Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:2733

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
15-07-2019
Zaaknummer
AWB - 15 _ 7256
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Overdrachtsbelasting. Tarief. Is de grond bij de woonark van belastingplichtige een aanhorigheid? Daarvoor is van belang of de woonark roerend of onroerend is. Een zaak die blijkens zijn constructie bestemd is om te drijven en ook feitelijk drijft, is in het algemeen roerend. Voor drijvende woningen moet worden aangesloten bij artikel 3:3 van het Burgerlijk Wetboek. Een gebouw of werk is slechts dan duurzaam met de grond verenigd indien het, mede gelet op de bedoeling van degene door wie of in wiens opdracht het tot stand is gebracht, naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, en dit ook naar buiten kenbaar is. De rechtbank stelt de belastingplichtige in de gelegenheid de feiten (eventueel met foto’s) nader toe te lichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2019/1973
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/7256

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 mei 2016

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Eiser en zijn echtgenote hebben op 14 augustus 2015 op aangifte € 3.720 aan overdrachtsbelasting voldaan.

Eiser heeft daartegen op 17 juli 2015 bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 november 2015 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 30 november 2015, ontvangen door de rechtbank op
1 december 2015, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is eigenaar en gebruiker van een woonark gelegen aan [A-straat 1] te [Z] (hierna: de woonark). De woonark is verbonden met de grond door middel van zware metalen beugels die vastzitten aan palen die tien meter de grond in zijn geheid en door middel van twee loopbruggen. De woonark is aangesloten op de gemeentelijke riolering en op nutsvoorzieningen (water, elektriciteit, gas en glasvezelkabel).

2. Eiser en zijn echtgenote hebben een perceel grond gekocht nabij de woonark. De koopprijs bedraagt € 62.000. De levering heeft plaatsgevonden op 16 juli 2015. De notaris heeft in de akte van levering rekening gehouden met 6% overdrachtsbelasting.

Geschil

3. In geschil is of eiser in verband met de aankoop van het perceel grond 2 dan wel 6% overdrachtsbelasting verschuldigd is. Daarbij is van belang of de woonark een onroerende zaak is.

Beoordeling van het geschil

Vooraf

4. Voordat toegekomen wordt aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak, ziet de rechtbank aanleiding in te gaan op het feit dat alleen uitspraak op bezwaar is gedaan ten aanzien van eiser. Gelet op het bepaalde in artikel 24a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt per belastingplichtige bezwaar gemaakt. In dit geval is sprake van twee belastingplichtigen, aangezien zowel eiser als zijn echtgenote de onverdeelde helft van het perceel grond geleverd heeft gekregen. Gelet op de bedragen die eiser heeft genoemd in het bezwaarschrift, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser mede namens zijn echtgenote bezwaar heeft gemaakt. Als gevolg hiervan moet ook per belastingplichtige uitspraak op bezwaar worden gedaan. Artikel 25, vierde lid, van de AWR, waarin de mogelijkheid is opgenomen om in één geschrift uitspraak op bezwaar te doen, ziet uitsluitend op het geval dat één belastingplichtige bezwaar maakt tegen verschillende belastingaanslagen of voor bezwaar vatbare beschikkingen. Verweerder had het bezwaar moeten aanmerken als twee afzonderlijke bezwaren en had vervolgens voor eiser en zijn echtgenote afzonderlijk uitspraak op bezwaar moeten doen. Dit heeft voor de onderhavige procedure geen gevolgen, nu eiser opkomt tegen de uitspraak die op zijn bezwaar is gedaan. In zoverre kan dus in deze procedure daaraan voorbijgegaan worden. Wel betekent dit dat verweerder nog uitspraak dient te doen op het bezwaar van de echtgenote.

5. Ingevolge artikel 22j van de AWR, voor zover hier van belang, vangt - in afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) - de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van de voldoening. Aangezien de betaling pas op 14 augustus 2015 heeft plaatsgevonden, betekent dit dat de bezwaartermijn is aangevangen op 15 augustus 2015. Nu eiser al op 17 juli 2015 bezwaar heeft gemaakt, is sprake van een voortijdig ingediend bezwaarschrift. Op grond van artikel 6:10 van de Awb dient een voortijdig ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard, tenzij (voor zover hier van belang) het besluit ten tijde van de indiening nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener rederlijkwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Op 16 juli 2015 is de akte van levering gepasseerd. Op dat moment heeft de verkrijging plaatsgevonden ter zake waarvan eiser overdrachtsbelasting verschuldigd was. Hij had het geld ook al aan de notaris overgemaakt en mocht er naar het oordeel van de rechtbank van uitgaan dat deze het geld op de kortst mogelijke termijn zou overmaken aan de Belastingdienst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser na het passeren van de akte van levering redelijkerwijs kon menen dat voldaan was aan de voorwaarden voor het maken van bezwaar. Dat eiser bij brief van 10 augustus 2015 (dus ruim na het indienen van het bezwaar) door verweerder werd ingelicht over het feit dat nog niet was betaald maakt dit niet achteraf, met terugwerkende kracht, anders. Getoetst moet immers worden of eiser op het moment dat hij bezwaar maakte (17 juli 2015) kon menen dat aan de voorwaarden voor het maken van bezwaar was voldaan. Een extra argument om eiser niet tegen te werpen dat hij niet op het juiste moment bezwaar heeft gemaakt ziet de rechtbank bovendien in het feit dat verweerder op 15 september 2015 aan eiser heeft bericht dat er inmiddels was betaald en dat het bezwaarschrift in behandeling zou worden genomen. Op dat moment liep de bezwaartermijn nog. Eiser mocht vertrouwen op de juistheid van de informatie van verweerder, dat het bezwaarschrift in behandeling kon worden genomen en hoefde dan ook geen aanleiding te zien (zekerheidshalve) opnieuw bezwaar te maken. Dit betekent dat in de gegeven omstandigheden niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven.

Inhoudelijk

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn woonark moet worden aangemerkt als een onroerende zaak, omdat deze duurzaam is verenigd met de grond in de zin van artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Nu het perceel grond direct voor de woonark ligt, behoort dit bij de woonark. De woonark is een woning en om die reden is het tarief van 2% dat geldt voor woningen ook op de levering van dit perceel grond van toepassing, aldus eiser. Verweerder betwist dat de woonark onroerend is. In het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat de woonark onroerend is, is niet in geschil dat sprake is van een aanhorigheid die tot de woonark behoort en dat het tarief van 2% van toepassing is.

7. Eiser verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 9 maart 2012, naar de rechtbank begrijpt het arrest met zaaknummer 11/01761, ECLI: NL:HR:2012:BV8198, en de beantwoording van vragen van de Tweede Kamerleden Bashir en Paulus Jansen aan de staatssecretaris van Financiën (vragen van 15 maart 2012, antwoorden van 10 april 2012, Aanhangsel van de Handelingen, Kamerstukken II, 2011-2012, nr. 2151). Anders dan eiser stelt, heeft de Hoge Raad niet in het arrest van 9 maart 2012 met zoveel woorden gezegd dat een waterwoning die is verbonden met de oever op een dusdanige wijze dat sprake is van duurzame vereniging met die grond, een onroerende zaak is op grond van artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dit is een weergave door de staatssecretaris, die is gebaseerd op de verwijzing door de Hoge Raad in het arrest van 9 maart 2012 naar het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 2010, ECLI: NL:HR:2010:BK9136. Waar eiser aanvoert dat sprake is van voortschrijdend inzicht tussen 2010 en 2012 is dat dus niet geheel juist; de Hoge Raad verwijst zelf in 2012 naar zijn arrest uit 2010. Hetgeen daarin is overwogen en beslist geldt dus nog steeds, althans in ieder geval nog in 2012. De marina die in het arrest uit 2012 onderwerp van geschil was, werd in de omstandigheden die daar van toepassing waren als roerend beschouwd.

8. Het weergegeven criterium is inhoudelijk juist weergegeven door eiser. De combinatie van de twee arresten uit 2010 en 2012 leidt tot de conclusie dat een zaak die blijkens zijn constructie bestemd is om te drijven en ook feitelijk drijft, in het algemeen een roerende zaak is. Wel wordt ook voor drijvende woningen het onderscheid tussen roerende en onroerende zaken beheerst door artikel 3:3 van het BW. In de zin van artikel 3:3, eerste lid van het BW is een gebouw of werk slechts dan duurzaam met de grond verenigd indien het, mede gelet op de bedoeling van degene door wie of in wiens opdracht het tot stand is gebracht, naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, en dit ook naar buiten kenbaar is uit bijzonderheden van aard en inrichting van dat gebouw of werk (vergelijk Hoge Raad 6 juni 2003, ECLI: NL:HR:2003:AD3578, en Hoge Raad 13 mei 2005, ECLI: NL:HR:2005:AT5475).

9. Aan de hand van de feiten in het concrete geval dient daarom te worden beoordeeld of sprake is van een duurzame vereniging van de woonark met de oever. De door eiser aangevoerde feiten zijn de volgende. De woonark drijft op een betonnen casco en kan daardoor niet varen. Hij kan in theorie worden versleept, maar dit dient geen enkel doel. De woonark is met stalen drijvers (c.q. beugels aan palen), loopbruggen, een rioleringsbuis, elektriciteitskabels, gasleiding en glasvezelkabel met de oevergrond verbonden. De woonark is officieel opgenomen in het woningbestand van de gemeente.

10. In het arrest van 9 maart 2012 was sprake van een marina met een diepgang van ongeveer anderhalve meter en een houten opbouw. De marina grenst aan twee zijden aan de wal. Het drijflichaam is aan twee palen bevestigd met twee dubbele beugels die langs de palen vrij op en neer kunnen bewegen met de waterstand. De beugels zijn met bouten aan het drijflichaam bevestigd. De palen zijn ongeveer 15 meter lang en 7 meter in de grond gedreven. De voorzieningen voor elektriciteit, telefoon, water, gas en riool zijn met flexibele verbindingen en snelkoppelingen aangesloten aan de vaste aansluitingen aan de wal. Die omstandigheden werden door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch onvoldoende geacht om te concluderen dat sprake was van een onroerende zaak. De Hoge Raad heeft dat oordeel in stand gelaten.

11. Naar het oordeel van de rechtbank vertoont de onderhavige zaak grote overeenkomsten met de marina uit het arrest van 9 maart 2012, maar zijn er in dit geval meer relevante omstandigheden gesteld dan in die procedure. De gestelde (extra) omstandigheden zouden ook kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een onroerende zaak. Daarvoor is met name nog van belang op welke wijze de nutsvoorzieningen op de woonark van eiser zijn aangesloten en de vraag op welke wijze de loopbruggen zijn verbonden (hoe zien deze eruit, zijn deze eenvoudig te verwijderen/verplaatsen?). Anders dan verweerder acht de rechtbank die loopbruggen wel degelijk relevant, omdat deze mede bepalen hoe de woonark naar buiten toe wordt gepresenteerd. De rechtbank concludeert dan ook dat zij bij nader inzien onvoldoende informatie heeft om de zaak te kunnen afdoen. Bij de huidige stand van zaken zou geconcludeerd kunnen worden dat verweerder de uitspraak op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd door niet op de feitelijke omstandigheden van eiser in te gaan, maar het gevolg daarvan zou ten hoogste kunnen zijn dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de zaak wordt teruggewezen naar verweerder. Nu artikel 8:41a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief beslecht, zal de rechtbank het onderzoek heropenen en eiser in de gelegenheid stellen zijn stellingen op dit punt nader schriftelijk toe te lichten (eventueel met foto’s). Verweerder zal in de gelegenheid worden gesteld hierop nader te reageren. Partijen kunnen vervolgens te kennen geven of zij alsnog een mondelinge behandeling wensen of instemmen met afdoening van de zaak zonder zitting.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    heropent het onderzoek;

  • -

    stelt eiser in de gelegenheid binnen vier weken de situatie rondom de aansluiting van zijn woonark op nutsvoorzieningen en de wijze van bevestiging van de loopbruggen (bij voorkeur met foto’s) nader schriftelijk toe te lichten;

  • -

    bepaalt dat verweerder in de gelegenheid zal worden gesteld hierop schriftelijk te reageren.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M. van Leeuwen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 24 mei 2016

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: