Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:2738

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
05/240603-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een werkstraf van 80 uren waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor een 65-jarige man ter zake van diefstal. De rechtbank acht bewezen dat de man van zijn zoon heeft gestolen, door ten behoeve van zichzelf, maar op naam van zijn zoon en door vervalsing van diens handtekening een lening af te sluiten bij de bank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/240603-14

Datum uitspraak : 23 mei 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats]

Raadsman: mr. O.J. Ingwersen, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting

van 29 september 2015 (PR) en 9 mei 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij in of omstreeks de periode van 25 juni 2013 tot en met 29 april 2014, in de gemeente Arnhem, meermalen, in elk geval eenmaal (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening vanaf een of meer op naam van [slachtoffer 1] gestelde bankrekening(en) heeft weggenomen een of meer bedrag(en) aan geld (tot een totaalbedrag van ongeveer 18.334,74, Euro in elk geval enig bedrag aan geld), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs telkens heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) telkens onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 25 juni 2013 tot en met 29 april 2014, in de gemeente Arnhem, meermalen, in elk geval eenmaal (telkens) opzettelijk een of meer bedrag(en)

aan geld (tot een totaalbedrag van ongeveer 18.334,74, Euro, in elk geval 6.779,00, Euro, in elk geval enig bedrag aan geld) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten als berhartiger van de financiën van die [slachtoffer 1] en/of als ten onrechte/abuis op zijn, verdachtes rekening gestort/overgeschreven,

onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het navolgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de periode van 25 juni 2013 tot en met 29 april 2014 heeft verdachte de beschikking gehad over de volgende op naam van zijn zoon, [slachtoffer 1] , staande bankrekeningen:

 ING: [nummer 1]2

 SNS: [nummer 2]3

In de periode van 4 januari 2014 tot en met 13 mei 2014 zijn van een op naam van [slachtoffer 1] staande ABN Amro bankrekeningnummer, te weten [nummer 3] , bedragen overgeschreven naar de bankrekening van verdachte4.

Verdachte heeft ten behoeve van zichzelf, maar op naam van zijn zoon [slachtoffer 1] een tweetal leningen bij ING afgesloten ten bedrage van respectievelijk € 4.500,00 op 18 januari 20125 en € 5.000,00 op 1 november 20136.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde tot aan een bedrag van

€ 4.351,75.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken nu niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van wedererechtelijke toe-eigening door verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

Het eerste verwijt dat verdachte volgens de tenlastelegging wordt gemaakt is “diefstal door middel van een valse sleutel”. In het geval van giraal verkeer, zoals in deze zaak, komt dat er op neer dat verdachte verweten wordt dat hij met een pinpas en pincode die niet van hem waren, geld zou hebben gestolen van bankrekeningen van zijn zoon.

Van de drie onder “De feiten” genoemde bankrekeningnummers en van de twee leningen zal de rechtbank afzonderlijk beoordelen of hiervan sprake is.

SNS-rekening

Over de op naam van [slachtoffer 1] staande bankrekening bij SNS heeft verdachte verklaard dat hij op deze rekening ongeveer driekwart jaar zijn eigen salaris heeft laten bijschrijven en van deze rekening zijn vaste lasten heeft laten afschrijven7. De reden hiervoor was dat verdachte van zijn eigen bankrekeningnummer geen betalingen meer kon doen8. Deze verklaring wordt bevestigd door [slachtoffer 1] die heeft verklaard dat hij toestemming had gegeven aan zijn vader om deze bankrekening te gebruiken9. Op deze SNS-bankrekening stond geen geld van [slachtoffer 1]10. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank genoegzaam aannemelijk geworden dat deze bankrekening - met toestemming van [slachtoffer 1] - feitelijk werd gebruikt door verdachte.

Dat verdachte van deze bankrekening geld heeft gestolen oordeelt de rechtbank dan ook niet bewezen, omdat het geld dat op deze rekening werd gestort van verdachte was en niet van zijn zoon.

ABN-rekening

Ten aanzien van de aangifte van [slachtoffer 1] voor zover deze betrekking heeft op het ABN Amro bankrekeningnummer [nummer 3] overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft ontkend dat hij door middel van een bankpas dan wel anderszins de beschikking had over deze bankrekening en hij weet niet wie deze bedragen heeft overgeboekt naar zijn bankrekening.

Op het overzicht met pintransacties heeft [slachtoffer 1] aangegeven welke pintransacties hij niet zelf heeft uitgevoerd en welke dus door iemand anders moeten zijn uitgevoerd. De rechtbank overweegt dat uit het overzicht niet valt af te leiden wie dat dan is geweest. Evenmin valt dit te herleiden uit andere bewijsmiddelen.

De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat verdachte deze bedragen heeft gestolen.

ING-rekening

De eerste lening van € 4.500,00 bij de ING is op 18 januari 2012 met toestemming van [slachtoffer 1]11 op zijn naam afgesloten ten behoeve van verdachte. Allereerst overweegt de rechtbank dat de afsluiting van deze lening buiten de ten laste gelegde periode valt. Alleen al om die reden kan deze lening naar het oordeel van de rechtbank niet bijdragen aan een bewezenverklaring. Bovendien overweegt de rechtbank dat - gelet op de gegeven toestemming en de gemaakte terugbetalingsafspraken - niet bewezen kan worden dat sprake is van diefstal.

Van de latere lening van € 5.000,00 bij de ING heeft verdachte verklaard dat hij deze lening op 1 november 2013 stiekem op naam van [slachtoffer 1] heeft afgesloten. Hij heeft dit gedaan, zonder dat [slachtoffer 1] dat wist, met behulp van een kopie van het rijbewijs van [slachtoffer 1] die verdachte nog in de kast had liggen en daarbij heeft verdachte ook nog de handtekening van [slachtoffer 1] nagemaakt12. Verdachte heeft voorts toegegeven dat hij na de storting van deze lening op de voornoemde ING bankrekening van [slachtoffer 1] tot een totaalbedrag van € 5.000,00 van deze rekening heeft gepind13.

Van deze lening wist [slachtoffer 1] niets af en ook zijn er over deze lening geen terugbetalingsafspraken gemaakt.

Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de overtuiging dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van € 5.000,00. Hierbij heeft hij ook gebruik gemaakt van de pinpas van zijn zoon [slachtoffer 1] , dus een valse sleutel.

Ten aanzien van de andere pintransacties van deze rekening waarvan [slachtoffer 1] zegt dat dit geld ook gestolen zou zijn, is niet duidelijk wie dat geld dan gepind zou hebben. De rechtbank spreekt verdachte daarom ook daarvan vrij.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in of omstreeks de periode van 25 juni 2013 tot en met 29 april 2014, in de gemeente Arnhem, meermalen, in elk geval eenmaal (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening vanaf een of meer op naam van [slachtoffer 1] gestelde

bankrekening(en) heeft weggenomen een of meer bedrag(en) aan geld (tot een

totaalbedrag van ongeveer 18.334,74, 5.000,00 Euro in elk geval enig bedrag aan geld),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich

de toegang tot de plaats des misdrijfs telkens heeft verschaft en/of de/het

weg te nemen goed(eren) telkens onder zijn bereik heeft gebracht door middel

van een valse sleutel.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 100 uren werkstraf, te vervangen door 50 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht er rekening mee te houden dat deze strafzaak al heel lang loopt, betrekking heeft op familieverhoudingen en dat verdachte hevig geëmotioneerd is door de aangifte door zijn zoon. Daarnaast is verdachtes gezondheid slecht en heeft hij ondanks zijn leeftijd een blanco strafblad. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft de verdediging bepleit verdachte bij een bewezenverklaring schuldig te verklaren zonder oplegging van straf, zoals bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 26 maart 2016;

- twee voorlichtingsadviezen van Reclassering Nederland, gedateerd 29 december 2014 en 20 januari 2016.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting het navolgende in het bijzonder in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van zijn zoon door ten behoeve van zichzelf, maar op naam van zijn zoon en door vervalsing van diens handtekening een lening af te sluiten bij de bank. Verdachte heeft aldus als vader en beheerder van de financiën van zoon misbruik gemaakt van het vertrouwen dat [slachtoffer 1] in hem moet kunnen hebben. Anderzijds neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte alleen de zorg had over zijn drie kinderen en in een moeilijke financiële situatie verkeerde. Hij hoopte door deze lening uit de schulden te komen.

De reclassering heeft in haar rapport van 29 december 2014 hieromtrent overwogen:

Betrokkene is emotioneel jarenlang overbelast geweest en heeft de zorg voor drie opgroeiende kinderen gehad na de scheiding met zijn vrouw. Lichamelijk en geestelijk heeft hem dit uit zijn evenwicht gebracht. Hij heeft nu de juiste hulp ingeschakeld waardoor de kans op herhaling laag lijkt te zijn.

De rechtbank zal met deze bevindingen in het voordeel van verdachte rekening houden.

Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat de inhoudelijke behandeling van deze voor verdachte zeer emotionele strafzaak lang op zich heeft laten wachten en steeds boven zijn hoofd heeft gehangen. De gezondheid van verdachte is hard achteruit gegaan en verdachte heeft laten merken spijt te hebben van zijn handelwijze.

De rechtbank vindt in vorenstaande feiten en omstandigheden redenen om verdachte een deels onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen van kortere duur dan door de officier van justitie is geëist.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 18.803,31 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe te wijzen tot het bedrag van € € 4.351,75 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade, waarbij tevens de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd tot het totaal van dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 56 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] , nu de stellingen omtrent de gevorderde bedragen uiteen lopen, te complex is voor een behandeling in de strafprocedure, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de ING heeft bevestigd dat de door toedoen van verdachte ontstane schuld ad € 5.000,- wordt kwijt gescholden aan [slachtoffer 1] , indien verdachte aan dit feit wordt schuldig bevonden. Nu verdachte daadwerkelijk schuldig is bevonden aan dit feit, zal [slachtoffer 1] deze schuld niet meer hebben bij de ING. Naar het oordeel van de rechtbank dient de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij de gestelde immateriële schade onvoldoende heeft onderbouwd.

Nu nader onderzoek naar de overgebleven financiële schade die [slachtoffer 1] heeft geleden een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, zal de benadeelde partij ( [slachtoffer 1] ) voor de gehele vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan derhalve zijn vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 141, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

een werkstraf gedurende 80 ( tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de werkstraf groot 50 (vijftig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Bijl (voorzitter), mr. P.C. Quak en mr. C.E.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 mei 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0780-2014058758, gesloten op 17 november 29014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] p. 6; de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 mei 2016.

3 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] p. 12; de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 mei 2016

4 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] p. 12-13; schriftelijke bescheiden inhoudende bij- en afschrijvingen van bankrekeningnummer [nummer 3]

5 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] p. 6; het schriftelijk bescheid inhoudende een contract persoonlijke lening p. 28; de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 mei 2016

6 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] p. 6; het schriftelijk bescheid inhoudende een contract persoonlijke lening, pag. 9; schriftelijk bescheid d.d. 24-6-2014, pag. 15; de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 mei 2016

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 20.

8 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 mei 2016.

9 Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] p. 12.

10 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 mei 2016.

11 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] p. 6; de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 mei 2016

12 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 mei 2016; een schriftelijke bescheid inhoudende een schuldbekentenis p. 15; een schriftelijk bescheid inhoudende een contract d.d. 1 november 2013 met handtekening p. 9-10.

13 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 mei 2016.