Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:2867

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
285328
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsverzekering bedrijven. Dekkingsuitsluiting gemotoriseerd voertuig. Uitleg polisvoorwaarden. Beroepsaansprakelijkheid assurantietussenpersoon. Schending zorgplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/323
VR 2016/191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/285328 / HA ZA 15-363 / 354 / 167 / 115 / 1215

Vonnis van 20 april 2016

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

alsmede haar vennoten

2. [eiser 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats 2] ,

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. A.H. Blok te Veenendaal

tegen

1 de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V. ,

mede handelend onder de naam INTERPOLIS,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2] ,

advocaat mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven,

2. de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid

COÖPERATIEVE RABOBANK VALLEI EN RIJN U.A.,

statutair gevestigd te [plaats 3] en kantoorhoudende te [plaats 4] ,

advocaat mr. A.J. Stokkers te Ede,

gedaagden.

Partijen zullen hierna [eisers] , Interpolis en Rabobank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 7 oktober 2015,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 14 januari 2016,

  • -

    de akte van [eisers] ,

  • -

    de akte van Interpolis ,

  • -

    de akte van Rabobank .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] exploiteert vanuit de v.o.f. een timmerbedrijf. [eisers] heeft zich tegen (onder meer) aansprakelijkheid verzekerd bij Interpolis . De verzekeringsovereenkomst is tot stand gekomen door bemiddeling van Rabobank als assurantietussenpersoon. De daarvan opgemaakte polis is getiteld ‘Bedrijven Compact Polis MKB’. Volgens de polis d.d. 27 januari 2015 had [eisers] onder deze polis de rubrieken ‘Verkeer’, ‘Aansprakelijkheid’ en ‘Rechtsbijstand’ verzekerd. Dit wordt hierna ook de AVB-verzekering genoemd. In hoofdstuk 5 ‘Aansprakelijkheid’ is onder 9 de volgende uitsluiting opgenomen:

“9 Motorrijtuigen, luchtvaartuigen en vaartuigen

Niet verzekerd is de aansprakelijkheid van de verzekerde voor schade die door of met een motorrijtuig of luchtvaartuig is veroorzaakt, en schade die door of met een gemotoriseerd vaartuig aan zaken is veroorzaakt.

Onder een motorrijtuig verstaan wij: een motorrijtuig in de zin van artikel 1 Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM), met uitzondering van fietsen met elektrische trapondersteuning.

Deze uitsluiting is ook van toepassing in geval van de aansprakelijkheid van de verzekerde voor schade die is veroorzaakt door of met een werktuig dat is bevestigd op of aan een motorrijtuig. Hieronder is begrepen het risico voortvloeiend uit de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM), het rijrisico en/of het werkrisico. Deze verzekering geldt niet als vervanging van of aanvulling op een motorrijtuigenverzekering, een werkmaterieelverzekering of welke andere verzekering dan ook.”

2.2.

De polis en polisvoorwaarden waren gelijkluidend ten tijde van het hierna, onder rechtsoverweging 2.5 te noemen ongeval.

2.3.

Op 4 november 2011 heeft de heer [belanghebbende 1] (Specialist Verzekeren Bedrijven Advies Rabobank , hierna: [belanghebbende 1] ) [eisers] bezocht. Naar aanleiding van dit bezoek heeft [belanghebbende 1] een Verzekeringskaart MKB onderneming ingevuld en aan [eisers] gemaild. Achter de rubriek Zelfrijdend werkmaterieel is ‘nvt’ ingevuld.

2.4.

Op 16 april 2010, 11 juli 2011 en 1 maart 2012 is een Actualisatieformulier Bedrijven Compact Polis ingevuld. Hierop staan bedragen onder de kolom ‘verzekerd’ bij de onderwerpen ‘Omzet’, ‘Jaarloon incl. eigenaar’ en ‘Aantal personeelsleden’. Achter ieder van deze onderwerpen staat een kolom ‘Te verzekeren’, waarin met de hand bedragen zijn geschreven. Ten slotte staat op ieder formulier de vraag: “Zijn er veranderingen in bijvoorbeeld uw producten, uw assortiment of uw bedrijfsvoering die voor Interpolis van belang kunnen zijn? Zo ja, dan nemen wij contact met u op.” [eisers] heeft op alledrie de formulieren deze vraag met ‘nee’ beantwoord.

2.5.

Op 14 januari 2014 verrichtte de heer [Slachtoffer] (hierna: [Slachtoffer] ), op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden voor [eisers] . Omstreeks 16:45 uur heeft een ongeval plaatsgevonden, waarbij [Slachtoffer] letsel heeft opgelopen.

2.6.

De Arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW heeft de plaats van het ongeval nog diezelfde dag bezocht en een boeterapport opgesteld gedagtekend 29 augustus 2014. Onder het kopje ‘bevindingen’ vermeldt de Arbeidsinspecteur onder meer het volgende:

“Uit onderzoek en uit verklaringen is mij het volgende gebleken. Het ongeval heeft als volgt plaatsgevonden.

(…)

De heer [Slachtoffer] , het slachtoffer, die zelfstandig elektricien is, en op nacalculatie bij [eiser 1] [woonplaats 2] werkzaamheden uitvoerde, liep naar de heer [eiser 4] , directeur, en beiden hebben besproken hoe de werkzaamheden op hoogte uitgevoerd konden worden. Volgens de heer [eiser 4] hebben zowel hijzelf als de heer [Slachtoffer] besloten dat de beste manier was om in de goederenkooi te gaan staan en met de vorkheftruck omhoog gebracht te worden. De heer [werknemer] , heftruckchauffeur en in dienst van [eiser 1] [woonplaats 2] had op dat moment even niets te doen en de heer [eiser 4] gaf de heer [werknemer] de opdracht om de heer [Slachtoffer] in de goederenkooi met de lepels van de vorkheftruck omhoog te heffen. De heer [werknemer] stapte op de vorkheftruck en reed naar de goederenkooi toe. De heer [Slachtoffer] stond toen al in de goederenkooi. De goederenkooi was aan één zijde geopend. De heer [werknemer] pakte de goederenkooi op met de lepels van de vorkheftruck. De open zijde van de goederenkooi bevond zich aan de mastzijde van de vorkheftruck. De heer [werknemer] verplaatste de goederenkooi laag over de grond naar de plaats waar de houten balk was geplaatst en waartegen de kabelgoot gemonteerd moest worden. Toen hij op de plek was aangekomen hief hij de lepels met daarop de goederenkooi met de keer [Slachtoffer] omhoog. Hij zat niet helemaal op de goede plaats en reed een stukje naar achteren en naar voren met geheven last. Op het moment dat hij stopte begon de goederenkooi te glijden en viel de heer [Slachtoffer] uit de goederenkooi op de grond. De goederenkooi kwam achter hem aan en raakte hem net niet. Tijdens de val raakt de heer [Slachtoffer] een bok waar hout op lag gestapeld. De heer [Slachtoffer] kwam op de grond terecht. De ambulance heeft de heer [Slachtoffer] naar het ziekenhuis de Gelderse Vallei gebracht voor behandeling. Daar heeft de heer [Slachtoffer] enkele maanden gelegen. Op dit moment wordt de heer [Slachtoffer] behandeld in een revalidatiecentrum Klimmendaal in Arnhem. (…)”

2.7.

Bij voornoemd rapport is een verklaring van de heer [werknemer] (hierna: [werknemer] ) gevoegd (bijlage 4). [werknemer] heeft onder meer verklaard:

“Op 14 januari 2014 tussen 16:00 uur en 16:15 uur was ik bezig met de heftruck. Ik had de opdracht gekregen van [naam] om [Slachtoffer] in de werkbak met de heftruck omhoog te heffen zodat hij aan de balk die zich op 5 meter hoogte bevond kon werken.

[Slachtoffer] is in de werkbak gestapt. Ik heb de heftruck gepakt en de lepels van de heftruck onder de werkbak geplaatst. De werkbak is aan één zijde open. De opening zat aan de kant van de hefboom. Ik heb [Slachtoffer] in de werkbak opgetild met de heftruck. Ik hield de lepels nog laag op de grond en reed naar de plek waar [Slachtoffer] moest werken. (…) Ik hees hem omhoog en heb nog iets gereden om hem op de juiste plek te laten zijn. Ik reed naar achteren tot ik niet meer verder kon omdat ik bijna tegen de zaagmachine aan stond. Ik moest nog draaien zodat [Slachtoffer] beter bij de balk kon om daar elektriciteit aan te leggen. Ik draaide en stond toen stil. Toen gilde [Slachtoffer] dat het niet goed ging en hij viel uit de werkbak. Hij heeft bij de val naar beneden nog een stuk bok geraakt waar het hout op lag. Hij lag naast de heftruck en wilde gelijk opstaan. Ik zei tegen hem dat hij beter kon blijven liggen. Hij lag met zijn benen richting de heftruck met zijn hoofd richting het kantoor. (…) De werkbak is aan de onderzijde open en heeft geen sparing voor de lepels. (…)”

2.8.

De vorkheftruck waarmee het ongeval heeft plaatsgehad is een motorrijtuig in de zin van artikel 1 WAM. De vorkheftruck was niet op grond van de WAM verzekerd.

2.9.

Begin 2014 heeft de heer [specialist] (Specialist Verzekeren Bedrijven bij Rabobank , hierna: [specialist] ) [eisers] bezocht op het adres [adres 1] te [woonplaats 2] , [eisers] had op dat moment alleen nog haar kantoor op dit adres. De werkplaats van [eisers] was kort daarvoor verhuisd naar de [adres 2] te [woonplaats 2] . Het ongeval van [Slachtoffer] heeft plaatsgevonden in de werkplaats aan de [adres 2] . Na dit bezoek heeft [specialist] een Verzekeringskaart MKB Ondernemingen d.d. 18 februari 2014 ingevuld en aan [eisers] gezonden. Ook op deze verzekeringskaart staat achter ‘Zelfrijdend werkmaterieel’ ingevuld ‘nvt’.

2.10.

Bij brief van 10 september 2014 heeft [Slachtoffer] [eisers] aansprakelijk gesteld voor de door hem ten gevolge van dit ongeval geleden en nog te lijden schade.

2.11.

[eisers] heeft de onderhavige schade gemeld bij Interpolis . Bij brief van 1 oktober 2014 heeft Interpolis [eisers] het volgende bericht:

“Ik ontving op uw AVB verzekering bijgaande schademelding. Op die verzekering geldt de algemene uitsluiting dat ‘schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig’ niet is verzekerd.

Op polis 00103201146 is de betrokken heftruck niet verzekerd. Ik heb de Rabobank hierover gesproken en zij gaan, ik neem aan in overleg met u, na waar de heftruck verzekerd is. (…)”

2.12.

Bij brief van 7 januari 2015 heeft mr. Blok namens [eisers] , Rabobank aansprakelijk gesteld. Bij brief van diezelfde datum heeft mr. Blok, eveneens namens [eisers] , Interpolis laten weten zich niet te kunnen verenigen met de weigering verzekeringsdekking te verlenen.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] verzoekt de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1) te verklaren voor recht dat Interpolis op basis van de tussen partijen gesloten AVB-verzekering gehouden is tot het verlenen van dekking ten aanzien van het ongeval op 14 januari 2014;

2) Interpolis te veroordelen tot nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst, zulks in de ruimste zin van het woord en op de wijze als in letselschadezaken gebruikelijk is, zulks op straffe van een onmiddellijk en zonder verdere formaliteiten opeisbare dwangsom van € 15.000,- per dag en per gebeurtenis dat zij daarmee in gebreke zal blijven, zulks tot een maximum van € 5.000.000,-;

3) te verklaren voor recht dat Rabobank aansprakelijk is voor de schade die [eisers] heeft geleden en nog zal lijden tengevolge van het feit dat zij [eisers] niet heeft geadviseerd een werkmaterieelverzekering af te sluiten;

4) Interpolis en Rabobank hoofdelijk – des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd – te veroordelen tot de door [eisers] reeds geleden schade terzake kosten van rechtsbijstand, t/m 30 april 2015 zijnde € 7.003,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van iedere betaling, tot de dag der algehele voldoening;

5) Rabobank en Interpolis te veroordelen in de proceskosten, welke nog nader zullen worden opgegeven en subsidiair kunnen worden begroot bij staat en vereffend op grond van de wet, onder bepaling dat de wettelijke rente over de proceskosten dient te worden vergoed vanaf 14 dagen na het in dezen te wijzen vonnis indien alsdan niet tot betaling is overgegaan alsmede onder toewijzing van de nakosten ad € 131,-, te vermeerderen met een bedrag van

€ 168,- indien betekening noodzakelijk is alsmede te vermeerderen met de kosten van executie, indien executie noodzakelijk zal zijn.

3.2.

Zowel Interpolis als Rabobank voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De meest omvattende vordering van [eisers] betreft de verklaring voor recht dat Interpolis gehouden is dekking te verlenen onder de afgesloten AVB-verzekering. Eerst indien deze vordering niet toewijsbaar blijkt te zijn komt de vraag aan de orde of Rabobank aansprakelijk is wegens onjuiste advisering ten aanzien van het afsluiten van een werkmaterieelverzekering. De rechtbank zal dan ook eerst de vordering jegens Interpolis beoordelen.

Interpolis

4.2.

Kern van het geschil betreft de vraag of aan Interpolis een beroep toekomt op de in polisvoorwaarde 5.9 (vgl. rechtsoverweging 2.1) opgenomen uitsluiting met betrekking ‘schade die door of met een motorrijtuig is veroorzaakt’ en of zij op grond hiervan aan [eisers] dekking kon weigeren ten aanzien van het ongeval op 14 januari 2014.

Tussen partijen is niet in geschil dat deze polisvoorwaarde van toepassing is op de bij Interpolis afgesloten AVB-verzekering waaronder [eisers] dekking vordert.

4.3.

Het gaat hier om de uitleg van artikel 5.9 van de polisvoorwaarden, die deel uitmaken van een omvangrijk geheel van Verzekeringsvoorwaarden. Nu over dergelijke voorwaarden niet tussen partijen onderhandeld pleegt te worden (en uit de stukken van het geding geen andere conclusie getrokken kan worden dan dat niet gesteld is dat zulks in dit geval anders is), is de uitleg daarvan met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de in voorkomend geval - zoals ook hier - bij de polisvoorwaarden behorende toelichting (HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793, Chubb/Europoint).

Voorts dient tot uitgangspunt dat het een verzekeraar vrijstaat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen (vgl. HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9435). Dat brengt ook de vrijheid mee om daarbij - op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van voormelde objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is - binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten of omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht bij elkaar liggen (HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793, Chubb/Europoint).

Bij haar beoordeling neemt de rechtbank tevens tot uitgangspunt dat [eisers] werd bijgestaan en geadviseerd door Rabobank , een professionele partij waarvan het afsluiten van verzekeringen een van haar kernactiviteiten is. De kennis van de Rabobank over de uitleg van polisvoorwaarden rekent de rechtbank dan ook toe aan [eisers]

4.4.

Interpolis stelt zich op het standpunt dat de oorzaak van het ongeval op 14 januari 2014 (mede) is gelegen in de ondeugdelijke bevestiging van de goederenkooi op de lepels van de vorkheftruck. Daarmee is sprake van schade die door of met een motorrijtuig is veroorzaakt, welke schade is uitgesloten in de polisvoorwaarden van de AVB-verzekering; aldus Interpolis . De vorkheftruck als bedrijfsmiddel valt volgens Interpolis onder de reikwijdte van een werkmaterieelverzekering.

[eisers] betwist het voorgaande. Onder verwijzing naar jurisprudentie betoogt zij dat sprake is van de verwezenlijking van een bedrijfsrisico waarbij een (of meer) menselijke fout(en) het meest karakteristieke verwijt c.q. de meest kenmerkende factor zijn geweest. De vorkheftruck fungeerde als steiger en werd daarmee – met toestemming van het slachtoffer – oneigenlijk gebruikt. Ten slotte heeft [eisers] met het afsluiten van de AVB-verzekering beoogd alle aansprakelijkheidsrisico’s af te dekken waarmee hij als ondernemer zou kunnen worden geconfronteerd.

4.5.

De letterlijke tekst van de polisvoorwaarde ‘door of met een motorrijtuig’ is objectief gezien wellicht duidelijk maar levert onduidelijkheid op in de onderhavige casus, waarbij tussen partijen in geschil is wat de doorslaggevende factor is geweest voor het ontstaan van het ongeval. De objectieve uitleg van deze voorwaarde zou ertoe leiden dat alle schades waarbij een motorrijtuig op enigerlei wijze betrokken is, ook als diens betrokkenheid minimaal is, leidt tot ontzegging van verzekeringsdekking. Naast de objectieve uitleg is ook de context met de overige bepalingen in de verzekeringsvoorwaarden van belang. Deze is naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand duidelijk. Zo is op het voorblad van de verzekering, waarop de verschillende te verzekeren rubrieken staan vermeld, het bestaan van de werkmaterieelverzekering niet inzichtelijk. Hieruit had [eisers] in ieder geval niet kunnen afleiden dat zij geen verzekering had die schade dekte die te relateren is aan het gebruik van een vorkheftruck.

Van de zijde van Rabobank is echter ter zitting verklaard dat indien zij de aanwezigheid van de vorkheftruck hadden opgemerkt of hadden geweten dat [eisers] in het bezit was van een vorkheftruck, zij een WAM-verzekering en/of een werkmaterieelverzekering zouden hebben geadviseerd. Daaruit concludeert de rechtbank dat de Rabobank ermee bekend was dat een vorkheftruck niet verzekerd was onder de afgesloten AVB-verzekering. Deze bekendheid van de Rabobank blijkt eveneens uit de door haar gehanteerde Verzekeringskaart MKB ondernemingen. Hierop is een apart punt opgenomen voor werkmaterieel. Zoals in het voorgaande voorop is gesteld, rekent de rechtbank deze kennis van de Rabobank toe aan [eisers]

De vraag wat in deze de doorslaggevende factor is geweest voor het ontstaan van het ongeval – een beweging van de vorkheftruck of een menselijke fout – kan in het midden blijven. Tussen partijen is niet in geschil dat de vorkheftruck bij het ongeval is betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank valt deze betrokkenheid – ongeacht de vraag of de vorkheftruck de doorslaggevende factor is geweest bij het ontstaan van het ongeval – onder de polisuitsluiting ‘schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig’.

Gelet op de objectieve uitleg van de polisvoorwaarde in samenhang met de context met de overige bepalingen en de kennis over deze polisvoorwaarde bij de Rabobank , welke kennis de rechtbank mede toerekent aan [eisers] , is de onderhavige schade uitgesloten in artikel 5.9 van de polisvoorwaarden. Daarmee komt Interpolis een beroep toe op deze uitsluitingsgrond.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering tot het afgeven van verklaring voor recht dat Interpolis gehouden is dekking te verlenen onder de afgesloten AVB-verzekering zal worden afgewezen. Daarmee wordt ook de vordering tot nakoming van Interpolis van de verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst afgewezen.

4.7.

Vervolgens vordert [eisers] de (hoofdelijke) veroordeling van Interpolis tot betaling van de integrale kosten van rechtsbijstand, alsmede tot betaling van de proceskosten. Nu de vorderingen van [eisers] jegens Interpolis worden afgewezen, zal ook deze vordering worden afgewezen.

4.8.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eisers] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van Interpolis . De kosten aan zijde van Interpolis zullen worden begroot op:

- griffierecht € 1.909,00

- salaris advocaat € 1.130,00 (2 ½ punt tarief II)

Totaal € 3.039,00

Ook de gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna onder ‘De beslissing’ vermeld.

Rabobank

4.9.

Nu de vordering tot het verlenen van verzekeringsdekking onder de afgesloten AVB-verzekering jegens Interpolis niet zal worden toegewezen, komt de vraag aan de orde of Rabobank aansprakelijk is wegens onjuiste advisering ten aanzien van het afsluiten van een werkmaterieelverzekering.

4.10.

De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop.

Een assurantietussenpersoon dient de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend tussenpersoon mag worden verwacht. De Hoge Raad heeft in een arrest van 10 januari 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF0122) aangegeven wat daaronder dient te worden verstaan:

“Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat – kort gezegd – de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Dit brengt mee dat hij erop toeziet dat door of namens de verzekeringnemer aan de verzekeraar tijdig alle mededelingen worden gedaan waarvan hij, als redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon, behoort te begrijpen dat die de verzekeraar ervan zullen (kunnen) weerhouden om (…) een beroep te doen op het vervallen van het recht op schadevergoeding wegens de niet-nakoming van de in de polisvoorwaarden opgenomen mededelingsplicht ter zake van risicoverzwarende omstandigheden. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn. Bij dit laatste geldt dat indien de tussenpersoon met betrekking tot een hem bekende omstandigheid die mogelijk tot een beroep op risicoverzwaring aanleiding kan geven, niet over voldoende gegevens beschikt of niet ervan mag uitgaan dat de gegevens waarover hij beschikt nog volledig en juist zijn, hij daarnaar bij zijn cliënt dient te informeren.”

4.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eisers] gedurende langere tijd haar verzekeringsportefeuille liet beheren door Rabobank , alsmede haar verzekeringen door tussenkomst van de Rabobank afsloot. Deze samenwerking dateert in elk geval al vanaf 2011. In die periode is Rabobank in elk geval op 4 november 2011 (de heer [belanghebbende 1] ) en begin 2014 (de heer [specialist] ) op bezoek geweest bij het bedrijf, althans het kantoor, van [eisers]

Door [eisers] is onweersproken gesteld dat zij sinds het bestaan van haar bedrijf beschikt over twee vorkheftrucks die altijd op het bedrijf aanwezig zijn. Rabobank heeft verklaard deze vorkheftrucks tijdens de bezoeken niet te hebben waargenomen en ook niet op de hoogte te zijn geweest van de aanwezigheid hiervan. Zou zij wel op de hoogte zijn geweest van de aanwezigheid van de vorkheftrucks dat zou zij een WAM- of werkmaterieelverzekering hebben geadviseerd.

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank had Rabobank als assurantietussenpersoon redelijkerwijs ermee bekend behoren te zijn dat [eisers] twee vorkheftrucks gebruikte op haar bedrijfsterrein. Bij een rondgang op het bedrijf van [eisers] , hetgeen van een redelijk handelend en bekwaam assurantietussenpersoon verwacht mag worden, gelet ook op de aard en de omvang van het bedrijf van [eisers] , zou de aanwezigheid van de vorkheftrucks zichtbaar moeten zijn geweest. Ter zitting is aan de zijde van [eisers] verklaard dat tijdens het bezoek van de heer [specialist] begin 2014 de werkplaats reeds was verhuisd en het kantoor niet. De afspraak vond plaats op de kantoorlocatie, [specialist] heeft de werkplaats niet bezocht. Dit is een omstandigheid die voor rekening en risico van Rabobank dient te komen. Van een redelijk handelend en bekwaam assurantietussenpersoon mag verwacht worden dat zij zich op de hoogte stelt van het bedrijf. In het geval van [eisers] behoort daartoe zeker ook de werkplaats, nu daar de kern van haar activiteiten plaatsvindt. Het had dan ook van [specialist] verwacht mogen worden dat hij ook de werkplaats bezocht zou hebben.

Weliswaar heeft Rabobank gesteld dat zij gewoonlijk aan haar verzekerden vraagt of zij werkmaterieel heeft, maar gesteld noch gebleken is dat zij dit specifiek ook aan [eisers] heeft gevraagd. Bovendien sluit de rechtbank de mogelijkheid niet uit dat [eisers] , als niet-deskundig op het gebied van verzekeringen, niet heeft begrepen dat een vorkheftruck onder de term werkmaterieel valt.

4.13.

De omstandigheid dat [eisers] niet zelf, op eigen initiatief, aan Rabobank heeft medegedeeld over een vorkheftruck te beschikken, doet aan de aansprakelijkheid van Rabobank niet af. De taak en zorgplicht van Rabobank als assurantietussenpersoon houden nu juist in dat zij dient te waken voor de belangen van [eisers] en dat zij zich in dat verband ervan vergewist dat [eisers] de nodige informatie verstrekt en, indien zij niet over voldoende gegevens beschikt of niet ervan mag uitgaan dat de gegevens waarover zij beschikt nog volledig of juist zijn, zij daarnaar bij [eisers] informeert.

4.14.

Voor zover Rabobank betoogt dat zij de Verzekeringskaart MKB ondernemingen na een bezoek ter controle naar [eisers] heeft gestuurd, alsmede dat de vorkheftruck niet op het polisblad vermeld staat, zodat [eisers] zelf had kunnen constateren dat haar vorkheftruck niet verzekerd was, oordeelt de rechtbank als volgt.

Op het eerste gezicht is op de polis niet zichtbaar dat de vorkheftruck niet verzekerd is, nu het voorblad van de polis de nodige interpretatie behoeft (vgl. ook rechtsoverweging 4.5). Hieruit valt naar het oordeel van de rechtbank niet op te maken dat voor een vorkheftruck waarmee niet aan het verkeer wordt deelgenomen een afzonderlijke werkmateriaalverzekering dient te worden afgesloten.

4.15.

De slotsom van het voorgaande is dat Rabobank is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eisers]

Nu gesteld noch gebleken is dat [eisers] de werkmaterieelverzekering niet zou hebben afgesloten indien dit door Rabobank zou zijn geadviseerd en evenmin is gesteld dat Interpolis niet bereid zou zijn geweest dekking te bieden voor het te verzekeren risico, staat daarmee het causaal verband vast tussen de tekortkoming en de door [eisers] geleden schade (welke schade zou zijn gedekt onder een werkmaterieelverzekering).

4.16.

De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht dat Rabobank aansprakelijk is voor de schade die [eisers] heeft geleden en nog zal lijden tengevolge van het feit dat zij [eisers] niet heeft geadviseerd een werkmaterieelverzekering af te sluiten dan ook toewijzen.

4.17.

Vervolgens vordert [eisers] de (hoofdelijke) veroordeling van Rabobank tot betaling van de integrale kosten van rechtsbijstand, alsmede tot betaling van de volledige proceskosten.

Ingevolge artikel 241 Rv kan ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals verrichtingen ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 6:96 lid 2 BW worden toegekend, maar zijn alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing. De regeling van de artikel 237-240 Rv derogeert ingevolge artikel 6:96 lid 3 BW in verbinding met artikel 241 Rv aan artikel 6:96 lid 2 BW; zij derogeert eveneens aan het uitgangspunt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, volledig te vergoeden (HR 17 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600).

Hoewel de door [eisers] voorgestane veroordeling niet onmogelijk is (de rechter is immers niet gehouden om het liquidatietarief toe te passen), komt een vordering daartoe slechts voor toewijzing in aanmerking in geval de aangesproken partij misbruik van recht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure aan te vangen. Bij het aannemen daarvan past evenwel terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en HR 6 april 2012, ECLI: NL:HR:2012:BV7828).

Nu [eisers] niet aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat sprake is van misbruik van bevoegdheid of dat (ook) het procederen zelf als een onrechtmatige daad van Rabobank moet worden aangemerkt, brengt het bovenstaande mee dat de kosten van juridische bijstand voor procedures [eisers] tegen Rabobank heeft moeten voeren, slechts ten laste van Rabobank kunnen worden gebracht binnen de grenzen van de artikelen 237-240 Rv en aan de hand van het (forfaitaire) liquidatietarief.

4.18.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Rabobank worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan zijde van [eisers] worden begroot op:

- griffierecht € 1.909,00

- salaris advocaat € 1.130,00 (2 ½ punt tarief II)

Totaal € 3.039,00

De wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

ten aanzien van Interpolis :

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van Interpolis tot op heden begroot op € 3.039,00;

5.3.

veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart dit vonnis voorzover het voornoemde de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

ten aanzien van Rabobank :

5.5.

verklaart voor recht dat Rabobank aansprakelijk is voor de schade die [eisers] heeft geleden en nog zal lijden tengevolge van het feit dat zij [eisers] niet heeft geadviseerd een werkmaterieelverzekering af te sluiten;

5.6.

veroordeelt Rabobank in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 3.039,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.7.

veroordeelt Rabobank in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Rabobank niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.8.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Engberts, mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2016.

coll.: ECZ