Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3030

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6381
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wmo 2015 en huishoudelijke hulp. Eiser kan zich niet verenigen met het toekenningsbesluit en heeft aangevoerd dat met dat besluit onduidelijk blijft welke huishoudelijke hulp hem is toegekend.

Motivering verweerder onvoldoende. Beroep gegrond, zelf in de zaak voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/6381

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] eiser

(gemachtigde: mr. K. Wevers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel te Tiel, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser, onder intrekking van het eerder toegekende recht op huishoudelijke hulp, per 13 juli 2015 huishoudelijke ondersteuning in natura op niveau 2 toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

Bij besluit van 23 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder, onder aanvulling van de motivering, het primaire besluit in stand gelaten. Voorts heeft verweerder eiser meegedeeld dat de voorheen geldende indicatie van zes uren huishoudelijke hulp per week gecontinueerd wordt tot zes weken na verzending van het besluit op bezwaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Stoffer, H. Eker en R.A.J. Kool, bijgestaan door mr. V.A. Textor.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is geboren op [datum] 1921 en woont alleen in een eengezinswoning. Hij kent aanzienlijke fysieke beperkingen als gevolg van een aantal lichamelijke aandoeningen. Aan eiser is in dat verband bij besluit van 21 oktober 2014 huishoudelijke hulp toegekend voor zes uren per week.

2. ​ Verweerder heeft in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie, vastgesteld dat eiser recht heeft op huishoudelijke ondersteuning in natura op niveau 2, bestaande uit stoffen/opruimen, stofzuigen/dweilen, keuken en sanitair schoonmaken, ramen zemen, bed verschonen, boodschappen doen, opwarmen maaltijd, wassen en drogen kleding, was ophangen, strijken en opvouwen en was opruimen. Het vorenstaande heeft als doel dat, in samenhang met de inspanningen van de familie, ervoor wordt gezorgd dat eiser zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven, dat hij in een schoon huis leeft, de was wordt gedaan, zijn eten is geregeld en de boodschappen worden gedaan.

​Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat op grond van het nieuwe beleid niet langer in uren wordt geïndiceerd maar in taken en doelstellingen. De zorgaanbieders zijn conform de gemaakte afspraken verantwoordelijk voor het leveren van prestaties en het behalen van resultaten.

3. ​ Eiser heeft aangevoerd dat verweerder in zijn besluit tot toekenning van huishoudelijke ondersteuning onvoldoende objectief en bepaalbaar heeft opgenomen waar hij recht op heeft. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij niet voldoende wordt gecompenseerd voor zijn ontbrekende mogelijkheden bij het doen van het huishouden, nu in de praktijk blijkt dat de huishoudelijke hulp in uren is gehalveerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op zes uren huishoudelijke ondersteuning. Hierbij heeft hij aangetekend dat dit aantal waarschijnlijk door het wegvallen van twee mantelzorgers moet worden verhoogd. Anders dan verweerder stelt is het niet de zorgaanbieder maar de gemeente die verantwoordelijk is voor de huishoudelijke hulp. Tenslotte heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen proceskosten in bezwaar heeft vergoed.

4.
Ingevolge de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Deze ondersteuning moet er op zijn gericht dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven.

Op grond van artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 draagt het college er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

Gelet op artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 kan de maatwerkvoorziening alleen als compensatie voor de door eiser ondervonden beperkingen gelden wanneer deze een passende bijdrage levert aan diens zelfredzaamheid. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit resultaat in voor eiser kenbare vorm in het toekenningsbesluit te zijn vastgelegd.

In artikel 6, tweede lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tiel 2015 (Verordening) is opgenomen dat bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura in de beschikking in ieder geval wordt vastgelegd welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is.

5.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn primaire besluit van 16 april 2015 de toegekende huishoudelijke ondersteuning niet heeft geconcretiseerd, maar heeft volstaan met te vermelden dat vanaf 13 juli 2015 huishoudelijke ondersteuning in natura op niveau 2 is toegekend. Daarbij is alleen vermeld dat eiser ondersteuning nodig heeft op het terrein van zelfstandig uitvoeren en structureren van zijn huishouden en dat de zorgaanbieder Tzorg in dat verband contact zal opnemen. In het gespreksverslag van 14 april 2015 is de te bieden ondersteuning evenmin uitgewerkt.

In het bestreden besluit heeft verweerder de toegekende huishoudelijke ondersteuning nader ingevuld, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2 is weergegeven en vermeld welke werkzaamheden in de woning van eiser moeten worden verricht.

6. De rechtbank leest het bestreden besluit aldus dat verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser met de toekenning van huishoudelijke hulp voldoende gecompenseerd is in zijn beperkingen. Immers, verweerder stelt zich op het standpunt dat de woning schoon en leefbaar is. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Toekenning van een maatwerkvoorziening in de vorm van te behalen resultaten (een schoon en leefbaar huis) is onvoldoende concreet om te kunnen vaststellen of deze resultaten kunnen gelden als een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, als bedoeld in artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015 (uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2016:1491). Het indiceren op resultaat kan naar het oordeel van de rechtbank alleen als de wijze waarop het resultaat dient te worden bereikt wordt geconcretiseerd op een wijze die op basis van objectieve criteria kan worden getoetst. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2016:1402) volgt dat concreet moet zijn welke activiteiten moeten worden verricht om het resultaat te bereiken, hoeveel tijd daarvoor nodig is en met welke frequentie deze activiteiten moeten worden verricht. Nu deze concretisering door verweerder alleen heeft plaatsgevonden ten aanzien van de verrichten werkzaamheden en niet heeft plaatsgevonden ten aanzien van de omvang in tijd en frequentie, heeft verweerder niet kunnen volstaan met de onderhavige toekenning. Het is immers niet duidelijk wat het resultaat, een schoon en leefbaar huis, inhoudt. In het ondersteuningsplan van de aanbieder van 16 juni 2015 noch uit dat van 3 november 2015 is de hiervoor bedoelde concretisering gegeven. De rechtbank overweegt nog dat verweerder zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat deze afspraken van eiser met de zorgaanbieder niet als (verlengde) besluitvorming van verweerder hebben te gelden.

Voorts blijkt uit de toekenning van huishoudelijke ondersteuning op niveau 2 evenmin waar eiser recht op heeft. De rechtbank wijst in dit verband op het advies van de bezwarencommissie, waarin is overwogen dat het ingeval van ondersteuning op niveau 2 tevens gaat om ondersteuning bij de dagelijkse organisatie van het huishouden, maar dat in de Verordening noch in de beleidsregels is terug te vinden wat daaronder moet worden verstaan.

7. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder toegekende maatschappelijke ondersteuning geen passende bijdrage is aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt, ter compensatie van zijn beperkingen, in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid bedoeld in artikel 2.3.5. derde lid van de Wmo 2015. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe als volgt. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wmo 2015 volgt dat de verplichtingen die verweerder heeft bij het wegnemen van belemmeringen in de zelfredzaamheid als gevolg van eisers beperkingen zeker niet minder ver gaan dan de compensatieverplichting, als bedoeld in artikel 4 van de Wet maatschappelijk ondersteuning 2007 (Wmo 2007). In de nota naar aanleiding van het nader verslag is dit als volgt verwoord: “Dat de compensatieplicht van artikel 4 van de bestaande Wmo niet in dezelfde vorm terugkeert in het wetsvoorstel, betekent, zoals ik in de nota naar aanleiding van het verslag in antwoord op een vraag van de leden van de fractie van het CDA uitvoerig heb onderbouwd, op geen enkele manier dat het wetsvoorstel de burgers minder rechtszekerheid biedt over de ondersteuning waarop zij van de kant van de gemeente kunnen rekenen. Het college is en blijft nadrukkelijk gebonden aan de wettelijke verplichting (artikel 2.3.5, derde en vierde lid) om iemand van wie wordt vastgesteld dat hij niet op eigen kracht of met hulp van naasten en algemene voorzieningen in staat is tot zelfredzaamheid en participatie, een passende maatwerkvoorziening toe te wijzen.”

(…………….)

“ De verplichtingen van het wetsvoorstel gaan echter zeker niet minder ver dan de compensatieverplichting van artikel 4 Wmo.” (TK 33 841, nr. 64, blz. 3-4).

De rechtbank ziet daarom, nu bij eiser geen sprake is van gewijzigde omstandigheden in die zin dat zijn beperkingen zijn afgenomen, aanleiding om eiser huishoudelijke hulp toe te kennen in dezelfde omvang als eiser had onder de werking van de Wmo 2007, te weten zes uren huishoudelijke hulp per week. Dat betekent dat verweerder geen nieuw besluit op bezwaar meer hoeft te nemen.

8. De gemaakte proceskosten komen, gezien het voorgaande, voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.984 (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Tevens dient verweerder het betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het primaire besluit van 16 april 2015 en kent eiser huishoudelijke hulp toe gedurende zes uren per week;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht groot € 45 aan hem vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.984.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.