Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3071

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-05-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
295065
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Verwijt niet stuiten verjaring vordering. Eiser verkrijgt vordering van bedrijf op derde. Cessie niet medegedeeld aan deze derde. Vervolgens faillissement van het bedrijf waarin curatoren zich erop beroepen dat cessie paulianeus is. Korte contractuele verjaringstermijn van de desbetreffende vordering. Stuitingshandeling zou geen rechtsgevolg hebben gehad, nu eiser door ontbreken mededeling cessie geen schuldeiser was en zich het recht op nakoming niet kon voorbehouden. Afwijzing vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1647

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/295065 / HA ZA 15-721

Vonnis van 11 mei 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. H.J. Zinkstok te Huizen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Bink te Amsterdam.

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam 3] ASSURANTIËN B.V.,

gevestigd te [plaats] , gemeente Binnenmaas,

gevoegde partij in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde] ,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde] en [naam 3] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 februari 2016

  • -

    de conclusie van antwoord tevens conclusie tot voeging van [naam 3]

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 april 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft in de periode oktober 2001-maart 2002 een reorganisatieopdracht uitgevoerd voor Koninklijke Textielgroep Twente (KTGT), van wie [bedrijf] een dochter was. In het najaar van 2001 werden gesprekken gevoerd tussen KTGT en [naam 1] , die mogelijk bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] wilde overnemen. Op 8 januari 2002 zijn er overeenkomsten, waaronder een Business Purchase Agreement (BPA), tot stand gekomen tussen [bedrijf] en [naam 1] die waren gericht op overdracht van bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] .

2.2.

Op 14 januari 2002 mailt [naam 1] aan [bedrijf] :

I have faced with a road accident and although I am not hurt (much) the situation is serious as it involves a lot of investigation procedures. Due tot his incident I have to pull out of the project in discussion as it requires too much involvement.

I regret to inform that this accident is now preventing my way to move forward.

2.3.

[bedrijf] laat [naam 1] weten niet akkoord te gaan met deze beëindiging van de overeenkomst, waarop [naam 1] op 18 januari 2002 mailt dat zijn bank geen medewerking aan de uitvoering daarvan zal geven. Vervolgens stelt [bedrijf] hem in gebreke. Bij fax van 28 januari 2002 stelt zij hem aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van de niet nakoming van zijn verplichtingen.

2.4.

[bedrijf] en [eiser] ondertekenen op 21 februari 2002 een akte met onder meer de volgende inhoud.

Hierbij verklaart [bedrijf] B.V. (…), dat [bedrijf] heden, 21 februari 2002, rechtsgeldig aan [eiser] (…) de vordering en alle toekomstige opbrengsten inzake de (juridische) procedure met betrekking tot de claim van [bedrijf] op de heer [naam 1] uit hoofde van een tussen [bedrijf] en de heer [naam 1] gesloten overeenkomst d.d. 9 januari 2002 overdraagt. De overdracht vindt plaats met alle rechten en nevenrechten, nader gespecificeerd het volledige te claimen bedrag op de heer [naam 1] uit hoofde van contractbreuk met inbegrip van eventueel te vorderen rente en (buitengerechtelijke) incassokosten. Na onderstaande ondertekening zal [eiser] de heer [naam 1] van de overdracht op de hoogte stellen.

Ten aanzien van alle relevante documenten die [eiser] meent nodig te hebben in verband met de (eventuele) procedure verklaart [bedrijf] deze in bruikleen aan hem ter beschikking te stellen.

Deze overdracht vindt plaats op grond van een koopovereenkomst tussen partijen.

2.5.

De achtergrond van deze overdracht is dat de rekeningen van [eiser] betreffende zijn managementfee vanaf oktober 2001, door [eiser] ter comparitie geschat op in totaal ongeveer € 45.000,00, niet betaald zijn door [bedrijf] .

2.6.

Op 11 maart 2002 wordt [bedrijf] failliet verklaard.

2.7.

[eiser] neemt nadien contact op met [gedaagde] . Blijkens [naam 4] dossier is hij vanaf 25 april 2002 bij de zaak betrokken. Hij bereidt, nadat hij en [eiser] naar Bahrein zijn geweest om onder meer de proceskansen te wegen, de dagvaarding van [naam 1] en de door hem bestuurde vennootschap Manama Textile Mills W.L.L. (MTM) voor. Het betreft een vordering tot schadevergoeding van ruim € 11.000.000,00. [naam 1] Nederlandse advocaat laat weten het standpunt in te nemen dat de cessie niet vóór het faillissement van [bedrijf] is meegedeeld aan [naam 1] .

2.8.

De curatoren in het faillissement van [bedrijf] roepen bij brief van 12 januari 2005 voorlopig de nietigheid van de overdracht van de vordering op [naam 1] aan [eiser] in op grond van artikel 42 Faillissementswet. Zij doen dit voorlopig omdat zij de stukken, die zich onder [eiser] bevinden (zie 2.4 hierboven) nog niet hebben.

2.9.

In 2005 draagt [gedaagde] het desbetreffende dossier over aan de opvolgend advocaat van [eiser] . Op 15 september 2005 mailt [eiser] aan [gedaagde] onder meer dat de curatoren in het faillissement van [bedrijf] hebben besloten zelf te gaan procederen en de claim niet over te dragen. In dezelfde mail bevestigt [eiser] ‘dat de tussen ons gesloten overeenkomst inzake de gehele claim derhalve is beëindigd’. Hierop laat [gedaagde] weten dat het dossier beschikbaar is.

2.10.

De curatoren in het faillissement van [bedrijf] dragen op 24 januari 2007 alsnog de vordering op [naam 1] aan [eiser] over.

2.11.

[eiser] dagvaardt vervolgens [naam 1] . De vordering wordt bij vonnis van 18 maart 2009 (ECLI:NL:RBUTR:2009:BH6572) afgewezen door de rechtbank Utrecht op grond van verjaring . In hoger beroep wordt dit vonnis bekrachtigd.

2.12.

De rechtbank Utrecht baseerde zich voor de verjaring op de in de artikelen 9.1 en 9.3 van de BPA van 8 januari 2002 overeengekomen verjaringstermijn. De desbetreffende bepalingen luiden volgens het Utrechtse vonnis als volgt.

“9.1 Liability

Seller or Buyer as the case may be (the “Indemnifying Party”) agree to indemnify Buyer, or Seller as the case may be (the “Indemnified Party”) for (…) any direct claims and damages, costs and expenses (…) incurred by the Indemnified Party (…) arising out of or resulting from:

(i) any breach of any representation or warranty by the Indemnifying Party in this Agreement; and

(ii) the non-performance of any covenant or obligation to be performed by the Indemnifying Party under this Agreement, unless such non-performance is remediable and will be repaired by the Indemnifying Party within fourteen (14) days after receiving the Indemnified Party’s written notification to remedy the non-performance.

(…)

9.3

Duration

The Indemnifying Party shall be liable for damages regarding taxes and social security contributions until the lapse of the applicable statutes of limitations, and for other damages until two (2) years after the Closing Date.”

2.13.

De Utrechtse rechtbank overweegt naar aanleiding hiervan onder meer het volgende.

4.3.

In geschil is allereerst of de vervangende schadevergoeding wegens niet-nakoming van de Overeenkomsten die [eiser] in dit geding vordert, valt onder de schades als bedoeld in artikel 9.3 BPA. [eiser] stelt dat dit niet het geval is. Volgens hem hebben partijen bij de Overeenkomsten nooit de bedoeling gehad artikel 9 BPA ook te laten gelden voor de situatie dat onterecht een beroep op het financieringsvoorbehoud wordt gedaan.

4.4.

Het betreft hier een kwestie van uitleg van artikel 9.1 en 9.3 BPA, waarbij heeft te gelden dat de tekst alleen niet beslissend is. Vastgesteld moet worden hoe partijen deze bepalingen, gelezen in samenhang met het financieringsvoorbehoud en tegen de achtergrond van hetgeen zij overigens over en weer hebben verklaard, redelijkerwijs mochten begrijpen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.5. [

gedaagden]. wijst er terecht op dat artikel 9.1 BPA (…) uitdrukkelijk noemt schades die het gevolg zijn van de niet-nakoming van enige verplichting die uit hoofde van de BPA op de andere partij rust. Het uitdrukkelijk opnemen van deze laatste categorie schades in artikel 9.1 BPA is een krachtig argument ten faveure van de uitleg die [gedaagden]. voorstaat. Nu [eiser] slechts stelt dat deze uitleg door partijen nooit is beoogd, doch nalaat te stellen op grond van welke uitlatingen van [bedrijf] of andere omstandigheden [gedaagden]. had moeten begrijpen dat [bedrijf] de verjaringstermijn van artikel 9.3 niet wilde laten gelden voor het geval de Overeenkomsten in het geheel niet zouden worden nagekomen, moet de rechtbank aan de stelling van [eiser] als onvoldoende gemotiveerd voorbijgaan.

4.6.

Dit betekent dat de uitleg van [gedaagden]. van artikel 9.3 BPA wordt gevolgd: ook een vordering tot vervangende schadevergoeding wegens algehele niet-nakoming van de Overeenkomsten is onderworpen aan de verjaringstermijn van twee jaar, te rekenen vanaf 8 januari 2002.

4.7.

Nu is gesteld noch gebleken dat de verjaring van de vordering van (oorspronkelijk) [bedrijf] op [gedaagden]. is gestuit in de periode die is verstreken tussen de brief van [bedrijf] aan [gedaagden]. van 28 januari 2002 en de toezending door [eiser] aan [gedaagden] in mei 2004 van een (concept)dagvaarding, is de contractuele verjaringstermijn van twee jaar in ieder geval in deze periode verstreken.

4.8. [

eiser] heeft aangevoerd dat het beroep op verjaring van [gedaagden]. misbruik van recht oplevert, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (…).

4.9.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze stellingen voorop dat slechts onder zeer bijzondere omstandigheden een beroep op het verstrijken van een (wettelijke of contractuele) verjaringstermijn niet kan worden gedaan wegens misbruik van recht of omdat zulks naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (…). Anders dan in de gevallen die aan de orde waren in de arresten van de Hoge Raad van 23 oktober 1998 en 25 oktober 1999 (NJ 2000,15 en 16) – waarop [eiser] zich beroept – kan niet worden gezegd dat [bedrijf] (dan wel [eiser] na een tijdige cessie van de vordering van [bedrijf] aan hem) tussen 28 januari 2002 en mei 2004 niet in staat is geweest de vordering op [gedaagden]. tot vervangende schadevergoeding uit te oefenen als gevolg van omstandigheden die aan [gedaagden]. zijn toe te rekenen. Niet gesteld of gebleken is immers dat de curatoren van [bedrijf] niet in staat waren de vordering tot schadevergoeding tegen [gedaagden]. geldend te maken vóór het verstrijken van de termijn van twee jaar (dan wel deze zo tijdig aan [eiser] te cederen dat deze die vordering vóór het verstrijken van die termijn geldend zou kunnen maken), laat staan dat zulks het gevolg was van aan [gedaagden]. toe te rekenen omstandigheden . De omstandigheid dat [gedaagden]. zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat hij niet aan de Overeenkomsten is gebonden, verhindert hem evenmin zich thans op een bepaling uit de Overeenkomsten te beroepen ter afwering van zijn aansprakelijkheid op grond van de Overeenkomsten. [bedrijf] en [eiser], die zich steeds op het standpunt hebben gesteld dat [gedaagden]. aan de Overeenkomsten gebonden was, hadden de rechtsgevolgen van die stelling aan de hand van de Overeenkomsten kunnen en moeten bepalen. Zij hadden zich ervan kunnen en moeten vergewissen dat de verjaring van de vordering tot vervangende schadevergoeding op [gedaagden]. op grond van de Overeenkomsten had moeten worden gestuit binnen twee jaar na 8 januari 2002, althans binnen twee jaar na een latere stuitingshandeling.

4.10.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen.

2.14.

Op 23 juli 2012 oordeelt de Raad van Discipline dat [gedaagde] door het nalaten van tijdige stuiting van de verjaring in strijd heeft gehandeld met Gedragsregel 4, inhoudend dat een advocaat de hem opgedragen zaken zorgvuldig dient te behandelen. Het verweer dat [eiser] in de periode dat [gedaagde] hem bijstond en de verjaring nog niet had plaatsgevonden, geen eigenaar van de vordering was, wordt verworpen.

2.15.

Vervolgens wordt duidelijk dat de verzekeraar van [gedaagde] geen dekking verleent voor de hier ontstane situatie. [naam 3] is [naam 4] verzekeringstussenpersoon. Zij is door hem gedagvaard en vrijwaring en heeft zich als in vrijwaring opgeroepen partij in deze hoofdzaak gevoegd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – primair een verklaring voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de met [eiser] gesloten overeenkomst en voorts dat dat hij jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en deswege schadeplichtig is, subsidiair een verklaring voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en deswege schadeplichtig is, en voorts veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 30.741,50 als vergoeding van nu reeds vaststaande schade en veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding aan [eiser] van geleden en nog te lijden schade met rente, als op te maken bij staat, een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[eiser] stelt weliswaar dat [gedaagde] is tekortgeschoten omdat hij heeft verzuimd de cessie te betekenen, maar voert dit slechts ‘ad informandum’aan. Hij stelt dat [gedaagde] bij het opmaken van de concept-dagvaarding aan [naam 1] de zaak zorgvuldig had moeten bestuderen en had moeten vaststellen dat contractueel een zeer korte verjaringstermijn was vastgelegd. Zekerheidshalve had hij deze verjaring moeten stuiten. Voorts heeft [gedaagde] , zo stelt [eiser] , tegenover hem onrechtmatig gehandeld door na te laten een adequate beroepsaansprakelijkheidsverzkering te sluiten. Het verhaal van [eiser] op [gedaagde] is immers, zo stelt [eiser] , niet gegarandeerd en op zijn minst dubieus.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. De gevoegde partij [naam 3] voert eveneens verweer ten behoeve van [gedaagde] .

3.4.

Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader inegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] stelt dat hij en [gedaagde] elkaar voor het eerst rond 21 februari 2002 hebben gesproken. In dit eerste gesprek zou [eiser] , terwijl [gedaagde] in bespreking was met een zekere [naam 5] , kort de vraag aan [gedaagde] voorgelegd hebben of een van het internet gehaald model van een overeenkomst van cessie bruikbaar zou zijn voor de voorgenomen cessie van [bedrijf] aan hem. [gedaagde] bekeek het model, stelt [eiser] , en zei vervolgens dat er een zin over de titel van de cessie – koop – aan toegevoegd moest worden, in verband waarmee toen ook een aantekening op het model gemaakt werd. De cessie werd, aldus [eiser] , met inachtneming van de opmerking van [gedaagde] neergelegd in de brief van [bedrijf] aan [eiser] d.d. 21 februari 2002 en daarna spraken hij en [gedaagde] elkaar pas opnieuw na het faillissement van [bedrijf] .

4.2.

Uit het voorgaande blijkt dat er ook in de visie van [eiser] geen gelegenheid is geweest vóór het faillissement van [bedrijf] waarbij het op de weg van [gedaagde] kan hebben gelegen te informeren naar de betekening aan [naam 1] . [gedaagde] las immers in de hem voorgelegde concepttekst dat [eiser] [naam 1] van de cessie op de hoogte zou stellen, een zin die tot het model behoord kan hebben, maar die op het moment dat [gedaagde] dit las, vóórdat de cessie werd uitgevoerd, geen rol speelde.

4.3.

[gedaagde] mocht er vervolgens vanuit gaan dat [eiser] inderdaad [naam 1] op de hoogte had gebracht van de cessie toen hij opnieuw – de rechtbank gaat ervan uit dat dit gebeurde op 25 april 2002 (zie 2.7 hierboven) – contact met [eiser] kreeg. Bij deze gelegenheid schakelde [eiser] hem in om de aan [eiser] overgedragen vordering op [naam 1] in rechte geldend te maken.

4.4.

Op 25 april 2002 behoorde de vordering op [naam 1] echter tot de boedel van de gefailleerde [bedrijf] en was er – daargelaten dat [eiser] en [gedaagde] zich niet bewust waren van het feit dat de vordering tot de failliete boedel behoorde – geen zicht op dat de curatoren de vordering aan [eiser] zouden overdragen. De feiten wijzen immers uit dat de curatoren van [bedrijf] toen zij van de cessie op de hoogte kwamen zich op het standpunt stelden dat deze overdracht paulianeus was (2.8) en dat zij pas jaren later, mede onder druk van de lange duur van het faillissement, met [eiser] een cessie overeenkwamen (2.10).

4.5.

Een mogelijk verwijt dat [gedaagde] gemaakt kan worden, maar dat geen onderdeel vormt van het partijdebat, is dat hij niet voldoende bij [eiser] heeft aangedrongen op het overleggen van bewijs van de kennisgeving aan [naam 1] van de cessie [bedrijf] - [eiser] . Duidelijkheid over de rechtsgevolgen van de cessie – die [gedaagde] mede door zijn eigen toedoen niet had – zou [eiser] kosten hebben kunnen besparen, al staat hier tegenover dat uit een door [eiser] overgelegde brief die hij op 22 mei 2011 aan de Nederlandse Orde van Advocaten heeft gestuurd in verband met zijn klachten tegen [gedaagde] , valt af te leiden dat [eiser] en [gedaagde] de curatoren in het faillissement van [bedrijf] “in verband met de korte tijdsduur tussen de overdracht van de claim aan mij en het faillissement van [bedrijf] ” de uitwinning enige tijd wilden uitstellen en de curatoren niet op het bestaan van de gecedeerde vordering opmerkzaam wilden maken.

4.6.

Wat dit laatste betreft overweegt de rechtbank ten overvloede dat duidelijk is dat [eiser] en [gedaagde] wilden voorkomen dat de curatoren snel op de hoogte zouden komen van de cessie [bedrijf] - [eiser] . Ook als [naam 1] van de cessie op de hoogte zou zijn geweest, zou dit via hem de curatoren ter ore hebben kunnen komen.

4.7.

Hoe dan ook, als direct duidelijk was geworden dat [naam 1] niet op de hoogte was gebracht van de cessie, zouden er kosten bespaard zijn voor [eiser] . Hem zouden echter ook kosten bespaard zijn gebleven als [gedaagde] niet over de verjaringsbepalingen had heen gelezen, zoals hij erkent te hebben gedaan. De bepalingen mogen tot enige uitlegproblemen geleid hebben, art. 9.3 van de BPA is duidelijk in het stellen van de grens van twee jaar en een redelijk vakbekwame en redelijk handelende advocaat dient zich bij lezing daarvan van het belang van stuiting bewust te zijn geweest.

4.8.

De vraag is wat van [gedaagde] in redelijkheid verwacht mocht worden in de periode waarin hij [eiser] bijstond, dat is de periode van 25 april 2002 tot 15 september 2005. In die periode valt 8 januari 2004, de datum waarop – zonder stuiting – de verjaring van de vordering een feit was. Het gaat er dus om wat in redelijkheid van [gedaagde] verwacht had mogen worden tussen 25 april 2002 en 8 januari 2004.

4.9.

Voor de hand lijkt te liggen dat [gedaagde] voor 8 januari 2004 tot een stuitingshandeling had moeten overgaan. Deze zou echter geen rechtsgevolg hebben gehad. [eiser] was immers door het ontbreken van de mededeling van de cessie niet [naam 1] schuldeiser en kon zich dus niet zijn recht op nakoming voorbehouden.

4.10.

[naam 1] had de stuiting naast zich neer kunnen leggen. Als hij had gereageerd zou, gelet op de alertheid van zijn advocaat (2.7) duidelijk zijn geworden dat de cessie niet aan [naam 1] meegedeeld was. Mogelijk zou dan contact met de curatoren zijn opgenomen, die zich vermoedelijk – want in 2005 deden zij dat – op het standpunt zouden hebben gesteld dat de cessie paulianeus was. [eiser] had dan zijn vordering tot betaling van de openstaande managementfee in het faillissement moest indienen.

4.11.

Dat het verrichten van een stuitingshandeling door [gedaagde] in de onder 4.8 bedoelde periode had geleid tot stuiting van verjaring tussen [eiser] en [naam 1] is dus uitgesloten, terwijl er een mogelijkheid bestaat dat de curatoren tijdig gestuit zouden hebben, zulks afhankelijk van de vraag of [naam 1] gereageerd of – wijselijk – gezwegen zou hebben.

4.12.

Gelet op het zojuist overwogene moet ervan uitgegaan worden dat een redelijk vakbekwame en redelijk handelende advocaat of hij nu wel of niet op de hoogte was van het feit dat de cessie [naam 1] niet meegedeeld was, niets hoefde te verwachten van een stuitingshandeling verricht tegenover [naam 1] .

4.13.

De vraag of een voorwaardelijke stuiting, dat wil zeggen een stuiting die zijn werking eerst zal krijgen als degene die door de stuitingshandeling zich zijn recht op nakoming voorbehoudt rechthebbende op de vordering wordt of blijkt te zijn, mogelijk is, zou bevestigend beantwoord kunnen worden gelet op de hoofdregel dat elke rechtshandeling onder een voorwaarde verricht kan worden (art. 3:38 BW). Toch ligt een bevestigend antwoord op deze vraag niet voor de hand. Hier komt bij dat er van uit gegaan moet worden dat in de relevante periode, 25 april 2002 tot 8 januari 2004, geen zicht op de houding van de curatoren bestond terwijl in ieder geval bij [gedaagde] en [eiser] de gerechtvaardigde vrees bestond dat zij de overdracht paulianeus zouden achten. Een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat in redelijkheid een voorwaardelijke stuiting van de verjaring niet verwacht kon worden van een redelijk handelende en redelijk vakbekwaam advocaat.

4.14.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de stelling van [eiser] dat [gedaagde] door na te laten een stuitingshandeling te verrichten tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen tegenover [eiser] , verwerpt. De op deze stelling gebaseerde, primair gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de met [eiser] gesloten overeenkomst, moet dan ook worden afgewezen. Evenmin is komen vast te staan dat [gedaagde] in de hier door [eiser] bedoelde zin onrechtmatig heeft gehandeld.

4.15.

Gevorderd worden, als voorschot, de kosten van de onder 2.11 bedoelde procedures in eerste aanleg en in hoger beroep.

4.16.

[eiser] en de curatoren zijn nadat de opdracht aan [gedaagde] beëindigd was, tot cessie overgegaan. Vervolgens is [eiser] met een andere advocaat tot dagvaarding van [naam 1] overgegaan. Dit alles vond plaats toen de vordering reeds verjaard was. Dat [eiser] desondanks kosten heeft gemaakt voor de procedures, kan [gedaagde] niet verweten worden omdat ook de opvolgend advocaat kennelijk niet van de voltooiing van de verjaring uitgegaan is. De vordering tot betaling van een voorschot op schadevergoeding ad € 30.741,50 moet dan ook worden afgewezen.

4.17.

[eiser] stelt voorts dat dat [gedaagde] tegenover hem onrechtmatig gehandeld door na te laten een adequate beroepsaansprakelijkheidsverzekering te sluiten. Het verhaal van [eiser] op [gedaagde] is immers, zo stelt [eiser] , niet gegarandeerd en op zijn minst dubieus.

4.18.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, heeft [eiser] geen belang bij deze vordering. De kosten die mogelijk zijn gemaakt in de periode dat [gedaagde] [eiser] bijstond, 25 april 2002 tot 15 september 2005, als gevolg van het feit dat [gedaagde] [eiser] niet waarschuwde voor het bestaan van de verjaringstermijn (zie 4.7), zijn niet een gevolg van de door [eiser] gestelde beroepsfout en komen dus niet via deze procedure voor vergoeding in aanmerking, maar bovendien vormen zij naar omvang slechts een fractie van het bedrag aan schade dat [eiser] alleen al als voorschot op de schadevergoeding noemt en dat blijkens het onder 4.16 overwogene niet voor vergoeding in aanmerking komt.

4.19.

Uit het voorgaande volgt dat het primair en subsidiair gevorderde moet worden afgewezen.

4.20.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank zal bij de begroting hiervan uitgaan van het gevorderde en niet van de genoemde intrinsieke waarde van de vordering op [naam 1] die in de miljoenen zou lopen.

4.21.

De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 876,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 2.034,00

4.22.

Aan de zijde van [naam 3] worden de kosten begroot op

€ 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00) voor salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.034,00,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [naam 3] tot op heden begroot op € 1.158,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over deze kosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis voor [naam 3] ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2016.