Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:2997

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
07-07-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6843
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning WW-uitkering met toepassing van het per 1 juli 2015 gewijzigde Dagloonbesluit werknemersverzekeringen. Onjuiste verwijzing in artikel 1, eerste lid onder u van het Dagloonbesluit is een kennelijke misslag en doet niet af aan de inhoud van deze bepaling. Op grond het gewijzigde Dagloonbesluit wordt het dagloon voor de WW-uitkering berekend door de inkomsten in de referteperiode te delen door 261 dagen. Dat dit voor werknemers die slechts een gedeelte van de referteperiode loon hebben genoten een nadelig effect heeft, is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de WW dan wel met internationale verdragen. De rechtbank ziet geen aanleiding een eventuele compensatieregeling in de vorm van een eenmalige tegemoetkoming bij zijn oordeel te betrekken. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/6843

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

en

de [verweerder] te [plaats], verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres over de periode van 1 september 2015 tot en met 31 januari 2018 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend, gebaseerd op een dagloon van € 60.

Bij besluit van 5 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, het dagloon op € 75 vastgesteld en eiseres in verband met herleving van een eerder WW-recht en de daarmee verband houdende samenloop van twee WW-rechten, over de periode van 1 september 2015 tot en met 15 maart 2016 een hoger bedrag aan WW-uitkering toegekend.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2016. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diekema.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Aan eiseres is met ingang van 11 januari 2013 een uitkering ingevolge de WW toegekend, gebaseerd op een dagloon van € 183,93. Deze uitkering is met ingang van 17 februari 2014 beëindigd in verband met werkaanvaarding en weer voortgezet (herleving) met ingang van 4 juli 2014. Met ingang van 1 maart 2015 heeft eiseres een dienstbetrekking aanvaard bij [bedrijf], in verband waarmee de WW-uitkering met ingang van 2 maart 2015 is beëindigd. In verband met betalingsonmacht van deze werkgever is aan eiseres, na afloop van de geldende opzegtermijn, met ingang van 1 september 2015 WW-uitkering toegekend, gebaseerd op een dagloon van € 60.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het per 2 maart 2015 beëindigde WW-recht laten herleven tot en met 15 maart 2016. Dit recht is gebaseerd op een dagloon van € 188,74. Daarnaast heeft eiseres met ingang van 1 september 2015 recht op een uitkering ingevolge de WW. Verweerder heeft het dagloon op basis waarvan die uitkering wordt berekend vastgesteld op € 75. Eiseres heeft met ingang van 16 maart 2016 nog slechts recht op een WW-uitkering gebaseerd op een dagloon van € 75.

3. Eiseres voert aan dat het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (hierna: het Dagloonbesluit), zoals dat sinds 1 juli 2015 geldt, zeer nadelig voor haar inkomenspositie is, in vergelijking met de bepalingen van vóór die datum. Door de wetswijziging vanaf 1 juli 2015 is haar dagloon verlaagd van € 188,74 naar € 60. Dit betekent een substantiële vermindering van haar inkomsten. Doordat eiseres weer is gaan werken en de werkgever failliet is verklaard kan zij geen aanspraak maken op het garantiedagloon. Als kostwinner en alleenstaande vrouw heeft zij de nodige verplichtingen die ver boven het dagloon van € 60 uitstijgen. Een herziening van de wet kan nog wel enige tijd duren en lost het probleem van eiseres op dit moment niet op. In bezwaar is het dagloon weliswaar vastgesteld op € 75, maar vanaf 15 maart 2016 vervalt het oude recht door de wetswijziging van 1 juli 2015 en is het onmogelijk om de lasten nog te betalen. Eiseres verwijst naar een artikel “Asscher komt WW’ers tegemoet” waar uit blijkt dat minister Asscher de wetswijziging zal aanpassen en terugdraaien.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het dagloon is vastgesteld op de voet van de wet- en regelgeving zoals die geldt vanaf 1 juli 2015. Het valt niet te ontkennen dat eiseres met ingang van 16 maart 2016 te maken krijgt met een forse financiële achteruitgang, maar de uitkeringsduur van het herleefde recht is op 15 maart 2016 verstreken en de nieuwe regels van het Dagloonbesluit geven verweerder geen ruimte anders te beslissen.

5. Voor de beoordeling van onderhavig geschil is van belang het geldende Dagloonbesluit van 1 juli 2015 t/m 31 december 2015 (Stb. 2015, 173) (hierna: Dagloonbesluit).Volgens artikel 1, eerste lid, onder u, van het Dagloonbesluit wordt onder WW-dagloon verstaan: het dagloon, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de WW. Nu artikel 45 van de WW met ingang van 1 juli 2015 is vervallen en de inhoud daarvan is verplaatst naar artikel 1b van de WW is in het Dagloonbesluit niet geregeld wat onder WW-dagloon wordt verstaan. De rechtbank gaat er vanuit dat sprake is van een kennelijke misslag van de wetgever en zal artikel 1, eerste lid, onder u, aldus lezen dat onder WW-dagloon wordt verstaan: het dagloon als bedoeld in artikel 1b, eerste lid, van de WW.

6.1

De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar betoog dat zij ten onrechte geen aanspraak kan maken op het garantiedagloon in verband met het faillissement van haar werkgever. Eiseres is niet aansluitend op de beëindiging van een eerdere dienstbetrekking een andere dienstbetrekking aangegaan, hetgeen blijkens artikel 12 van het Dagloonbesluit één van de voorwaarden is om een geslaagd beroep te kunnen doen op de dagloongarantie.

6.2

Evenmin kan de rechtbank het betoog van eiseres onderschrijven dat haar oude WW-recht vanaf 15 maart 2016 vervalt vanwege de wetswijziging van 1 juli 2015. De gewijzigde wetgeving per 1 juli 2015 leidt er niet toe dat het oude WW-recht van eiseres vanaf 15 maart 2016 vervalt. Op grond van artikel 21 van de WW, zoals dit luidt vanaf 1 juli 2015, is de herleving van het oude WW-recht van eiseres mogelijk. Voor 1 juli 2015 was herleving van een oud recht, ingeval er een nieuw recht was ontstaan, niet mogelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding het standpunt van verweerder, dat de uitkeringsduur van het herleefde WW-recht op 15 maart 2016 is verstreken, voor onjuist te houden.

7.1

De rechtbank begrijpt de overige beroepsgronden aldus dat eiseres de vaststelling van het dagloon met betrekking tot het nieuwe WW-recht per 1 september 2015 aanvecht.

7.2

Voor de berekening van de uitkering wordt ingevolge artikel 1b, eerste lid, van de WW als dagloon beschouwd 1/261e deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de WW is ingetreden.

7.3

Aangezien eiseres op 1 september 2015 werkloos werd, heeft verweerder het dagloon gebaseerd op het SV-loon over de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 juli 2015. De rechtbank gaat dan ook uit van deze referteperiode.

7.4

Verweerder heeft vastgesteld dat eiseres in de referteperiode een SV-loon heeft genoten van € 19.575. De hoogte van dit bedrag is door eiseres niet bestreden. Om tot het dagloon te komen heeft verweerder dit SV-loon gedeeld door 261 dagen, hetgeen heeft geleid tot het dagloon van € 75.

7.5

Dat het dagloon van eiseres daardoor lager is dan vóór de wetswijziging van 1 juli 2015 het geval zou zijn geweest, is duidelijk. Artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit, zoals dit luidt met ingang van 1 juli 2015, schrijft voor dat het genoten loon in de referteperiode gedeeld dient te worden door 261. Het is onmiskenbaar dat dit tot een lager dagloon leidt indien niet gedurende de gehele referteperiode loon is genoten, zoals in het geval van eiseres. Het staat verweerder echter niet vrij om een andere wijze van berekenen van het dagloon toe te passen, nu de wijze van berekenen daarvan is gebaseerd op dwingendrechtelijke wetgeving. Verweerder komt bij de vaststelling van de hoogte van het dagloon dan ook geen vrijheid toe. Ook de rechtbank is aan deze in het Dagloonbesluit neergelegde regels, gebonden. De rechter mag niet de redelijkheid van deze regels beoordelen. Alleen indien deze regels in strijd zijn met hogere regelgeving, in dit geval de WW dan wel internationale verdragen, mag de rechtbank deze bepalingen uit het Dagloonbesluit buiten toepassing laten. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank echter geen aanleiding voor het oordeel dat het Dagloonbesluit in zoverre in strijd is met de WW dan wel met internationale verdagen.

7.6

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer bij brief van 7 maart 2016 heeft laten weten dat het Dagloonbesluit niet eerder dan per 1 januari 2017 zal worden gewijzigd. Er zal wellicht een overgangsregeling komen in de vorm van een eenmalige tegemoetkoming vanwege de lagere dagloonvaststelling in de periode van 1 juli 2015 tot aan het moment van inwerkingtreding van het gewijzigde Dagloonbesluit.

Het besluitvormingstraject met betrekking tot een mogelijke wijziging van het Dagloonbesluit en de overgangsregeling (in de vorm van een eenmalige tegemoetkoming) is nog niet afgerond. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding deze bij zijn oordeel te betrekken.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. J.J.W.P. van Gastel, rechters, in tegenwoordigheid van J. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.