Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:2655

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-05-2016
Datum publicatie
19-05-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3156
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij aanslagregeling IB/PVV 2010 en 2011 heeft verweerder ook bewijsstukken opgevraagd met betrekking tot de uitgaven voor specifieke zorgkosten in 2009. Het desgevraagd niet (willen) verstrekken van informatie over 2009 vormt een nieuw feit voor het vermoeden dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, zodat navordering gerechtvaardigd is. Geen ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat. Eisers beroep op vertrouwensbeginsel en motiveringsbeginsel slagen evenmin. Wel verlaging van de navorderingsaanslag op basis van ter zitting bereikte overeenstemming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1084
V-N 2016/38.24.22
FutD 2016-1266
NTFR 2016/1750 met annotatie van mr.drs. B.J.E. Lodder
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/3156

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 mei 2016

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.981 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 441. Tevens is bij beschikking € 271 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 april 2015 de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 1 juni 2015, ontvangen door de rechtbank op 2 juni 2015, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en haar kantoorgenoot [A] . Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 15 juli 2011 heeft eiser de aangifte IB/PVV over 2009 ingediend. Daarin zijn onder meer buitengewone uitgaven wegens levensonderhoud in aftrek gebracht ten bedrage van € 16.870. Tevens is een aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten van € 6.294 toegepast.

2. Bij brief van 6 juni 2012 aan de voormalige gemachtigde van eiser, heeft verweerder het voornemen tot afwijking van de aangifte IB/PVV 2009 kenbaar gemaakt. Deze brief begint met de volgende passage: “Ik heb de aangifte inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2009 van de heer [X] (…) beoordeeld.” In de brief is vervolgens uiteengezet dat de aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud vanwege in het verleden gewekt vertrouwen wordt toegestaan tot een bedrag van € 6.300.

3. Op 8 juni 2012 heeft eiser de aangifte IB/PVV over 2010 ingediend. Kort daaropvolgend, op 2 juli 2012, heeft eiser de aangifte IB/PVV over 2011 ingediend.

4. Met dagtekening 10 oktober 2012 heeft verweerder de definitieve aanslag IB/PVV 2009 vastgesteld, waarbij verweerder de in de aangifte gevraagde aftrekpost voor uitgaven levensonderhoud heeft gecorrigeerd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft verweerder vastgesteld op € 16.434 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 441.

5. Bij brief van 27 augustus 2013 heeft verweerder vragen gesteld over de aftrek van uitgaven wegens specifieke zorgkosten in de aangiften over 2010 en 2011. Van deze kosten zijn bewijsstukken opgevraagd. Nadat een aantal keren uitstel was verleend, is op 4 april 2014 opnieuw om de gevraagde informatie verzocht. Naar aanleiding daarvan heeft op 23 april 2014 een gesprek plaatsgevonden, waarvan op 24 april 2014 een verslag is opgemaakt. Nadien is tussen verweerder en de (toenmalige) gemachtigde van eiser contact geweest via e-mail, onder meer op 16 en 20 mei 2014, op 22, en 26 augustus 2014 en op 8, 14 en 30 oktober 2014.

6. Bij brief van 30 oktober 2014 schrijft verweerder onder verwijzing naar een onderhoud met de toenmalige gemachtigde van eiser dat hij voor het jaar 2009, 2010 en 2011 een aantal beslissingen moet nemen. Ten aanzien van het jaar 2009 heeft verweerder geschreven op basis van het VGZ-overzicht een bedrag van 6 euro in aanmerking te zullen nemen. Ten aanzien van een aantal andere posten blijft - kort gezegd - informatiewisseling nodig. Nadere informatie over het belastingjaar 2009 is niet door eiser overgelegd.

7. Verweerder heeft met dagtekening 15 november 2014 de navorderingsaanslag over het jaar 2009 opgelegd. Bij het vaststellen van de aanslag en de navorderingsaanslag is van de volgende bedragen uitgegaan:

(alle bedragen in euro’s)

Bij primitieve aanslag in aanmerking genomen

Volgens verweerder bedraagt aftrek

Correctie aftrek middels navorderings-aanslag

Uitgaven voor vervoer

2.418

746

1.672

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

300

300

0

Genees- en heelkundige hulp

990

6

984

Uitgaven voor toepassing verhoging

3.708

1.052

2.656

Grondslag specifieke zorgkosten

2.718

1.046

1.672

Verhoging specifieke zorgkosten

3.072

1.181

1.891

Af: drempel

-486

-486

0

Totaal aftrekbare specifieke zorgkosten

6.294

1.747

4.547

Geschil

8. In geschil is of verweerder de onderhavige navorderingsaanslag mocht opleggen. Meer specifiek is in geschil of sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, of sprake is van een ambtelijk verzuim dat navordering verhindert, danwel of sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel of het motiveringsbeginsel. Indien de navorderingsaanslag terecht is opgelegd is de hoogte van de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 in geschil.

Beoordeling van het geschil

Nieuw feit

9. Eiser stelt dat de aangifte over het jaar 2009 is beoordeeld en dat verweerder later niet alsnog vragen mocht stellen over het belastingjaar 2009. Eiser stelt dat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat een nieuw feit op grond waarvan vermoed moet worden dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld ontbreekt, hetgeen dient te leiden tot vernietiging van de navorderingsaanslag. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

10. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt mee dat navordering niet zonder meer mogelijk is. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat er sprake is van een nieuw feit.

11. Verweerder heeft verklaard dat de gang van zaken rondom de aanslagregeling van het jaar 2010 en 2011 aanleiding vormde tot het stellen van vragen over de aangifte IB/PVV over het jaar 2009. De omstandigheid dat eiser de bewijsstukken voor de in de aangifte IB/PVV 2009 opgevoerde aftrekposten niet wenste te overleggen, is verweerder eerst na het opleggen van de primitieve aanslag IB/PVV 2009 bekend geworden. Daarmee beschikt verweerder over enig feit dat grond oplevert voor het vermoeden dat de (primitieve) aanslag tot een te laag bedrag is opgelegd. Dat verweerder eiser niet voldoende expliciet zou hebben gevraagd om bewijsstukken over het belastingjaar 2009 over te leggen leidt niet tot een ander oordeel, nu eiser zich desgevraagd principieel op het standpunt heeft gesteld de bewijsstukken ook niet te hoeven en te willen overleggen.

12. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of een ambtelijk verzuim aan navordering in de weg staat. Verweerder mag bij het vaststellen van een aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (vgl. HR 12 maart 2010, nr. 08/04868, ECLI:HR:2010:BL7165, HR 16 april 2010, nr. 08/05088, ECLI:HR:2010:BJ9082 en HR 1 maart 2013, nr. 11/04696, ECLI:HR:2013:BW7750).

13. Eiser heeft in zijn aangifte over het jaar 2009 aftrekposten opgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank behoefde verweerder in redelijkheid niet aan de juistheid van deze posten te twijfelen. Het was immers zeer wel mogelijk dat eiser de uitgaven voor (specifieke) zorgkosten had gedaan. Deze aftrekposten behoefden voor verweerder dan ook geen aanleiding te zijn tot nader onderzoek bij het vaststellen van de primitieve aanslag. Van een aan navordering in de weg staand ambtelijk verzuim is derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

14. Indien eisers stelling aldus moet worden uitgelegd dat verweerder na het opleggen van een definitieve aanslag geen nader onderzoek meer kan instellen naar die door eiser ingediende aangifte, faalt dit betoog. Geen rechtsregel staat immers aan een dergelijk onderzoek in de weg.

Vertrouwensbeginsel

15. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden beoordeeld of eiser aan de uitlatingen van verweerder het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat de in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten zouden worden geaccepteerd door verweerder. Eiser, op wie te dezen de last rust het (begin van) bewijs bij te brengen, heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een afspraak, toezegging of schending van gewekt vertrouwen.

16. Enkel het feit dat over het jaar 2009 reeds een onderzoek heeft plaatsgevonden ten aanzien van een ander punt in de aangifte, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat de door eiser in de aangifte IB/PVV over het jaar 2009 opgenomen posten door verweerder zonder meer geaccepteerd moeten worden. Omtrent een afspraak of toezegging van de zijde van verweerder is niets aannemelijk geworden.

17. Uit de zinsnede in de onder 2. bedoelde brief van 6 juni 2012 dat “de aangifte is beoordeeld” kan niet worden afgeleid dat de volledige aangifte in al haar facetten is beoordeeld, nu in het vervolg van de brief en tevens in de daarop volgende correspondentie slechts de aftrek van uitgaven wegens levensonderhoud van kinderen aan de orde is.

18. Gemachtigde van eiser beroept zich erop dat tijdens een gesprek op 18 april 2012 de aangifte IB/PVV over 2009 is besproken en dat is afgesproken dat de aangiften IB/PVV over 2010 en 2011 zouden worden ingediend in de lijn van de aangifte IB/PVV over 2009. Eiser ontleent hieraan dat verweerder de aftrek van ziektekosten in de aangifte IB/PVV 2009 akkoord heeft bevonden. De rechtbank volgt deze redenering niet. Zo er al een gesprek is geweest waarin afspraken zouden zijn gemaakt over de indiening van de aangiften over 2010 en 2011, is niet aannemelijk geworden dat die gestelde afspraken zich mede zouden uitstrekken tot de omvang van de in aftrek toe te laten uitgaven wegens specifieke zorgkosten in het jaar 2009.

19. Gelet op het voorgaande faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.

Motiveringsbeginsel

20. Eiser beroept zich op het ontbreken van een aankondiging van de navorderingsaanslag. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerders brief van 30 oktober 2014 verwijst uitdrukkelijk naar een gesprek met eisers gemachtigde. In verweerders brief van 24 april 2014 heeft verweerder aangekondigd wat voor het jaar 2009 de gevolgen zijn voor de vervoerskosten en kleding/beddengoed en geeft verweerder aan dat hij voor de aftrek van genees- en heelkundige hulp in afwachting is van een VGZ-overzicht. In de nadien gevolgde e-mailcorrespondentie heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank duidelijk aangegeven dat indien de gevraagde informatie niet wordt verstrekt, verweerder zal handelen conform hetgeen in de brief van 24 april 2014 is aangegeven. Op basis van deze correspondentie, in combinatie met de brief van 30 oktober 2014 waarin verweerder zijn standpunt met betrekking tot de genees- en heelkundige hulp uiteenzet, is de rechtbank van oordeel dat het eiser bekend was dat verweerder over 2009 zou navorderen. Indien de navordering over 2009 in het gesprek met eisers gemachtigde onvoldoende aan de orde zou zijn geweest, is dit een vormverzuim waaraan de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorbij zal gaan, nu eiser niet in zijn belangen is geschaad. Verweerder heeft de correcties later alsnog voldoende onderbouwd, zodat eiser zich hiertegen heeft kunnen verweren. Eiser heeft op geen enkel moment afdoende bewijsstukken met betrekking tot het jaar 2009 aan verweerder overgelegd.

Hoogte navorderingsaanslagen

21. Voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat terecht navorderingsaanslagen zijn opgelegd, hebben partijen ter zitting overeenstemming bereikt over de hoogte daarvan. Verweerder zal alsnog de vervoerskosten accepteren en de helft van gestelde kosten van genees- en heelkundige hulp van € 990. Rekening houdend met de reeds geaccepteerde kosten van kleding- en beddengoed en rekening houdend met de verhoging voor de specifieke zorgkosten van € 3.072 en de drempel komt van de in de aangifte vermelde specifieke zorgkosten een bedrag van € 5.799 voor aftrek in aanmerking. Het in de navorderingsaanslag te betrekken belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt aldus € 16.929 (zijnde € 16.434, vermeerderd met € 495).

4. Nu eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking heffingsrente heeft aangevoerd, zal de in rekening gebrachte heffingsrente dienen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.

5. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

6. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.484 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.929 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 441;

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.484;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 19 mei 2016

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.