetgeen wel als een toezegging valt aan te merken.

10.2

Gelet op het onder 9 weergegeven toetsingskader leidt deze toezegging er naar het oordeel van de rechtbank echter niet toe dat verweerder terug moet komen van de intrekking en alsnog het recht op WAZ-uitkering over de jaren vanaf 2006 moet vaststellen. Eiser heeft op basis van de op de hoorzitting van 13 december 2012 gewekte verwachtingen niet gehandeld of nagelaten te handelen waardoor hij schade heeft geleden en/of nadeel heeft ondervonden. Het besluit tot intrekking had verweerder reeds geruime tijd voordien genomen, voordat de hoorzitting had plaatsgevonden.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en mr. S.W. van Osch - Leysma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.