Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:2959

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 9086 t/m 14_9098
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:5406, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting, buitenlandse bankrekeningen. De informatiebeschikking is op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt en staat onherroepelijk vast, zodat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. Verweerder gaat uit van redelijke schatting. De stelling dat de aanslagen moeten worden vernietigd omdat deze niet binnen bekwame tijd na het onherroepelijk worden van de informatiebeschikking zijn opgelegd, vindt geen steun in het recht en mist overigens feitelijke grondslag. Verweerder heeft de aanslagen gebaseerd op een redelijke schatting. Eiser heeft niet aangetoond dat de opgelegde aanslagen te hoog zijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1248
V-N 2016/41.2.2
mr. J. Kastelein annotatie in NTFR 2016/1870
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 14/9086 tot en met 14/9098

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 7 juni 2016

in de zaken tussen

de erven [X] , te [Z] , eiseres,

(gemachtigde: mr.drs. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft de volgende navorderingsaanslagen opgelegd:

  • -

    aan [X] (hierna: erflater) (BSN [000] ) een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 1999;

  • -

    aan erflater een navorderingsaanslag vermogensbelasting (hierna: VB) voor het jaar 2000;

  • -

    aan de erven [X] navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2000 tot en met 2010.

Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 19 november 2014 de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd. De door erflater verschuldigde bedragen (belasting en heffingsrente) zijn als volgt weer te geven (bedragen tot en met 2000 in guldens en vanaf 2001 in euro’s):

IB/PVV

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

verschuldigde IB/PVV

24.714

32.441

11.030

10.992

7.297

7.403

6.850

6.171

6.821

7.019

7.019

7.071

heffingsrente

9.249

12.297

2.743

3.263

1.741

1.582

1.524

1.415

1.159

860

483

218

VB

2000

verschuldigde VB

5.803

heffingsrente

2.431

Namens de erven [X] is daartegen bij brief van 23 december 2014, ontvangen door de rechtbank op 30 december 2014, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Nadien heeft verweerder het verweerschrift aangevuld met de ontbrekende bijlagen A39 tot en met F.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2016. Namens de erven is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , mr. [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Erflater is op [2012] overleden en was ongehuwd. Enig erfgenaam is de zus van erflater, [C] . De erven [X] zullen daarom in deze uitspraak (ook) worden aangeduid als eiseres. Eiseres heeft de nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving.

2. Erflater heeft aangiften IB/PVV 1999 en 2004 tot en met 2010 gedaan.

3. Op 17 februari 2011 heeft [D] aan verweerder informatie verstrekt over door erflater vermoedelijk bij de Fortisbank in [Q] , te België (hierna: Fortisbank) en de Stadtsparkasse in [R] , te Duitsland (hierna: Stadtsparkasse) aangehouden bankrekeningen. De informatieverstrekking door [D] is op 13 september 2011 in de vorm van een ambtsedige verklaring vastgelegd. In de verklaring is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“In aanvulling daarop verklaarde hij zakelijk weergegeven:

- Dat hij broer en zus [X & C] al meer dan 40 jaren kent.

(…)

- Dat de heer en mevrouw [X & C] tot twee jaren geleden bankierden bij de Fortisbank aan de [A-straat 1] in [Q] , een plaats bij [S] in België. Gelijktijdig hebben de heer en mevrouw [X & C] ook bankrekeningen aangehouden bij de Sparkasse aan de [A-straat 2] , [R] .

- De rekeningen in Duitsland en België zijn in 2009 opgeheven. [X] heeft zijn geld gemeld bij de Belastingdienst via een offschoremaatschappij. Het gaat om ruim 2 ton.”

4. Naar aanleiding van deze tip is erflater bij brief van 11 november 2011 verzocht om informatie over buitenlands vermogen te verstrekken. In deze brief is erflater gewezen op de verplichtingen van de artikelen 47 en 49 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Op 21 november 2011 heeft verweerder het formulier ‘Opgaaf buitenlands vermogen’ retour ontvangen. Erflater heeft aangegeven dat hij niet gerechtigd is (geweest) tot één of meerdere bankrekeningen, onroerende zaken en/of ander vermogen in het buitenland.

5. Op 29 november 2011 heeft een gesprek tussen verweerder en erflater plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is erflater gewezen op de verplichtingen van de artikelen 47 en 49 van de AWR en op de in de artikelen 25 en 27e van die wet aan weigering verbonden gevolgen (omkering bewijslast). Een verslag van dit gesprek is op 2 december 2011 aan erflater toegestuurd. Bijgevoegd waren voorbeeldbrieven die erflater aan Fortisbank en Stadtsparkasse kon toesturen. Kort samengevat heeft erflater tijdens dit gesprek het volgende verklaard:

  • -

    Hij heeft geen bankrekeningen, onroerende zaken en/of ander vermogen in het buitenland. Ook niet bij Fortisbank en Stadtsparkasse. Hij wil geen brieven naar de banken opsturen om informatie op te vragen.

  • -

    Hij heeft rekeningen bij Homburg, ABN AMRO en ING, allen banken in Nederland.

  • -

    De rekening bij Homburg heeft hij een paar jaar en daar staat ongeveer € 240.000 op.

  • -

    De andere rekeningen heeft hij al langer dan 12 jaar en daar staat niet zoveel geld op.

  • -

    Hij kon naast zijn uitkering van UWV sparen door de handel in baren zilver (een baar is een kilo zilver). Dit doet hij al 20 tot 30 jaar. Hierover hoeft geen belasting te worden betaald, omdat het is aangemerkt als een risicovolle belegging. Daarnaast verkoopt hij schilderijen.

  • -

    Op de verkoop van schilderijen heeft hij geen winst gemaakt. De schilderijen waren een erfenis van zijn moeder, de laatste 3 jaar heeft hij er een paar verkocht. Dit heeft hij eerlijk in de aangifte opgenomen en gestald bij Homburg.

  • -

    De toename van zijn spaargeld in 2005 - 2007 kwam door de verkoop van zilver.

  • -

    Het in de aangifte vermelde bedrag aan obligaties/aandelen per 31 december 2010 van € 240.000 zijn de beleggingen bij Homburg. De herkomst van dit vermogen is de verkoop van zilver en schilderijen. Dit bedrag heeft hij niet in 2010 verdiend.

  • -

    Hij verkoopt zilver aan [E] in [T] . Daar reed hij met ongeveer 200kg zilver naar toe (€ 600 per kilo). Hij heeft daar geen bonnen meer van, de betaling ging meestal contant.

6. Met dagtekening 20 december 2011 heeft verweerder ten name van erflater ter zake de onderhavige jaren een informatiebeschikking genomen in verband met het niet verstrekken van de gevraagde gegevens en informatie over zijn binnenlandse en buitenlandse vermogensbestanddelen. In de informatiebeschikking is aangegeven dat de aangehouden buitenlandse vermogensbestanddelen gevolgen kunnen hebben voor nog op te leggen (navorderings)aanslagen IB/PVV 1999 tot en met 2010 en VB 2000. Verweerder heeft erflater verzocht om uiterlijk 27 december 2011 de gestelde vragen te beantwoorden en informatie te verstrekken.

7. Op 27 december 2011 heeft een gesprek tussen verweerder en erflater plaatsgevonden. Erflater heeft tijdens dit gesprek stukken overgelegd met betrekking tot zijn beleggingen bij Homburg. Een verslag van dit gesprek is bij brief van 28 december 2011 aan erflater toegestuurd. Kort samengevat heeft erflater tijdens dit gesprek het volgende verklaard:

  • -

    De baren zilver zijn niet onder zijn eigen naam verkocht aan [E] . Hij was voor de helft gerechtigd tot de opbrengsten uit de verkoop. De verkopen hebben medio 2009 plaatsgevonden.

  • -

    Hij heeft op zijn eigen naam kleine hoeveelheden, een paar kilo, zilver aan [E] verkocht.

  • -

    De obligaties bij Homburg, die hij in januari en maart 2010 heeft gekocht, zijn gefinancierd met opbrengsten uit de verkoop van zilver en schilderijen.

  • -

    Hij heeft in november 2011 € 205.000 gestort op een rekening bij Stadtsparkasse. Daarvoor heeft het geld 9 tot 10 maanden in 2011 op een rekening bij ABN AMRO gestaan. Het geld is van de ABN AMRO naar ING overgemaakt en vervolgens naar Stadtsparkasse. Daarvóór heeft het geld niet op een rekening gestaan, het geld was verdiend met de verkoop van schilderijen.

8. Blijkens het hiervoor bedoelde gespreksverslag is ook gesproken over de vragenbrieven voor Stadtsparkasse en Fortisbank. Erflater heeft in eerste instantie hiervan een foutieve versie gekregen. Het gespreksverslag vermeldt: “ [B] zegt: “deze brieven (de Duitse vertaling) zijn niet juist, deze brieven zaten als bijlage bij het op 2 december 2011 toegestuurde gespreksverslag. Bij de toegestuurde brief informatiebeschikking van 20 december 2011 zitten de juiste brieven”. [X] zegt: “Ik heb de brieven met de juiste gegevens naar de banken gestuurd.” ”

9. Bij brief van 13 januari 2012 heeft verweerder nadere informatie opgevraagd ter zake de binnenlandse en buitenlandse bankrekeningen.

10. Op 26 januari 2012 heeft een derdenonderzoek plaatsgevonden bij [E] B.V. (hierna: [E] ). Kort samengevat komt hieruit het volgende naar voren:

  • -

    Uit het cliëntregister blijkt dat erflater in de periode 2008 tot en met 26 januari 2012 zeven keer op eigen naam zilver en oude gouden sieraden heeft verkocht in beperkte hoeveelheden.

  • -

    Volgens [E] is het voor particulieren hoogst ongebruikelijk om transacties te doen van honderden kilo’s zilver. In de voorraadadministratie komen sinds 2008 geen dergelijke transacties met particulieren voor. Er zijn maar 3 klanten waarmee dergelijke transacties worden gedaan en dit zijn ondernemers. Vanwege de verschuldigdheid van btw is de verkoop van zilver door particulieren niet aantrekkelijk.

  • -

    Als erflater aanwezig is bij een transactie van een ander, dan moet hij zich legitimeren.

  • -

    Volgens [E] is het niet mogelijk om € 240.000 te verdienen in de periode

2008 – 2010 met de handel in baren zilver gelet op de waardeontwikkeling van zilver en de verschuldigdheid van btw.

11. Verweerder heeft bij brief van 8 februari 2012 medegedeeld dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 1999 en VB 2000 worden opgelegd in verband met niet aangegeven buitenlands vermogen. Uitgegaan wordt van een buitenlands vermogen van f 1.000.000 per 1 januari 1999 en f 1.050.000 per 1 januari 2000 en een rendement van 5%. Verweerder heeft aangegeven zich te beroepen op omkering van de bewijslast, omdat sprake is van een onherroepelijke informatiebeschikking. De navorderingsaanslagen, met dagtekening 9 februari 2012, zijn bij de brief gevoegd. Erflater heeft daartegen tijdig bezwaar gemaakt.

12. Na het overlijden van erflater op [2012] heeft verweerder bij brief van 20 juli 2012 eiseres geïnformeerd over het feit dat er een onderzoek gaande is en wordt eiseres om informatie gevraagd.

13. Verweerder heeft derdenonderzoeken bij ABN AMRO, ING en SNS-Reaal ingesteld. Verder heeft verweerder een verzoek om informatie gedaan aan de Duitse autoriteiten ter zake van de vermoedelijk aangehouden vermogensbestanddelen bij Stadtsparkasse. De resultaten staan uitgebreid beschreven in de tot de gedingstukken behorende brief van verweerder van 7 september 2012. Kort samengevat:

  • -

    Stadtsparkasse: In 1994 is CAD 280.000 gestort ten behoeve van een beleggingsproduct. Op 19 februari 2004 is deze belegging terugbetaald. Het volledige saldo bedroeg op dat moment (inclusief rente) € 175.700. Dit bedrag is gestort in een polis. Dit bedrag is opgenomen (€ 19.975 op 14 februari 2006, € 169.102 op 26 juni 2008 en in 2009 het restant van € 1.023).

  • -

    Stadtsparkasse: Op 11 november 2011 heeft erflater opnieuw een bankrekening en een beleggingsdepot bij deze bank geopend en is € 205.000 gestort.

  • -

    ABN AMRO: In 2004 zijn contante stortingen gedaan van in totaal € 17.325. De herkomst van deze gelden is niet bekend.

  • -

    ABN AMRO: In februari 2011 vinden twee contante stortingen plaats van in totaal € 225.000. De herkomst van deze gelden is niet bekend. Van dit geld is op 3 oktober 2011 € 205.000 naar de ING overgemaakt.

  • -

    ING: Er wordt actief gebankierd bij deze bank met overboekingen tussen de betaalrekening en de spaarrekeningen. Op 15 januari 2010 wordt € 150.000 gestort op de spaarrekening en op 29 maart 2010 € 53.000. De herkomst van de gestorte gelden is onbekend. Het geld is aangewend voor de aankoop van participaties bij Homburg van € 153.578,86 (22 januari 2010) en € 93.473,93 (30 maart 2010). In totaal dus € 247.052,79.

  • -

    ING: Het op 3 oktober 2011 van de ABN AMRO naar ING overgemaakte bedrag van € 205.000 is op 8 november 2011 overgemaakt naar Stadtsparkasse.

  • -

    SNS-Reaal: Geen relevante informatie ontvangen.

  • -

    Fortisbank: Op basis van verdragen is het voor de Belastingdienst niet mogelijk informatie op te vragen bij deze Belgische bank. Er is geen informatie ontvangen van erflater over bij deze bank aangehouden tegoeden. Volgens de tipgever zou de rekening bij Fortisbank in 2009 zijn opgeheven.

14. Bij brief van 7 september 2012 heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt om de navorderingsaanslagen IB/PVV 2000 tot en met 2010 op te leggen in verband met niet aangegeven buitenlands vermogen. Op basis van de gegevens van de derdenonderzoeken en de verklaringen van erflater wordt uitgegaan van een buitenlands vermogen van f 1.000.000 per 1 januari 2001, in volgende jaren van € 450.000 zowel op 1 januari als op 31 december van die jaren. Per 31 december 2010 gaat verweerder uit van € 250.000. Voor het jaar 2000 is rekening gehouden met een rendement van 6,5%. Verweerder heeft aangegeven zich te beroepen op omkering van de bewijslast, omdat sprake is van een onherroepelijke informatiebeschikking.

15. Met dagtekening 22 oktober 2012 zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 2000 tot en met 2010 opgelegd aan eiseres. Namens eiseres is daartegen tijdig bezwaar gemaakt.

Geschil

16. In geschil is of de navorderingsaanslagen IB/PVV 1999 tot en met 2010 en VB 2000 terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Beoordeling van het geschil

Omkering van de bewijslast

17. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een onherroepelijk vaststaande informatiebeschikking. Eiseres heeft echter gesteld dat de informatiebeschikking erflater niet heeft bereikt, zodat van omkering en verzwaring van de bewijslast geen sprake kan zijn. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. De informatiebeschikking is door verweerder juist geadresseerd. In het gesprek van 27 december 2011 wordt blijkens het daarvan gemaakte verslag expliciet gesproken over de informatiebeschikking en de daarbij gevoegde voorbeeldbrieven aan Fortisbank en Stadsparkasse. Hieruit leidt de rechtbank af dat de informatiebeschikking wel degelijk bij erflater bekend was ten tijde van dat gesprek. Overigens heeft erflater ook in zijn onder 11. bedoelde bezwaarschrift niet het standpunt ingenomen dat de informatiebeschikking waarnaar verweerder in zijn brief van 8 februari 2012 verwijst, hem niet zou hebben bereikt. De rechtbank acht daarom de eerst ter zitting door eiseres naar voren gebrachte stelling dat haar broer de informatiebeschikking niet zou hebben ontvangen, niet geloofwaardig. De rechtbank stelt daarom vast dat met betrekking tot de onderhavige navorderingsaanslagen een informatiebeschikking is genomen die op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en dat deze beschikking onherroepelijk vaststaat.

18. Ingevolge artikel 27e, eerste lid, van de AWR, dienen ingeval van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking de beroepen ongegrond te worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Eiseres heeft echter subsidiair het standpunt ingenomen dat dit rechtsgevolg slechts voor de IB 1999 en de VB 2000 kan intreden, omdat de navorderingsaanslagen over de latere jaren niet binnen bekwame tijd na het onherroepelijk worden van de informatiebeschikking zijn opgelegd. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond van eiseres nu deze geen steun vindt in het recht en overigens ook feitelijke grondslag mist. In de informatiebeschikking is ook duidelijk aangegeven op welke belastingjaren de beschikking betrekking heeft. Dit leidt tot de conclusie dat ten aanzien van alle in geschil zijnde navorderingsaanslagen eiseres moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend moet aantonen, dat de uitspraken op bezwaar betreffende deze navorderingsaanslagen onjuist zijn.

19. De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat verweerder evenwel niet van zijn verplichting om bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen uit te gaan van een redelijke schatting van het buitenlands vermogen van erflater. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een belastingaanslag naar willekeur wordt vastgesteld. Als de door verweerder gebruikte gegevens kunnen worden geaccepteerd als basis voor de redelijke schatting, ligt het op de weg van eiseres om, voor zover zij de juistheid van die gegevens of anderszins de juistheid van de schatting van verweerder betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

20. Verweerder heeft bij het opleggen van de navorderingsaanslagen rekening gehouden met een in het buitenland aangehouden vermogen van ƒ 1.000.000 per 1 januari 1999 en 1 januari 2001, een vermogen van ƒ 1.050.000 per 1 januari 2000, en een vermogen van € 450.000 vanaf 1 januari 2002 tot en met 1 januari 2010. Hierbij is verweerder ervan uitgegaan dat de storting van in totaal € 203.000 bij ING in januari en maart 2010 ten behoeve van de participaties bij Homburg en de storting van in totaal € 225.000 bij ABN AMRO in februari 2011 zijn gedaan met buitenlands vermogen. In dit kader wijst verweerder op de bankrekening en polis aangehouden door erflater in de jaren tot 2009 bij Stadtsparkasse van ongeveer € 175.700 en het feit dat erflater in die jaren regelmatig contante bedragen opnam. Ook stelt verweerder dat van opbrengsten uit verkoop van zilver of schilderijen niet is gebleken. Ten aanzien van de peildatum 31 december 2010 is verweerder uitgegaan van een niet-aangegeven vermogen van € 250.000, omdat erflater per die datum in de aangifte de obligaties bij Homburg voor € 240.000 heeft vermeld.

21. Voorts is verweerder bij het bepalen van de hoogte van de navorderingsaanslagen 1999, 2000 en 2001 (voor zover het de over 2000 aangegroeide rente betreft) uitgegaan van een rendement van 5% en 6,5%, gebaseerd op het gemiddelde rendement dat erflater genoot op de bankrekening bij Stadtsparkasse.

22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de schatting van het buitenlands vermogen van erflater terecht de gegevens die zijn verstrekt door Stadtsparkasse, ABN AMRO en ING en de verklaring van [D] in aanmerking genomen. In het kader van de schatting en gelet op het feit dat het vermogen bij in ieder geval Stadtsparkasse reeds vanaf 2000 aanwezig was, acht de rechtbank het redelijk dat verweerder de bij hem bekende vermogens in 2010 en 2011 ook voor de overige jaren heeft gehanteerd. De herkomst van de door erflater in 2010 en 2011 gedane stortingen is onbekend. Verweerder mocht naar het oordeel van de rechtbank in het kader van deze schatting in redelijkheid uitgaan van de veronderstelling dat deze gelden afkomstig waren van buitenlandse bankrekening(en). De rechtbank betrekt in dit oordeel dat [D] heeft verklaard dat erflater tot 2009 ook over een rekening bij Fortisbank beschikte. De rechtbank acht de verklaring van [D] voldoende betrouwbaar nu deze verklaring ten aanzien van Stadtsparkasse ondersteund wordt door de van deze bank verkregen informatie. Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank terecht voorbij gegaan aan de verklaring van erflater dat een deel van het vermogen is verkregen uit verkoop van baren zilver, nu deze stelling niet met bewijsstukken is gestaafd en bovendien niet overeenkomt met de verklaring van [E] . De stelling van eiseres dat erflater geen bankrekening heeft aangehouden in een land met een bankgeheim acht de rechtbank niet relevant. Vraag is slechts of hij over (buitenlands) vermogen beschikte dat hij niet heeft aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank biedt hetgeen verweerder hiervoor heeft aangedragen meer dan voldoende aanknopingspunten. Gelet op het voorgaande is verweerder bij het opleggen van de navorderingsaanslagen uitgegaan van een redelijke schatting van het buitenlands vermogen van erflater. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat verweerder door toedoen van erflater en vervolgens (de gemachtigde van) eiseres slechts in beperkte mate beschikt over gegevens over de onderhavige jaren.

23. Eiseres moet derhalve overtuigend aantonen dat de schatting van verweerder onjuist is en dat de belastingaanslagen ten onrechte of tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Voor zover eiseres het standpunt heeft ingenomen dat de navorderingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd omdat het buitenlands vermogen wel in de aangiften was opgenomen, overweegt de rechtbank dat uit de door verweerder overgelegde aangiften enkel volgt dat erflater de obligaties bij Homburg in het eindvermogen volgens de aangifte IB/PVV 2010 heeft vermeld. Van overigens reeds in aangiften opgenomen (buitenlands) vermogen heeft eiseres niet doen blijken. Evenmin heeft eiseres doen blijken dat (de inkomsten uit) het buitenlandse vermogen tot te hoge bedragen in aanmerking is genomen bij de opgelegde navorderingsaanslagen. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat de obligaties bij Homburg niets waard zijn overweegt de rechtbank dat erflater de obligaties in 2010 heeft aangekocht voor € 247.000 en dat hij deze per 31 december 2010 zelf heeft aangegeven voor een bedrag van € 240.000. Eiseres heeft geen objectieve gegevens overgelegd waaruit volgt dat de waardering van de betreffende obligaties per 31 december 2010 desondanks lager dient te zijn. Het enkele feit dat Homburg later failliet is verklaard is hiertoe onvoldoende. Verweerder heeft bovendien ter zitting verklaard dat Homburg de volgende rentebedragen nog heeft uitbetaald: € 8.628,49 per 1 juli 2010, € 8.771,51 per 31 december 2010 en € 8.628,29 per 30 juni 2011. Gelet hierop heeft eiseres niet overtuigend aangetoond dat er reden is om bij de waardering van de obligaties bij Homburg uit te gaan van een lager bedrag dan de nominale waarde. Eiseres is derhalve niet geslaagd in de op haar rustende (verzwaarde) bewijslast. Uit het voorgaande volgt dat de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. De beroepen tegen de navorderingsaanslagen dienen ongegrond te worden verklaard.

24. Nu eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dienen ook de beroepen inzake de beschikkingen heffingsrente ongegrond te worden verklaard.

25. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

26. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. G.H.W. Bodt en mr. drs. V.F.R. Woeltjes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 7 juni 2016

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.