Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:2530

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-05-2016
Datum publicatie
10-05-2016
Zaaknummer
05/720022-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden voor het medeplegen van afpersing en het in vereniging plegen van diefstal met geweld. Twee medeverdachten zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden, voor medeplichtigheid aan die feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/720022-16

Datum uitspraak : 9 mei 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

thans gedetineerd te PI Overijssel, HvB Karelskamp te Almelo.

Raadsvrouw: mr. W.H. Boer, advocaat te Heerde.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 april 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 17 juni 2013, in de gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer geldkistje(s) en/of een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [zorginstelling 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader:

- bij die [slachtoffer] (werkzaam voor [zorginstelling 1] ) heeft/hebben aangebeld en/of

- ( nadat die [slachtoffer] de (voor)deur van haar woning opende) de woning van die [slachtoffer] is/zijn binnen gegaan en/of

- die [slachtoffer] een mes en/of schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft/hebben getoond en/of

- dat scherpe en/of puntige voorwerp op/tegen de keel van die [slachtoffer] heeft/hebben gedrukt en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "Geld, geld ik moet geld hebben", althans woorden van gelijke aard of strekking;

Subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , op of omstreeks 17 juni 2013, in de gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer geldkistje(s) en/of een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [zorginstelling 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] en/of zijn/hun mededader(s):

- bij die [slachtoffer] (werkzaam voor [zorginstelling 1] ) heeft/hebben aangebeld en/of

- ( nadat die [slachtoffer] de (voor)deur van haar woning opende) de woning van die [slachtoffer] is/zijn binnen gegaan en/of

- die [slachtoffer] een mes en/of schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft/hebben getoond en/of

- dat scherpe en/of puntige voorwerp op/tegen de keel van die [slachtoffer] heeft/hebben gedrukt en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "Geld, geld ik moet geld hebben", althans woorden van gelijke aard of strekking,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij verdachte, op of omstreeks 17 juni 2013, althans (in elk geval) in of omstreeks de maand juni 2013, in de gemeente Apeldoorn, althans (elders) in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door (voor die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] ) op de uitkijk te (gaan) staan;

2.

Primair

hij op of omstreeks 17 juni 2013, in de gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer (mobiele) telefoon(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [zorginstelling 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader,

- bij die [slachtoffer] (werkzaam voor [zorginstelling 1] ) heeft/hebben aangebeld en/of

- ( nadat die [slachtoffer] de (voor)deur van haar woning opende) de woning van die [slachtoffer] is/zijn binnen gegaan en/of

- die [slachtoffer] een mes en/of schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft/hebben getoond en/of

- dat scherpe en/of puntige voorwerp op/tegen de keel van die [slachtoffer] heeft/hebben gedrukt en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "Geld, geld ik moet geld hebben", althans woorden van gelijke aard of strekking;

Subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , op of omstreeks 17 juni 2013, in de gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer (mobiele) telefoon(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [zorginstelling 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] en/of zijn/hun mededader(s):

- bij die [slachtoffer] (werkzaam voor [zorginstelling 1] ) heeft/hebben aangebeld en/of

- ( nadat die [slachtoffer] de (voor)deur van haar woning opende) de woning van die [slachtoffer] is/zijn binnen gegaan en/of

- die [slachtoffer] een mes en/of schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft/hebben getoond en/of

- dat scherpe en/of puntige voorwerp op/tegen de keel van die [slachtoffer] heeft/hebben gedrukt en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "Geld, geld ik moet geld hebben", althans woorden van gelijke aard of strekking,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 17 juni 2013, althans (in elk geval) in of omstreeks de maand juni 2013, in de gemeente Apeldoorn, althans (elders) in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door (voor die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2]

en/of die [medeverdachte 3] ) op de uitkijk te (gaan) staan.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 17 juni 2013 heeft [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) samen met [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) in Apeldoorn [slachtoffer] , die werkzaam is voor [zorginstelling 1] (hierna: [zorginstelling 1] ), gedwongen tot afgifte van een geldkistje en een hoeveelheid geld, dat toebehoorde aan [zorginstelling 1] .2 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hadden een mes en een tot priem geslepen schroevendraaier bij zich.3 Zij hebben ieder het wapen dat ze bij zich droegen aan [slachtoffer] getoond.4 Daarbij heeft [medeverdachte 1] gezegd: ‘Geld, geld! Ik moet geld hebben.’5

[verdachte] heeft hierbij buiten op de uitkijk gestaan.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair onder 1 ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie is sprake van de deelnemingsvorm ‘medeplegen’. Hoewel het idee om een overval te plegen van [medeverdachte 1] kwam, was er een rol verdeling tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] , waar gezamenlijk over is gesproken. Ook droegen allen een vermomming. Daarover en over het meebrengen van wapens, is gezamenlijk gesproken. Daarnaast is de buit gelijkelijk over alle vier verdachten verdeeld. Van scheve verhoudingen tussen de vier verdachten was geen sprake.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair onder 1 ten laste gelegde. Haar cliënt kan niet als pleger worden aangemerkt en heeft een beperkte rol in het geheel gespeeld, waardoor geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.

Daarnaast kan niet worden bewezen dat meer dan één geldkistje is weggenomen en kan niet worden bewezen dat het geweld of de bedreiging met geweld heeft bestaan uit het aanbellen en het betreden van de woning van aangeefster. Het voorval heeft daarbij niet in de woning van aangeefster plaatsgevonden, maar op haar werk. Evenmin kan worden bewezen dat een scherp of puntig voorwerp tegen de keel van aangeefster is gedrukt. Het enige bewijsmiddel waar dat uit voortvloeit, is de aangifte en dat is onvoldoende.
In het licht van het voorgaande heeft de raadsvrouw partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van het subsidiair onder 1 ten laste gelegde.

De beoordeling door de rechtbank

Niet ter discussie staat dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 17 juni 2013 [slachtoffer] hebben gedwongen tot afgifte van een geldkistje en een geldbedrag. Eveneens staat niet ter discussie dat [verdachte] op dat moment op de uitkijk stond.

De raadsvrouw heeft bepleit dat het geweld of de bedreiging met geweld niet heeft bestaan uit het aanbellen en het betreden van de woning door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Daarnaast is volgens de raadsvrouw geen sprake van een overval in de woning van aangeefster en kan niet worden bewezen dat een scherp of puntig voorwerp tegen de keel van aangeefster is gedrukt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Aangeefster heeft op 18 juni 2013 verklaard dat zij als begeleidster bij [zorginstelling 1] werkt en dat zij daar op 17 juni 2013 een zogeheten ‘laat/slaapdienst’ had. Dit houdt in dat haar dienst ’s middags begint en de volgende ochtend eindigt. Zij begeleidt een groep van 9 meiden, die verdeeld over drie woningen wonen.7 Aangeefster heeft verder verklaard dat omstreeks 23.20 uur werd aangebeld en dat, nadat zij de deur had geopend, twee mannen de woning binnen gingen.8 De eerste persoon (opmerking rechtbank: uit het dossier komt naar voren dat dit [medeverdachte 1] betreft) droeg een soort zakdoek om zijn hals, die hij voor zijn gezicht deed toen hij binnen stapte. De tweede persoon droeg een capuchon over zijn hoofd (opmerking rechtbank: uit het dossier komt naar voren dat dit [medeverdachte 2] betreft).9 Verdachte [medeverdachte 2] heeft daarbij verklaard dat ook hij een bandana droeg.10 Naast dat aangeefster heeft verklaard over de handelingen die hiervoor als vaststaand zijn aangemerkt, heeft zij verklaard dat de eerste persoon die binnen kwam de punt van het wapen dat hij bij zich droeg tegen haar keel heeft gezet.11

De rechtbank heeft, gelet op het specifieke karakter van de aangifte, in het licht van het dossier, geen reden om te twijfelen aan de door aangeefster afgelegde verklaring en acht op grond van die aangifte bewezen dat de punt van een wapen tegen haar keel is gedrukt. Daarbij acht de rechtbank het geheel van handelen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – dus vanaf het aanbellen tot aan het verlaten van de woning van [zorginstelling 1] – in samenhang bezien en gelet op de aard van het ten laste gelegde, gewelddadig en/of bedreigend, te meer nu [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op een laat tijdstip aanbelden en de woning binnen stapten, terwijl zij vermomd waren.
De ‘overval’ vond plaats in een woning van [zorginstelling 1] , waar meerdere personen wonen. Naar het oordeel van de rechtbank moet die woning dan ook worden gezien als een plaats waar zich het privé-huiselijke leven afspeelt. Ook aangeefster nam deel aan dit privé-huiselijke leven en zou de nacht in die woning doorbrengen. Dat zij dat in de hoedanigheid van begeleidster zou doen, doet naar het oordeel van de rechtbank niet aan het voorgaande af.


Met betrekking tot het gevoerde verweer, inhoudende dat niet kan worden bewezen dat meer dan één geldkistje is weggenomen, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het dossier volgt dat [slachtoffer] is gedwongen tot afgifte van een (grote) geldkist met daarin een geldbedrag van € 558,-- en een geldkistje, waaruit een portemonnee met een geldbedrag van € 40,-- is meegenomen.12 Het kleine geldkistje is volgens het dossier niet door verdachten meegenomen uit de woning van [zorginstelling 1] . Daarnaast is de € 40,-- uit de portemonnee die uit dat geldkistje is gehaald, op de trap van de woning van [zorginstelling 1] teruggevonden.13 Dat doet echter niet af aan het feit dat dit geldkistje en het daarin aanwezige geldbedrag onder bedreiging met geweld zijn afgegeven door [slachtoffer] . Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen dat [slachtoffer] is gedwongen tot afgifte van geldkistjes en een hoeveelheid geld.

[verdachte] stond tijdens het voorval op de uitkijk. Hij heeft verklaard dat hij en [medeverdachte 3] moesten schreeuwen naar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als er wat zou zijn.14 Iedereen ging lopen, maar hij moest op de fiets. Hij kreeg de tas met de kluis in handen en moest naar huis fietsen.15 [verdachte] heeft verder verklaard dat hij en de anderen bandana’s droegen en dat hij wist dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wapens bij zich droegen.16 Van tevoren is afgesproken dat de buit onder [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] zou worden verdeeld.17 Dat is ook gebeurd.18

Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van jurisprudentie kan worden gesteld dat ‘medeplegen’ primair een voldoende nauwe en bewuste samenwerking vereist met een ander of anderen, waarbij het accent op de samenwerking ligt en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht, een kwestie die dus een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval verlangt. Daarnaast moet in ieder geval voor de kwalificatie medeplegen de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht zijn.

Kernverwijt bij medeplichtigheid is – kort gezegd – ‘het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf’. Indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht) rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering — dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging — dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. In dat laatste geval zijn de aspecten die bij de beoordeling (en motivering) een rol kunnen spelen onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, waaronder diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij dient te worden opgemerkt dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toe komt, het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar kan ook uit verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit of in hoofdzaak vóór het strafbare feit bestaan. Indien de bijdrage niet geleverd is in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Vastgesteld kan worden dat verdachte geen rol had in de uitvoering van het strafbare feit. Hoewel de rol van verdachte in het geheel zeker niet marginaal was, is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat zijn handelen de deelnemingsvorm ‘medeplichtigheid’ niet overstijgt. Het ontbreken van verdachtes rol in de uitvoering wordt naar het oordeel van de rechtbank immers onvoldoende gecompenseerd door een – ten opzichte van medeverdachten – grotere rol in de voorbereiding, nu uit het dossier volgt dat het idee om juist in deze woning een overval te plegen van [medeverdachte 1] kwam, dat [medeverdachte 2] bandana’s heeft geleverd en dat overige afspraken gezamenlijk zijn gemaakt.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair onder 1 aan hem ten laste gelegde.

Zij acht gelet op het voorgaande evenwel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest aan het medeplegen van afpersing, zoals subsidiair onder 1 ten laste is gelegd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair onder 1 ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie is sprake van de deelnemingsvorm ‘medeplegen’. Hoewel het idee om een overval te plegen van [medeverdachte 1] kwam, was er een rolverdeling tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] , waar gezamenlijk over is gesproken. Ook droegen allen een vermomming. Daarover en over het meebrengen van wapens, is gezamenlijk gesproken. Daarnaast is de buit gelijkelijk over alle vier verdachten verdeeld. Van scheve verhoudingen tussen de vier verdachten was geen sprake.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat bij haar cliënt geen sprake was van opzet op de medeplichtigheid aan diefstal van telefoons. Daarnaast volgt het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van telefoons bij haar cliënt niet uit het dossier. Niet kan worden bewezen dat het geweld of de bedreiging met geweld heeft bestaan uit het aanbellen bij- en in het betreden van de woning van aangeefster. Evenmin kan worden bewezen dat een scherp of puntig voorwerp tegen de keel van aangeefster is gedrukt. Tot slot is de raadsvrouw van mening dat het geweld of de bedreiging met geweld niet gepleegd is met het oogmerk om de diefstal van telefoons voor te bereiden, gemakkelijker te maken, bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken of het bezit van de telefoons te verzekeren. Uit het dossier volgt geen voornemen om telefoons weg te nemen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw gesteld dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht.

De beoordeling door de rechtbank

Voor zover relevant voor het onder 2 ten laste gelegde, verwijst de rechtbank naar de bewijsmiddelen zoals die ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde zijn opgenomen. Dit geldt eveneens ten aanzien van de door de raadsvrouw gevoerde verweren, die ook ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde zijn gevoerd.
De rechtbank overweegt daarnaast het volgende

Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat tijdens het voorval op 17 juni 2013 ook twee mobiele telefoons zijn weggenomen. Het betreft een Nokia, die eigendom is van [zorginstelling 1] en haar eigen Apple Iphone.19 Zij heeft hierover verklaard dat beide daders wegliepen nadat zij de geldkistjes had afgegeven. Zij zag daarna persoon 1 terugkomen en zag dat hij de twee mobiele telefoons van het bureau pakte. De tweede persoon stond volgens haar nog op de overloop. Persoon 1 heeft ook de vaste telefoon losgetrokken en meegenomen.20 De mobiele telefoon van aangeefster, samen met haar mobiele werktelefoon zijn in de nabije omgeving in de bosjes aangetroffen. De vaste telefoon werd halverwege de trap in de woning van [zorginstelling 1] gevonden.21 De rechtbank is van oordeel dat ook deze vaste telefoon wederrechtelijk is toegeëigend door [medeverdachte 1] . Op het moment dat hij de telefoon uit de muur had getrokken, beschikte hij immers als heer en meester over dit goed. Dat de telefoon in de woning van [zorginstelling 1] is achtergelaten, maakt dit niet anders.

Zoals ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het geheel van handelen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – dus vanaf het aanbellen tot aan het verlaten van de woning van [zorginstelling 1] – in samenhang bezien en gelet op de aard van het ten laste gelegde, gewelddadig en/of bedreigend is. Gelet op de aard van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, is de rechtbank daarnaast van oordeel dat dit geweld, dan wel de bedreiging met geweld, gepleegd is met het oogmerk om de diefstal van telefoons gemakkelijker te maken en het bezit van de telefoons te verzekeren.

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte geen opzet had op – kort gezegd – de medeplichtigheid aan diefstal van telefoons. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het gezamenlijke doel voor de overval was het verkrijgen van geld.22 Dat sluit naar het oordeel van de rechtbank echter niet uit dat ook op geld waardeerbare goederen kunnen worden weggenomen of dat zal worden geprobeerd goederen weg te nemen, zoals telefoons, met het doel het slachtoffer te beletten om de politie in te schakelen. Op het moment dat verdachte zich leende om medeplichtig te zijn aan een overval, zoals overwogen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, aanvaardde hij naar het oordeel van de rechtbank dan ook ten minste bewust de aanmerkelijke kans dat door een medeverdachte dergelijke goederen zouden worden weggenomen. Bij verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde dan ook sprake van ten minste voorwaardelijk opzet op de medeplichtigheid aan het wederrechtelijk wegnemen van de telefoons.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het primair onder 1 ten laste gelegde. Zij acht evenwel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder subsidiair onder 1 en het subsidiair onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3], op of omstreeks 17 juni 2013, in de gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer geldkistje(s) en/of een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [zorginstelling 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] en/of zijn/hun mededader(s):

- bij die [slachtoffer] (werkzaam voor [zorginstelling 1] ) heeft/hebben aangebeld en/of

- ( nadat die [slachtoffer] de (voor)deur van haar woning opende) de woning van die [slachtoffer] is/zijn binnen gegaan en/of

- die [slachtoffer] een mes en/of schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft/hebben getoond en/of

- dat scherpe en/of puntige voorwerp op/tegen de keel van die [slachtoffer] heeft/hebben gedrukt en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "Geld, geld ik moet geld hebben", althans woorden van gelijke aard of strekking, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 17 juni 2013, althans (in elk geval) in of omstreeks de maand juni 2013, in de gemeente Apeldoorn, althans (elders) in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door (voor die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3]) op de uitkijk te (gaan) staan;

2.

Subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3], op of omstreeks 17 juni 2013, in de gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer (mobiele) telefoon(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [zorginstelling 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] en/of zijn/hun mededader(s):

- bij die [slachtoffer] (werkzaam voor [zorginstelling 1] ) heeft/hebben aangebeld en/of

- ( nadat die [slachtoffer] de (voor)deur van haar woning opende) de woning van die [slachtoffer] is/zijn binnen gegaan en/of

- die [slachtoffer] een mes en/of schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft/hebben getoond en/of

- dat scherpe en/of puntige voorwerp op/tegen de keel van die [slachtoffer] heeft/hebben gedrukt en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "Geld, geld ik moet geld hebben", althans woorden van gelijke aard of strekking, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 17 juni 2013, althans (in elk geval) in of omstreeks de maand juni 2013, in de gemeente Apeldoorn, althans (elders) in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door (voor die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3]) op de uitkijk te (gaan) staan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

De voortgezette handeling van

medeplichtigheid aan medeplegen van afpersing

en

medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen als bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld een meldplicht, een locatiegebod met elektronisch toezicht voor maximaal 6 maanden en de verplichting om mee te werken aan een gedragsinterventie (CoVa training). Daarnaast heeft de officier van justitie een werkstraf voor de duur van 240 uren gevorderd.

Bij het bepalen van haar strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten. Voor [slachtoffer] hebben de feiten grote gevolgen gehad. Aan de andere kant heeft de officier van justitie in grote mate rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder het feit dat verdachte zijn leven op het moment dat hij werd aangehouden op orde leek te hebben.

Volgens de officier van justitie is er geen reden om het adolescentenstrafrecht toepassing te geven, nu deze straf in het geval van verdachte geen pedagogische meerwaarde meer heeft.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aandacht gevraagd voor de persoonlijke omstandigheden van haar cliënt en heeft om die reden verzocht om toepassing van het adolescentenstrafrecht. Haar cliënt en de maatschappij hebben er baat bij als haar cliënt zijn woning bij [zorginstelling 2] kan behouden en hij met behulp van hulpverlening zijn cognitieve vaardigheden gaat vergroten. Gelet op zijn jeugdige leeftijd is het wenselijk dat hij zijn leven zo snel mogelijk weer op kan pakken. Een langere detentie dat het reeds ondergane voorarrest kan negatieve invloeden hebben. De raadsvrouw heeft verder bepleit dat haar cliënt na het voorval een andere wending aan zijn leven heeft gegeven. Hij is bereid om zich te conformeren aan de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geformuleerd.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 20 januari 2016;

- een beknopt reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 21 januari 2016;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 25 maart 2016.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte is medeplichtig geweest aan het medeplegen van afpersing en diefstal met geweld, in vereniging gepleegd. Vermomd door onder andere bandana’s en gewapend met een mes en een tot priem geslepen schroevendraaier hebben de plegers het slachtoffer gedwongen geldkistjes en geld af te staan. Daarnaast zijn meerdere telefoons weggenomen. De wapens zijn aan het slachtoffer getoond en één van de wapens is tegen de keel van het slachtoffer gezet. Dit moet zeer angstaanjagend zijn geweest voor het slachtoffer, [slachtoffer] . De feiten hebben dan ook veel teweeg gebracht bij het slachtoffer. Verdachte heeft hierbij onder meer op de uitkijk gestaan en is weggefietst met de buit. Dit terwijl hij wist dat de plegers wapens bij zich hadden.

Verdachte heeft ernstige feiten begaan. De rechtbank houdt daar bij het bepalen van de strafmaat rekening mee. Daarnaast houdt zij rekening met de rol die verdachte ten opzichte van de medeverdachten in het geheel heeft gespeeld, als ook met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

In het reclasseringsrapport van 25 maart 2016 staat beschreven dat verdachte een jongen is met een beneden gemiddeld IQ. Sinds drie jaar woont hij zelfstandig en krijgt hij ambulante begeleiding van [zorginstelling 2] , een organisatie die ondersteuning biedt aan mensen met een beperking. Voor zijn aanhouding werkte verdachte via een uitzendbureau als steigerbouwer. Opgemerkt wordt dat geen sprake is van een patroon van agressief of antisociaal gedrag. Verdachte toont oprecht spijt van zijn aandeel in het delict en lijkt oprecht in zijn zorgen over de gevolgen van het ongeval bij het slachtoffer. Voor de verdachtes aanhouding in deze zaak was sprake van een positief stijgende lijn.
De reclassering beschrijft verder dat, hoewel verdachte verantwoording moet nemen, het gezien verdachtes leeftijd gewenst is dat hij zo snel als mogelijk de draad van zijn leven weer oppakt. Het wordt wenselijk geacht dat verdachte de positieve ontwikkelingen die hij doormaakte bij [zorginstelling 2] kan voortzetten, op weg naar een zo groot mogelijke zelfstandigheid.

De reclassering adviseert toepassing van het adolescenten strafrecht. Als bijzondere voorwaarden bij een eventueel op te leggen voorwaardelijk strafdeel heeft de reclassering bijzondere voorwaarden geformuleerd, te weten een meldplicht, een locatiegebod met elektronische controle, een gedragsinterventie in de vorm van een Cova training en de verplichting om mee te werken aan begeleiding door [zorginstelling 2] , dan wel een andere begeleidende instantie, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat geen toepassing moet worden gegeven aan het adolescenten strafrecht, nu er geen aanwijzingen zijn dat dit strafrechtelijke kader nog pedagogische meerwaarde zal hebben voor verdachte. Verdachte heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt en lijkt minder beïnvloedbaar door derden.

Gelet op de ernst van de feiten neemt de rechtbank als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. De rechtbank zal echter fors rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze hiervoor zijn beschreven. Om die reden zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf, groot 8 maanden, voorwaardelijk opleggen. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zullen als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een gedragsinterventie in de vorm van een Cova training en de verplichting om mee te werken aan begeleiding door [zorginstelling 2] of een andere begeleidende instantie worden opgelegd. De rechtbank zal geen locatiegebod als bijzondere voorwaarde opleggen, nu zij van oordeel is dat een dergelijk vergaande voorwaarde gelet op het tijdsverloop én op de positieve ontwikkeling die verdachte in de periode na het ten laste gelegde heeft doorgemaakt, geen doel meer treft. De tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal van de gevangenisstraf worden afgetrokken. De proeftijd wordt bepaald op 2 jaren.

De rechtbank wijkt af van de door de officier van justitie geëiste straf, nu zij tot een andere bewezenverklaring komt ten aan zien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde [zorginstelling 1] heeft zich in het strafproces gevoegd de gemachtigde [gemachtigde] ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 20.875,66, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, nu gestelde kosten onvoldoende onderbouwd zijn.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, dan wel dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, nu geen sprake is van rechtstreekse aan [zorginstelling 1] toegebrachte schade. Daarnaast is het causale verband tussen de gevorderde kosten en het ten laste gelegde niet komen vast te staan en is de vordering – kort gezegd – onvoldoende onderbouwd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde kosten onvoldoende in de vordering zijn onderbouwd. Daarnaast kan het causale verband tussen het ten laste gelegde en deze kosten, waaronder de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [slachtoffer] niet eenvoudig worden vastgesteld, nu uit het dossier volgt dat [slachtoffer] tijdens haar werkzaamheden geconfronteerd is geweest met een slachtoffer van zelfdoding en dit zijn weerslag had op haar werkplezier. Aanhouding van de zaak om de benadeelde partij de gelegenheid te geven de vordering nader te onderbouwen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering nog aanbrengen bij de civiele rechter.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 48, 56, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 Spreekt verdachte vrij van de primair onder 1 en primair onder 2 ten laste gelegde feiten.

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarde(n) dat de veroordeelde:

Meldplicht

- zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Hij moet zich gedurende een door Reclassering Nederland bepaalde periode blijven melden zo frequent als deze instelling dat gedurende deze periode nodig acht;

Andere voorwaarde het gedrag van de veroordeelde betreffende

- wordt verplicht om mee te werken aan de begeleiding door [zorginstelling 2] , dan wel een andere begeleidende instantie, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

Gedragsinterventie

- moet deelnemen aan de volgende gedragsinterventie: GI-RN Cognitieve Vaardigheden (CoVa).

De rechtbank geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

De rechtbank:

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf.

De rechtbank:

 verklaart de benadeelde partij [zorginstelling 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Driessen (voorzitter), mr. S.A. van Hoof en mr. W.F. Roelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 mei 2016.

mr. W.F. Roelink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2013079625, gesloten op 29 januari 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 49 t/m 53 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 285, eerste alinea.

3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 286 en p. 287, eerste alinea en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 25 april 2016.

4 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 50 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 286, zevende alinea.

5 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 50.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 291, een na laatste alinea en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

7 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 49.

8 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 50.

9 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 56 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 290, een na laatste alinea.

10 Het proces-verbaal van verdachte [medeverdachte 2] , p. 286, derde alinea.

11 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 50.

12 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 49 t/m 53 en de bijlage weggenomen goederen op p. 54 en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 84 en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , p. 86.

13 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , p. 86.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 306, dertiende alinea.

15 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 299, zevende alinea, eerste en tweede volzin en p. 300, vierde alinea van onderen en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 25 april 2016.

16 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 25 april 2016.

17 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 287, midden.

18 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 299, onderaan.

19 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 50 en 51..

20 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 51.

21 Het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , p. 47.

22 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 285, zevende alinea en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 297, vijfde alinea.