Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:2945

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4774
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand in verband met verzwegen gezamenlijke huishouding. Bezwaarschriftencommissie had kort voor de hoorzitting ingediende stukken niet buiten beschouwing mogen laten. Gezamenlijke huishouding (zowel hoofdverblijf als wederzijdse zorg) is voldoende aannemelijk geworden. Eiser wordt gehouden aan zijn tegenover de Sociale Recherche afgelegde verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/4774

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M. Pinarbasi-Ilbay),

en

[verweerder] te [woonplaats], verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstand van eiser ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingetrokken over de periode van 1 juli 2012 tot 1 maart 2013 (hierna: de periode in geding).

Bij besluit van 6 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door een tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde P.M. Brands.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Eiser ontvangt vanaf juni 2012 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. In september 2013 heeft een anonieme getuige verweerder onder meer medegedeeld dat er enige tijd een Bulgaarse vrouw bij eiser heeft gewoond. Verweerder heeft daarop een onderzoek ingesteld.

1.2

In het kader van dit onderzoek heeft verweerder onder meer RDW-gegevens, bankafschriften en gegevens van het waterverbruik opgevraagd. Ook zijn er in oktober 2013 en in april 2014 tot juni 2014 waarnemingen verricht bij de woning van eiser en is eiser tweemaal verhoord. Van deze verhoren zijn gespreksverslagen opgemaakt, die door eiser zijn ondertekend.

1.3

Uit het onderzoek is onder meer gebleken dat het waterverbruik in de periode van 18 januari 2012 tot en met 24 januari 2013 ruim boven het gemiddelde niveau van een eenpersoonshuishouden lag, terwijl het waterverbruik in eerdere en latere periodes ongeveer op het gemiddelde niveau lag. Zoals vermeld in het verslag van het onderzoek heeft eiser in het tweede verhoor (in afwijking van zijn verklaringen in het eerste verhoor) verklaard dat zijn toenmalige vriendin, M.S. Kadirova, ongeveer acht maanden bij hem in huis heeft verbleven, tot eind februari 2013. Zij verbleef illegaal in Nederland en heeft zich derhalve niet laten inschrijven op het adres van eiser. Omdat Kadirova geen geld had, betaalde eiser alles terwijl Kadirova het huishouden grotendeels deed. Zij waste onder meer de kleding, maakte de woning schoon en deed de boodschappen. Tenslotte heeft een medewerker van woningbouwvereniging Uwoon desgevraagd medegedeeld dat volgens de bij Uwoon beschikbare informatie er in 2012 of 2013 tijdelijk een vrouw bij eiser heeft gewoond, maar dat nadere informatie ontbreekt.

2. Verweerder heeft op basis van dit onderzoek de bijstand van eiser ingetrokken over de periode in geding. In het bestreden besluit is deze beslissing, in navolging van een advies van de commissie voor bezwaarschriften van de [commissie] (de bezwaarschriftencommissie), gehandhaafd. Daarbij is overwogen dat het onderzoek van de Sociale Recherche zorgvuldig is uitgevoerd en dat de onderzoeksbevindingen voldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat eiser en Kadirova in de periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, terwijl eiser dit (in strijd met de blijkens artikel 17 WWB op hem rustende inlichtingenverplichting) niet aan verweerder heeft gemeld. Gedurende deze periode is eiser dan ook niet aan te merken als een zelfstandig subject van bijstandsverlening, terwijl aan hem wel als zodanig bijstand is verleend.

3. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit uitsluitend ziet op de intrekking van de bijstand over de periode in geding, niet op de terugvordering van bedrag dat als gevolg van deze intrekking onverschuldigd aan eiser betaald is. Voor zover eiser beroepsgronden heeft aangevoerd die zien op (de hoogte van) het terug te vorderen bedrag zal de rechtbank deze dan ook niet bespreken, aangezien eiser daarbij in deze procedure geen belang heeft.

4.1

Eiser heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat de bezwaarschriftencommissie het bezwaar onvoldoende zorgvuldig heeft behandeld, zodat verweerder het advies van de bezwaarschriftencommissie niet had mogen overnemen. Hij heeft er daarbij op gewezen dat de bezwaarschriftencommissie stukken (waaronder de nadere gronden van bezwaar, een getuigenverklaring en de aangifte inkomstenbelasting van Kadirova) die eiser respectievelijk acht dagen en een dag voor de hoorzitting heeft ingediend, onder verwijzing naar artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten beschouwing heeft gelaten. Eiser meent dat de bezwaarschriftencommissie hiertoe niet had mogen overgaan. Hij merkt daarbij op dat het niet tijdig indienen van de stukken niet te wijten was aan eiser, dat gelet op de aard van de stukken een goede voorbereiding op de hoorzitting niet in het geding is geweest en dat deze stukken van doorslaggevend belang waren voor een juiste beslissing in deze zaak.

4.2

Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de bezwaarschriftencommissie terecht heeft besloten de te laat ingediende stukken buiten beschouwing te laten. Door de stukken te laat in te dienen en bovendien tijdens de telefonisch hoorzitting (in strijd met de gemaakte afspraken) niet beschikbaar te zijn voor vragen van de commissie, heeft eiser ernstig inbreuk gemaakt op de goede procesorde.

4.3

De rechtbank stelt voorop dat het blijkens de parlementaire geschiedenis aan het bestuursorgaan (of, zoals in dit geval, de bezwaarschriftencommissie) is overgelaten om te beslissen of stukken die buiten de in artikel 7:4 Awb genoemde termijn zijn ingediend nog worden meegewogen, waarbij de eisen van een goede procesorde van doorslaggevend belang zijn. Blijkens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het daarbij echter wel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat enige belanghebbende, de commissie of het bestuursorgaan door de termijnoverschrijding is benadeeld (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 28 mei 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE4906). Daarbij is ook van belang dat in bezwaar in beginsel dient te worden beslist met inachtneming van alle op dat moment bekende relevante feiten en omstandigheden, zodat niet te snel moet worden aangenomen dat de eisen van een goede procesorde zich er tegen verzetten dat op een te laat ingediend stuk nog acht wordt geslagen.

4.4

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dat enige belanghebbende, de commissie of het bestuursorgaan als gevolg van de termijnoverschrijding is benadeeld, zodat de stukken buiten beschouwing moesten worden gelaten. Gesteld noch gebleken is dat verweerder niet meer in staat was om de stukken te bestuderen en hierop desgewenst een reactie te geven. Gelet op het belang van besluitvorming met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden hadden deze stukken dan ook niet zonder nadere motivering buiten beschouwing mogen worden gelaten. Nu dit wel is gebeurd, kleeft er een gebrek aan het bestreden besluit. Nu eiser in staat is geweest de bedoelde stukken in beroep in te brengen en toe te lichten, is de rechtbank echter van oordeel dat eiser door dit gebrek niet in zijn belangen is geschaad. De rechtbank zal het gebrek dan ook onder toepassing van artikel 6:22 Awb passeren. De rechtbank ziet geen aanleiding om in verband met de toepassing van dit artikel een proceskostenveroordeling uit te spreken.

5.1

Eiser heeft zich in de tweede plaats op het standpunt gesteld dat het bestaan van een gezamenlijke huishouding gedurende de periode in geding niet aannemelijk is geworden. Hij heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat hij kan niet worden gehouden aan de verklaring die hij in het tweede verhoor heeft afgelegd. Eiser is weliswaar al langere tijd in Nederland, maar omdat hij steeds als vrachtwagenchauffeur heeft gewerkt beheerst hij de Nederlandse taal nog onvoldoende. Tijdens het verhoor heeft hij ook uitdrukkelijk verzocht om een tolk. Mede gelet op de grote gevolgen die het verhoor voor eiser kon hebben, had verweerder met dit verzoek moeten instemmen. Nu dit niet is gebeurd, zijn belangrijke delen van de verklaring van eiser niet correct weergegeven. Het feit dat eiser het verslag van het verhoor heeft ondertekend doet hier niet aan af. Eiser heeft immers uitsluitend ondertekend om daarmee kenbaar te maken dat de medewerkers van verweerder hem normaal behandeld hadden, maar niet om aan te geven dat hij de inhoud van het verslag begreep en het hiermee eens was. In de tweede plaats heeft eiser aangevoerd dat het hogere waterverbruik kan worden verklaard door het feit dat een meerderjarige dochter van eiser in het weekend doorgaans bij hem verblijft. Tenslotte heeft eiser aangevoerd dat Kadirova gedurende de periode in geding een onderneming had en in haar eigen woning verbleef. Eiser heeft ter onderbouwing van deze standpunten onder meer een getuigenverklaring in het geding gebracht. In deze verklaring wordt het standpunt ingenomen dat eiseres van 1 juli 2012 tot maart 2013 in haar eigen woning heeft verbleven (die zij huurde van de getuigen), alsmede dat zij in die periode af en toe naar eiser toe ging.

5.2

Verweerder heeft allereerst aangevoerd dat er geen aanleiding is om te denken dat eiser de Nederlandse taal onvoldoende beheerste of dat er tijdens het verhoor om een tolk is gevraagd. Daarbij is van belang dat eiser al langere tijd niet meer werkzaam is als vrachtwagenchauffeur, alsmede dat uit de verklaringen die eiser heeft afgelegd zeker geen slechte taalbeheersing blijkt. Er is volgens verweerder geen enkele aanleiding om aan te nemen dat eiser de inhoud van het gespreksverslag niet heeft begrepen en dat zijn ondertekening derhalve uitsluitend ziet op de wijze waarop hij behandeld is. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat de in de verklaring genoemde feiten en omstandigheden voldoende zijn om te concluderen dat sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding.

5.3

De rechtbank stelt voorop dat een belanghebbende blijkens vaste jurisprudentie van de CRvB in beginsel mag worden gehouden aan de tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512). Een latere ontkenning of intrekking van deze verklaring heeft dan ook weinig betekenis. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerste om het gesprek te volgen, zodat zijn verklaring onjuist is weergegeven. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser oorspronkelijk zelf een bezwaarschrift heeft opgesteld, waaruit geen inadequate beheersing van de Nederlandse taal blijkt. Ook is van belang dat de verklaring gedurende het tweede verhoor gedetailleerd en consistent is, zodat de rechtbank niet aannemelijk acht dat hetgeen eiser tijdens dat verhoor verklaard heeft uitsluitend berust op een misverstand gedurende het verhoor. Tenslotte is evenmin aannemelijk geworden dat eiser op enig moment gedurende het verhoor heeft verzocht om het inschakelen van een tolk, of dat verweerder desondanks had moeten begrijpen dat het inschakelen van een tolk noodzakelijk was. Eiser ontving immers reeds sinds 2008 een bijstandsuitkering en heeft in de gesprekken met verweerder weliswaar regelmatig een kennis meegenomen, maar bij deze gesprekken is nooit gebleken dat eiser aangewezen was op de bijstand van een professionele tolk. Voorts diende eiser te begrijpen dat het ondertekenen van het gespreksverslag eveneens instemming met de inhoud daarvan impliceerde. Niet aannemelijk is geworden dat eiser met de ondertekening uitsluitend iets anders bedoelde, ook al omdat eiser zelf hier op geen moment iets over verklaard heeft. Eiser kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook volledig worden gehouden aan hetgeen hij gedurende het tweede verhoor heeft verklaard. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder op basis van deze verklaring redelijkerwijs tot de conclusie heeft kunnen komen dat er gedurende de periode in geding sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Uit deze verklaring volgt niet alleen dat Kadirova gedurende de periode in geding haar hoofdverblijf heeft gehad in de woning van eiser, maar ook dat er sprake is geweest van wederzijdse zorg. Kadirova deed immers nagenoeg het gehele huishouden van eiser, terwijl hij alles betaalde en de maaltijden bereidde. De rechtbank is tenslotte van oordeel dat het hoge waterverbruik en de informatie van Uwoon, hoewel op zichzelf onvoldoende om als doorslaggevend bewijs te dienen, steun bieden voor de conclusie dat sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Met betrekking tot het waterverbruik acht de rechtbank de alternatieve verklaring die eiser geeft, gelet op alle omstandigheden van het geval, onvoldoende aannemelijk. Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat de getuigenverklaring die eiser in het geding heeft gebracht aan het voorgaande niet kan afdoen. Deze verklaring is immers opgesteld nadat het primaire besluit is genomen en bevat geen verifieerbare informatie waaruit kan worden opgemaakt dat de door eiser afgelegde verklaringen onjuist zijn.

6. Het voorgaande maakt dat verweerder terecht heeft aangenomen dat er ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding. Door dit niet te melden heeft eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Verweerder heeft terecht besloten het recht op bijstand over de periode in geding in te trekken, nu eiser als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte bijstand heeft ontvangen als alleenstaande bijstandsgerechtigde. De beroepsgronden van eiser kunnen dientengevolge niet slagen.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. P.W. Blok, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.