Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:2470

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
05/880353-15 en 05/780080-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak moord. Oplegging gevangenisstraf voor de duur van twintig jaar en TBS-maatregel voor de verkrachting en het daarna doden van slachtoffer, om ervoor te zorgen dat deze verkrachting ongestraft zou blijven (gekwalificeerde doodslag).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 05/880353-15 en 05/780080-16

Datum uitspraak : 4 mei 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1]

thans gedetineerd te PI Achterhoek - Ooyerhoekseweg te Zutphen

raadsman: mr. F.E.J. Janzing, advocaat te Wijchen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17 juni 2015, 26 augustus 2015, 18 november 2015, 10 februari 2016 en 20 april 2016.

1. De inhoud van de tenlastelegging1

Aan verdachte wordt onder parketnummer 05/880353-15 verweten dat hij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) met voorbedachte raad door verwurging heeft gedood (vermoord) of dat hij haar heeft gedood en haar daarvoor/daarbij of daarna heeft verkracht. Dit verwijt luidt verder dat verdachte haar zou hebben gedood om de verkrachting voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om ervoor te zorgen dat hij niet gestraft zou worden voor de verkrachting van [slachtoffer] (gekwalificeerde doodslag). Als deze gekwalificeerde doodslag niet kan worden bewezen, wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk doden van [slachtoffer] (doodslag).

Aan verdachte wordt onder parketnummer 05/780080-16 verweten dat hij [slachtoffer] heeft verkracht.

2a. Geldigheid van de dagvaarding


Door de raadsman is aangevoerd dat de dagvaarding nietig is. Kort gezegd omdat de gebruikte formulering van de drie alternatief tenlastegelegde feiten van de dagvaarding met parketnummer 05/880353-15 onvoldoende feitelijk van aard is, waar het gaat om de wijze van het om leven brengen van [slachtoffer] . De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat specifiek voor de tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag (subsidiair) op dezelfde dagvaarding geldt dat het tweede gedachtestreepje, inhoudende de tekst “die [slachtoffer] op enige (niet nader bekend geworden) wijze met geweld te dreigen en/of haar geweld aan te doen”, een niet of onvoldoende feitelijke omschrijving bevat. Ten aanzien van dit laatste heeft de raadsman geconcludeerd dat de dagvaarding partieel nietig is.

Door de raadsman is vervolgens ten aanzien van de tenlastelegging naar voren gebracht dat in de delictsomschrijving van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (moord) impliciet de delictsomschrijving van artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht (doodslag) dient te worden gelezen, met dien verstande dat in geval van een bewezenverklaarde doodslag niet aan de tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag kan worden toegekomen.

Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat verdachte door de tekst van de telastelegging samen met de inhoud van het dossier heeft kunnen begrijpen waartegen hij zich moest verdedigen, namelijk het om het leven brengen van [slachtoffer] door verwurging. Dit geldt ook voor het tweede gedachtestreepje bij de gekwalificeerde doodslag (subsidiair).

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat deze onderdelen van de tenlastelegging aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldoen en verwerpt daarom de nietigheidsverweren van de verdediging.

Aan verdachte is primair moord, subsidiair gekwalificeerde doodslag en meer subsidiair doodslag tenlastegelegd. Het verschil tussen moord en doodslag is -kort weergegeven- de vraag of de dader rustig heeft nagedacht over (de gevolgen van) zijn daad, of in een opwelling heeft gehandeld. De tekst van de tenlastelegging van moord bevat, naast voorbedachten rade, dus alle bestanddelen van doodslag. Als alleen de tekst van het primair tenlastegelegde wordt gelezen, wordt daar impliciet subsidiair doodslag tenlastegelegd. Dit kan ook niet anders. Echter bij lezing van de gehele tenlastelegging wordt, door de gehanteerde volgorde van de tenlastegelegde feiten, duidelijk dat de officier van justitie onder het primair tenlastegelegde moord, in dit geval juist niet ook doodslag ten laste heeft willen leggen. Zij legt dit immers meer subsidiair ten laste.

De dagvaarding is geldig.

2b. Overwegingen ten aanzien van het bewijs2

Ten aanzien van de parketnummers 05/880353-15 en 05/780080-16:

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak van de tenlastegelegde moord gevorderd. Zij acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag (tenlastegelegd onder parketnummer 05/880353-15, subsidiair) met dien verstande dat verdachte [slachtoffer] heeft gedood door haar te verwurgen. Volgens de officier van justitie is de verwurging voorafgegaan door een orale verkrachting, waarbij de doodslag is gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad zichzelf van straffeloosheid van dat feit te verzekeren. De officier heeft gesteld dat de afzonderlijk onder parketnummer 05/780080-16 tenlastegelegde verkrachting ook wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is allereerst gesteld dat het onderzoek naar de telefoon van verdachte in strijd is met artikel 8 EVRM. Hiertoe is aangevoerd dat de telefoon niet vrijwillig door verdachte is afgestaan ter inbeslagname. Daarom zou het onderzoek aan de telefoon en het lichten van de gegevens op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering een inbreuk vormen op verdachtes persoonlijke levenssfeer. Volgens de raadsman is sprake van een onherstelbaar vormverzuim en dient bewijsuitsluiting met betrekking tot alle uit de telefoon verkregen gegevens te volgen.
Ten aanzien van de tenlastegelegde moord, gekwalificeerde doodslag dan wel doodslag heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Door de raadsman is gesteld dat het opsporingsonderzoek onderhevig is geweest aan tunnelvisie. Hiertoe is aangevoerd dat er aanknopingspunten zijn dat [slachtoffer] in de avond van 9 februari 2015 nog in leven is geweest en dat alternatieve scenario’s onvoldoende zijn onderzocht.

Als de rechtbank deze verweren niet volgt, heeft de raadsman aangevoerd dat ten aanzien van de tenlastegelegde moord de voorbedachte raad niet kan worden bewezen. Met betrekking tot de gekwalificeerde doodslag heeft de raadsman aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is geweest van een oogmerk van verdachte bij de doodslag op voorbereiding van de verkrachting, dan wel van een oogmerk om deze verkrachting gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad zichzelf van straffeloosheid te verzekeren. Ten slotte heeft de raadsman ten aanzien van de bij afzonderlijke dagvaarding tenlastegelegde verkrachting vrijspraak bepleit, nu er geen bewijs is dat sprake is geweest van penetratie of dwang.

Beoordeling door de rechtbank

Tunnelvisie

De rechtbank acht van tunnelvisie geen sprake. De politie heeft, zo blijkt uit het dossier, ook andere mogelijkheden onderzocht, waaronder scenario’s met betrekking tot een afspraak via een datingsite, een afspraak om pakketjes weg te brengen en een scenario met betrekking tot relatieproblemen tussen [slachtoffer] en [A] . Dit betreffen scenario’s die met name op de eventuele betrokkenheid van anderen zijn gericht. Dit heeft echter geen enkele aanwijzing opgeleverd. Dat ligt geheel anders bij verdachte. Tegen hem zijn gedurende het onderzoek alleen maar meer belastende feiten en omstandigheden aan het licht gekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitgebreide opsporingshandelingen in de richting van verdachte niet eenzijdig of vooringenomen zijn geweest.

Bewijsuitsluiting telefoon

De telefoon van verdachte met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] is in beslag genomen ten tijde van het onderzoek naar de vermissing van [slachtoffer] . Op dat moment hoorde de politie de (latere) verdachte als getuige. Hij werd nog niet verdacht van enig strafbaar feit. Aan hem is dan ook als getuige gevraagd om zijn telefoon voor onderzoek in te leveren. Op dat moment kwam hem daarom niet de strafprocessuele bescherming van een verdachte toe. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier voldoende blijkt dat verdachte de telefoon vrijwillig heeft afgegeven. Verdachte heeft hierover verklaard: “Ik vind het goed dat u mijn telefoon meeneemt voor onderzoek. Ik hoop alleen dat ik de telefoon zo snel mogelijk weer terug krijg, want ik moet hier te bereiken zijn. (…) De getuige, [getuige 1] ” (pagina 1047).

Ook in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 1048 staat dat tijdens het verhoor van getuige [getuige 1] met zijn toestemming, zijn telefoon, merk [merk 1] in beslag werd genomen voor onderzoek. Getuige [getuige 1] gaf aan dat het toestel beveiligd was met de pincode [pincode] en dat het telefoonnummer [telefoonnummer 3] was. Dat nummer werd door de verbalisant, gecertificeerd GSM-onderzoeker gecontroleerd en bleek correct te zijn.

Gelet op deze twee ambtsedige processen-verbaal waaruit volgt dat verdachte ook de pincode van zijn telefoon aan de politie heeft verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat verdachte destijds de telefoon vrijwillig ter inbeslagname heeft afgestaan en dat hij wist dat de telefoon zou worden onderzocht. Het verweer wordt verworpen.

De afspraak van [slachtoffer]

De moeder van [slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] haar in de avond van 8 februari 2015 heeft gebeld en heeft gevraagd om naar haar kamer te komen. Dit was tussen 23:30 uur en 24:00 uur. [slachtoffer] zei toen tegen haar dat ze met een vriendin, [vriendin 2] , naar het ziekenhuis moest.3 Deze verklaring van de moeder van [slachtoffer] vindt steun in het telefonisch contact van [slachtoffer] ( [telefoonnummer 1] ) met haar moeder ( [telefoonnummer 2] ) op zondagavond 8 februari 2015 om 23:54 uur.4 Op dit moment is [slachtoffer] nog thuis (telefoonmast: [adres 5] 2 Nijmegen).5

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer] haar op 9 februari 2015 omstreeks 00:02 uur een bericht heeft gestuurd met de tekst: “Schat. K moet nu ff na collega da loop nie eg lekker mee k heb geseg dat k met jou ff na dokter moes okedus als je dinsdg hier kom”.6

De vervolgvraag is om welke reden [slachtoffer] nu echt is weggegaan en waar en met wie zij heeft afgesproken.

Op de telefoon van verdachte ( [telefoonnummer 4] ) is een MMS-bericht aangetroffen dat op 7 februari 2015 om 01:35 uur is aangemaakt, maar niet is verzonden. Dit bericht heeft de volgende inhoud:

“ [slachtoffer] ssssttttt ik moet iets wegbrengen, en halen ik krijg daar 500 voor, maar kan niett op de fiets, het ophalen is in malden en dan naar berg en dal afgeven .ik weet niet of jij dat kan als je het kan en je kan me oppikken bij sanadome dan krijg je van mij 250 euro ieder de helft .. maar je mag er met niemand maar dan ook met niemand over praten zelfs niet met [A] .je hoeft aleen maar mij af te zetten en weer terug te brengen .. snel verdiend toch .. maar ik kan dat niet op de fiets doen. ik vertrouw alleen jou. Ik moet iets ophalen en dan weer afgeven jij kan wachten in de auto en dan heb je 250 euro verdiend. maar ik wil geen risico lopen dus je mag er met niemand niemand over praten" dit kan ik 1x in de twee weken doen, dus dat betekend dat jij ook iedere twee weken 250 euro kan verdienen”.7De vader van [slachtoffer] , getuige [getuige 3] , heeft verklaard dat [slachtoffer] heeft gechat met verdachte en zij daarbij onder meer over haar schulden hebben gesproken.8

Verdachte heeft ontkend dat hij dit bericht heeft opgesteld. Verdachte heeft echter ook verklaard dat hij de telefoon in eigen beheer heeft, dat alleen hij de pincode kent en dat niemand in zijn kamer komt.9 Verder heeft verdachte in dezelfde nacht als het niet verstuurde MMS-bericht meermalen geprobeerd [slachtoffer] te bellen.10 Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat verdachte de enige gebruiker van deze telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] is geweest en het voornoemde bericht heeft opgesteld. Dat geldt ook voor de andere met deze telefoon verstuurde berichten en belcontacten. Verdachte heeft hierover ook niet anders verklaard.

Op 8 februari 2015 om 19:29:43 uur stuurt verdachte het volgende bericht naar [slachtoffer] ( [telefoonnummer 1] ): “Komt goed hij zal mij niet vergeten wand ik ken hem goed en hij is betrouwbaar altijd gelijl geld”.11

Verder heeft [slachtoffer] op 8 februari 2015 via WhatsApp contact gehad met [vriendin 3] . Dit was omstreeks 22:15 uur. [slachtoffer] laat weten dat ze over de ‘zeik’ is en nog vijfentwintig euro voor de hele maand heeft. Vervolgens typt ze: “K kan 1x rije voor 300 euro ma dn maak [A] t uit’ (…). Jaa 600 euro maa ieder helf met diegene waar k mee rij (…) Maa k weet niet eens wat k moet rije want k krijg niks te zien (…)”.12 De getuige [getuige 15] heeft verklaard dat [slachtoffer] geld wilde verdienen om van schulden af te komen. Ze vertelde over ‘een pakketje’ en dat ze met een jongen uit Malden mee kon rijden. Ze zouden dan € 600,00 krijgen, dus voor ieder € 300,00.13

Vervolgens heeft verdachte op 8 februari 2015 om 23:43:52 uur vanuit de mast [adres 3] te Nijmegen geprobeerd contact te zoeken met het telefoonnummer van [slachtoffer] . [slachtoffer] stuurt om 23:46 uur vervolgens een WhatsApp-bericht naar verdachte met de vraag “hoelaat ben ik dan ongeveer terut”.14 Dit is kort voor het moment dat [slachtoffer] haar moeder belt en zegt dat ze weg moet met een vriendin.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer] in de nacht van 8 op 9 februari 2015 een afspraak had met verdachte in verband met het wegbrengen van een of meerdere pakketjes.

De vervolgvraag is of deze afspraak ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

De telefoon van verdachte heeft op 9 februari 2015 om 00:32:54 (cell-id 986), 00:50:09 (cell- id 4189) en 01:40:46 (cell-id 986) uur de mast aan de [adres 4] 4601 in Nijmegen aangestraald.15 Op de tijdstippen voor 00:32:54 en na 02:48:27 uur straalt de telefoon (grotendeels) weer de mast aan de [adres 3] in Nijmegen aan. Dit is de mast die vanuit de [instelling] in Nijmegen wordt aangestraald.16

Onderzocht is of het mogelijk is om, al dan niet geforceerd, deze cell-id’s 4189 en 986 (zendmast [adres 4] ) aan te stralen vanuit de [instelling] . Dit bleek niet mogelijk.17

De cell-id’s zijn wel ‘serving’ dan wel beschikbaar op de Hatertse Vennen.18 Dit is het gebied waar [slachtoffer] op 22 februari 2015 is aangetroffen.19 De telefoon van verdachte heeft in de gehele onderzochte periode van een jaar (24 februari 2014 tot en met 23 februari 2015) cell-id 4189 niet aangestraald en cell-id 986 slechts eenmaal op 16 februari 2015 aangestraald.20

De telefoon van [slachtoffer] heeft op 8 februari 2015 van 21:19:01 tot 23:54 uur – waarbij zij zoals overwogen volgens de verklaring van haar moeder thuis is geweest – de mast aan de [adres 5] 2 in Nijmegen aangestraald. Vervolgens heeft de telefoon van [slachtoffer]

tussen 00:21:34 en 01:53:52 uur de zendmast aan de [adres 4] 4401 (cell-id: 3892_221), aan de [adres 7] (cell-id: 27723_221) en de zendmast aan de [adres 8] (cell-id’s: 101665001 en eenmaal 63481_221)) in Nijmegen aangestraald.21 Vervolgens is de telefoon van [slachtoffer] om 02:48:28 uur uit het netwerk gegaan.22

In de nacht van 9 februari 2015 hebben zowel de telefoon van [slachtoffer] als de telefoon van verdachte de zendmast (met cell-id’s) aangestraald die dekking heeft op of in de omgeving van de vindplaats van [slachtoffer] in de Hatertse Vennen.23 Dit geldt voor de telefoon van [slachtoffer] tussen de tijdstippen 00:21 uur en 01:53 uur en voor de telefoon van verdachte tussen 00:32 en 01:40 uur.

De aanwezigheid van [slachtoffer] in de Hatertse Vennen in de nacht van 8 op 9 februari 2015 wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 7] . De getuige heeft verklaard dat hij in de nacht van 8 op 9 februari 2015 om 00:08 uur – nadat hij in de richting van de Hatertse Vennen was gereden – op het bospad de auto van [slachtoffer] (kenteken [kenteken] ) zag. De auto was leeg en stond met de voorzijde richting de doorgaande weg.24

Verdachte heeft zijn aanwezigheid in de nacht van 8 op 9 februari 2015 in de Hatertse Vennen ontkend. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij de [afdeling] (de afdeling van de [instelling] ) niet ongezien heeft (kunnen) verlaten.

Uit de verklaringen van medewerkers van de [instelling] volgt echter dat het ongezien verlaten van de [afdeling] wel mogelijk is. De getuige [getuige 5] van de [instelling] heeft verklaard dat bewoners de [afdeling] niet ongezien kunnen verlaten of ze moeten uit het raam klimmen.25 Dhr. [X] van de [instelling] heeft verklaard dat het mogelijk is dat verdachte de portier en de camera’s die er hangen heeft omzeild en het gebouw via het raam van een andere bewoner heeft verlaten. [bewoner] woont op de begane grond van de [afdeling] .26

De getuige [bewoner] heeft verklaard dat verdachte hem vertelde dat hij contact had met een meisje met een auto. Kort voor het weekend van 8 en 9 februari 2015 heeft hij haar ’s nachts meermalen geprobeerd te bellen. Verdachte vertelde dat dit meisje alles voor hem doet en dit niet zijn vriendin is. Verder heeft de getuige verklaard dat hij in de avond van 8 februari 2015 in de trein zat – die omstreeks 23:00 uur in Nijmegen aan zou komen – en werd gebeld door verdachte. Hij belde verdachte tussen 23:30 uur en 00:00 uur terug en vertelde dat hij weer in de [instelling] (de [afdeling] ) was. Vervolgens werd er tussen 23:30 en 00:00 uur op zijn deur geklopt. Verdachte stond voor zijn deur en liep naar binnen. Hij zei dat hij een afspraak had met het meisje met de auto. Hij had een blauwe jas en handschoenen aan en een muts op. Hij ging via het raam naar buiten. Omstreeks 02:30 uur werd de getuige opnieuw gebeld door verdachte. Verdachte zei dat hij het raam open moest maken en hij via zijn raam naar binnen wilde. Na ongeveer 10 minuten kwam verdachte uit de bosjes tevoorschijn. Hij klom naar binnen, deed zijn jas, handschoenen en sjaal uit en zei dat hij de spullen bij [bewoner] wilde laten en morgen weer wilde ophalen.27

Deze verklaring van de getuige [bewoner] wordt ondersteund door de telecomgegevens. In het overzicht van de contactmomenten is te zien dat verdachte om 22:26:03 uur de getuige [bewoner] heeft gebeld, om 23:24:53 uur door [bewoner] wordt gebeld en vervolgens om 0:02:35, 0:32:54 en 02:54:09 weer [bewoner] belt.28 Dit past ook bij de eerder genoemde telecomgegevens waaruit volgt dat verdachte om 01:40 uur nog een mast met een cell-id actief in de Hatertse Vennen heeft aangestraald.

Gelet op het voorgaande, in combinatie met de hierna opgenomen uitkomsten uit het sporenonderzoek, acht de rechtbank bewezen dat in de nacht van 8 op 9 februari 2015:

- verdachte [slachtoffer] daadwerkelijk heeft ontmoet in de Hatertse Vennen;

- verdachte door het raam van [bewoner] het terrein van de [instelling] heeft verlaten;

- zowel de telefoon van [slachtoffer] als de telefoon van verdachte een zendmast heeft aangestraald die dekking heeft op of in de omgeving van de vindplaats van [slachtoffer] ;

- de telefoon van verdachte in het jaar voorafgaand aan deze nacht geen enkele keer een zendmast heeft aangestraald die het gebied van de Hatertse Vennen bestrijkt;

- verdachte weer omstreeks 02:40 uur in de [instelling] ( [afdeling] ) aanwezig is geweest;

- de telefoon van [slachtoffer] om 01:53 uur voor het laatst contact heeft gemaakt met de zendmast die het gebied van de Hatertse Vennen bestrijkt.

Aantreffen van het lichaam van [slachtoffer] en de doodsoorzaak
Op zondag 22 februari 2015 wordt een zoekactie met speurhonden ingezet. Naar aanleiding van het feit dat [slachtoffer] ’s telefoon in de nacht van 8 op 9 februari 2015 voor het laatst een zendmast in de Hatertse Vennen heeft aangestraald wordt onder andere in dat gebied gezocht. Op de Hatertse Vennen, vlakbij de nabijgelegen parkeerplaats aan de Oude Nijmeegseweg te Heumen, wordt een levenloos lichaam van een vrouw aangetroffen. Zij ligt met haar gezicht naar beneden en is van haar onderkleding ontdaan. Zij is bedekt onder een laag van mos en takken.29 Na een confrontatie blijkt het te gaan om het lichaam van de vermiste [slachtoffer] .30

Op het lichaam van [slachtoffer] wordt op 24 februari 2015 sectie verricht door een forensisch patholoog. Daaruit volgt dat zij is overleden als gevolg van verwikkelingen van bij leven opgelopen samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals en de mondbodem. Daarbij waren het rechter bovenste hoorntje van het strottenhoofd en de eerste kraakbeenring van de luchtpijp gebroken. Deze letsels passen bij wurghandelingen, dan wel manuele strangulatie.
Het overlijden kan als gevolg van daardoor opgetreden verstikking/acuut opgetreden zuurstofgebrek goed worden verklaard. Er waren geen andere tekenen van bij leven opgelopen geweld. Verder zijn er aan beide benen opvallende krasvormige huidletsels waargenomen die passen bij het bewegen langs takjes en doorns en/of over een harde ondergrond. Deze letsels zijn waarschijnlijk na het intreden van de dood ontstaan.31

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat [slachtoffer] met geweld, te weten door verwurging, om het leven is gebracht, waarna het lichaam is verplaatst.

Tijdstip van overlijden [slachtoffer]
Tussen de vermissing van [slachtoffer] op 9 februari 2015 en het vinden van haar lichaam op 22 februari 2015 zitten veertien dagen. Het is van belang om vast te stellen wat het moment van overlijden is geweest.
Telefonisch contact en activiteit
[slachtoffer] heeft op zondagavond 8 februari 2015 om 23:54 uur contact met haar moeder ( [telefoonnummer 2] ).32 Op dit moment is [slachtoffer] nog thuis.33 Uit de printscreen van de WhatsAppconversatie tussen [slachtoffer] en haar vriendin [vriendin 2] volgt dat [slachtoffer] om 00:02 uur voor het laatst een bericht stuurt.34 Om 00:21 uur straalt [slachtoffer] ’s telefoon de zendmast Aldenhof in Nijmegen aan.35 Vriendinnen van [slachtoffer] ( [vriendin 2] en [vriendin 1] ) zien in hun WhatsAppconversatie dat [slachtoffer] om 00:42 uur voor het laatst online, en dus actief, is geweest.36 Vanaf 02:48:28 uur verdwijnt de telefoon van [slachtoffer] vervolgens uit het netwerk.37 De telefoon van [slachtoffer] is niet gevonden.38

De getuige [getuige 15] heeft verklaard dat [slachtoffer] haar telefoon ‘echt nooit’ uit heeft staan.39 Dit wordt bevestigd door de verklaring van verdachte (toen nog als getuige) dat [slachtoffer] altijd bezig is met haar telefoon.40

Auto [slachtoffer]
Zoals overwogen heeft de getuige [getuige 7] in de nacht van 8 op 9 februari 2015 om 00:08 uur – nadat hij in de richting van de Hatertse Vennen was gereden – op het bospad de auto van [slachtoffer] (kenteken [kenteken] ) gezien. [getuige 7] heeft verder verklaard dat hij perceel 15 ongeveer driehonderd meter voorbij is gereden en toen een oergeluid, een soort helpkreet, heeft gehoord. Toen hij er twintig minuten later opnieuw langs reed, stond de auto er niet meer.41

Getuige [getuige 6] ziet op maandag 9 februari 2015 om 11:30 uur een zwarte, scheef geparkeerde auto staan op de [adres 5] te Nijmegen. Op 10 februari 2015 ontdekt zij dat het gaat om de auto van [slachtoffer] , omdat zij ziet dat de politie zich dan over de auto heeft ontfermd.42 Getuige [getuige 8] bevestigt dat de auto (kenteken: [kenteken] ) daar op maandag 9 februari 2015 ook al stond.43 De auto van [slachtoffer] is onafgesloten aangetroffen, met daarin haar tas aan de passagierszijde voorin.44 Door haar ouders is verklaard dat de tas van [slachtoffer] ‘haar alles’ was en ze haar tas dus overal mee naar toe nam. Ze zou haar tas nooit zichtbaar in de auto achterlaten.45

Abnormaal gedrag volgens [slachtoffer] ’s ouders
[slachtoffer] ’s beide ouders verklaren dat het niets voor [slachtoffer] was om niet terug te keren en niets van zich te laten horen. [slachtoffer] liet volgens hen altijd weten waar zij was. Daarnaast moest zij werken op maandag en had zij daarvoor haar brood ook al klaargelegd, wat er volgens hen op wees dat zij de bedoeling had weer terug te keren. Ten slotte had [slachtoffer] , als zij nog had geleefd, absoluut iets laten weten volgens haar ouders.46

Onderzoek naar de maaginhoud van [slachtoffer]
Aan de maaginhoud van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is onderzoek gedaan. De maaginhoud bestond uit een kleine hoeveelheid vloeistof van 10 ml. Als avondeten heeft [slachtoffer] hoogstwaarschijnlijk pasta gegeten en daarna heeft zij chips gegeten. De maaltijd waar de aangetroffen vloeistof van over is gebleven valt niet te reconstrueren. De aangetroffen vloeistof is echter niet in tegenspraak met wat [slachtoffer] (mogelijk) de avond van 8 februari 2015 heeft genuttigd. Het passeren van voedsel door de maag bedraagt gemiddeld twee tot vier uren.47

Getuigen [getuige 9] en [getuige 10]
Getuigen [getuige 9] en [getuige 10] verklaren beiden dat zij [slachtoffer] op maandag 9 februari 2015 rond 19:45 uur nog hebben gezien. Zij zaten samen in de auto en naast haar zou een jongen met een wit petje op hebben gezeten. Al stilstaand bij een verkeerslicht zouden zij naar [slachtoffer] hebben gezwaaid en zou [slachtoffer] hebben teruggezwaaid. Beide getuigen verklaren zeker te weten dat het om [slachtoffer] ging, nu zij haar kennen van haar werk bij de Action, en verklaren dat zij zeker weten dat het om maandag 9 februari 2015 ging, nu zij dit relateren aan een voetbalwedstrijd die zij die dag zouden bezoeken.

Door de raadsman is naar voren gebracht dat gelet op deze getuigenverklaringen niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] op 9 februari 2015 is overleden.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
De politie heeft onderzocht of de vriend van [slachtoffer] , [A] , de jongen met het petje kan zijn geweest. [A] heeft verklaard dat hij een wit petje draagt. Hij verklaart dat hij dit petje voor het laatst op zaterdag 7 februari 2015 heeft gedragen, nadat hij en [slachtoffer] met vrienden zijn gaan zwemmen. Hij verklaart dat hij op de weg terug naar huis deze pet heeft gedragen en dat hij rechtsvoor of rechtsachter in de auto heeft gezeten.48[A] heeft vervolgens verklaard dat hij op 8 februari 2015 naar de kazerne in Oirschot is vertrokken.49Verschillende personen verklaren dat [A] zich op de kazerne in Oirschot bevond op 9 februari 2015 en dat hij zich meldde bij het appel. De registraties via zijn openbaar vervoerskaart laten zien dat hij met het openbaar vervoer naar Oirschot is afgereisd met de trein en met de bus. Ten slotte laten de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [A] zien dat de zendmast van de [adres 6] te Oirschot op zondagavond 8 februari 2015 en maandag 9 februari 2015 is aangestraald.50

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat getuigen [getuige 9] en [getuige 10] [slachtoffer] op 9 februari 2015 ’s avonds nog – als inzittende van haar auto – in leven hebben gezien, omdat:

  • -

    de telefoon van [slachtoffer] in de nacht van 8 op 9 februari 2015 van het netwerk is gegaan;

  • -

    haar auto al op maandag(ochtend) 9 februari 2015 wordt gezien door getuigen op de [adres 5] ;

  • -

    het niet bij [slachtoffer] paste om geen contact op te nemen met haar ouders;

  • -

    [A] de jongen met het petje op 9 februari 2015 niet kan zijn geweest.

De rechtbank stelt op grond van genoemde bewijsmiddelen vast dat [slachtoffer] is overleden in de nacht van 8 op 9 februari 2015, waarbij de telefoon van [slachtoffer] om 00:42 uur voor het laatst online is geweest.

Daderwetenschap

Verdachte heeft verder tegenover de verbalisanten – op een moment dat hij nog niet als verdachte was aangemerkt – verklaard dat hij niet snapte dat [slachtoffer] op de heide is gevonden, omdat daar altijd veel mensen lopen en ook kinderen tussen de struiken lopen. De verbalisanten maken daarop de volgende opmerking in het proces-verbaal: “Wij (…) hadden de familieleden nog geen informatie verstrekt over de plaats en omstandigheden waarop het lichaam is aangetroffen”.51Het gaat hier om informatie die verdachte als familielid niet heeft gekregen en enkel bekend is bij een persoon die haar daar ter plaatse heeft achtergelaten.

De rechtbank stelt op grond van genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte daderwetenschap heeft over de vindplaats van [slachtoffer] .

Sporen op [slachtoffer] en in de omgeving

De auto

In de auto van [slachtoffer] , kenteken [kenteken] , zijn onder meer aan de buitenzijde van het portier aan de linker voorzijde ( [bloedspoor 1] ) en aan de rechterzijkant van de passagiersstoel ( [bloedspoor 2] ) bloedsporen aangetroffen. In deze bloedsporen is een DNA-profiel aangetroffen, dit profiel matcht met verdachte. De matchkans met een willekeurig ander persoon is kleiner dan 1 op 1 miljard.52 De omstandigheid dat het bij het spoor aan de buitenzijde van het portier ( [bloedspoor 1] ) om een onvolledig DNA-profiel gaat, doet aan de bewijswaarde van deze matchkans niets af.

In de sporen aan de binnenzijde van het portier links voor (rechts van deurknopje: [deurknopje 1] en [deurknopje 2] ) zijn DNA-mengprofielen aangetroffen. Het DNA-profiel van verdachte – zonder dat de matchkans is berekend – past in dit profiel. Dit geldt ook voor het DNA-profiel aan de rechterzijde van de passagiersstoel ( [passagiersstoel] ). Van dit laatste spoor worden de bevindingen meer dan één miljoen keer waarschijnlijker (rechtbank: de hoogste waarschijnlijkheidsgradatie van het NFI) geschat als de bemonstering celmateriaal bevat van verdachte en een willekeurig onbekende persoon dan als het gaat om celmateriaal van twee willekeurig onbekende personen.53

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij mogelijk op de begraafplaats, waar hij die zondagmiddag [slachtoffer] heeft ontmoet, (rechtbank: 8 februari 2015) een schaafwondje heeft opgelopen dat het bloedspoor heeft veroorzaakt. Nu deze verklaring op geen enkele wijze wordt ondersteund en gelet op alle overige sporen (die hierna zullen volgen) waarvoor verdachte geen enkele verklaring heeft gegeven, acht de rechtbank dit niet aannemelijk geworden.

Mesdelen

Verder is er op ongeveer 35 meter afstand van [slachtoffer] in de richting van de weg een heft van een mes aangetroffen ( [mes] ).54 In de auto van [slachtoffer] zijn op de vloermat aan de bestuurderszijde twee delen van een lemmet ( [lemmet] ) aangetroffen.55 De vriend van [slachtoffer] , getuige [getuige 15] , herkent deze lemmetdelen niet. Hij heeft nooit een mes in haar auto of tas gezien.56 Dit geldt ook voor de ouders van [slachtoffer] , die verklaren dat het echt niks is voor [slachtoffer] om een mes te dragen.57 Gelet op dit voorgaande acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte zijn DNA tijdens het vervoer naar dan wel vanaf de begraafplaats op dit lemmetdeel heeft achtergelaten.

Op een van de lemmetdelen ( [lemmetdeel] zijnde het deel zonder de punt) is een DNA-profiel aangetroffen. Dit profiel matcht met verdachte. De matchkans met een willekeurig ander persoon is daarbij kleiner dan 1 op 1 miljard.58

Er is onderzocht of de lemmetdelen in de auto en het heft één geheel hebben gevormd. De conclusie is dat de bevindingen van het onderzoek meer dan één miljoen keer waarschijnlijker zijn wanneer de lemmetdelen en het heft oorspronkelijk één geheel hebben gevormd dan als de lemmetdelen en het heft afkomstig zijn van twee of drie verschillende messen.59

Kleding

De verbalisant die ter plaatse gaat wanneer het lichaam door het zoekteam is aangetroffen neemt waar dat de benen van dat lichaam ontbloot zijn en het onderlichaam mogelijk ook ontbloot is.60 Van het gevonden lichaam zijn foto’s aan het dossier toegevoegd. Op deze foto’s neemt de rechtbank waar dat het onderlichaam geheel ontbloot is en dat dus zowel de onderkleding als het ondergoed ontbreekt.61 De onderkleding en het ondergoed zijn ondanks dat ernaar gezocht is nooit meer aangetroffen.62

Op het shirt dan wel de trui van [slachtoffer] ( [trui] ) zijn ook sporen aangetroffen. Op deze trui is tweemaal het DNA-profiel aangetroffen dat matcht met verdachte. De matchkans bij deze sporen (#03 op de linker oksel en #09 bloed op de schouder) is kleiner dan 1 op 1 miljard.63 Getuige [getuige 17] heeft verklaard dat [slachtoffer] deze trui niet droeg op de foto die ze de avond voor haar vermissing (rechtbank: de avond van 8 februari 2015) stuurde.64 Gelet op deze verklaring acht de rechtbank bewezen dat deze sporen in de nacht van 8 op 9 februari 2015 op het shirt/de trui terecht zijn gekomen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de sporen op de oksel – evenals de krassporen op de benen van [slachtoffer] – passen bij het verslepen van een lichaam.

Verder is er onder het hoofd en de rechter bovenarm van [slachtoffer] een bontkraag ( [bontkraag] ) aangetroffen.65 In de bemonsteringen van de uiteinden van de bontkraag is in twee sporen (#04 aan de binnenzijde en #05 aan de buitenzijde) een DNA-mengprofiel aangetroffen, waarbij de DNA-profielen van verdachte en [slachtoffer] in dit profiel passen. Verder zijn de bevindingen van het DNA-onderzoek meer dan één miljoen keer waarschijnlijker als de bemonstering celmateriaal van [slachtoffer] en verdachte bevat dan als deze bemonstering celmateriaal van [slachtoffer] en een willekeurig onbekende persoon bevat (niet verwant aan [slachtoffer] en verdachte).66

Op de plaats delict is verder een zwart knoopje ( [knoopje] ) aangetroffen. Deze knoop was niet afkomstig van de kleding van de verbalisanten die de kleding hadden verpakt. Het paste ook niet bij de op het slachtoffer aangetroffen kleding.67 De jas van [slachtoffer] is niet bij haar lichaam in de Hatertse Vennen aangetroffen. Door de verbalisanten is een vergelijkbare jas met bontkraag aangeschaft voor nader onderzoek. Daarbij werd gezien dat de bontkraag aan de buitenzijde van de capuchon vast zat middels drukknopen. Aan de binnenzijde van de capuchon zat de bontkraagkraag onder meer vast met elastiekenlussen en zwarte knoopjes.68 Deze knoopjes kwamen qua kleur, grootte en vorm overeen met de knoop die bij het lichaam van [slachtoffer] was aangetroffen.69 Door de verbalisanten wordt dan ook geconcludeerd dat de bontkraag onder het lichaam van [slachtoffer] afkomstig was van de jas van [slachtoffer] .70 De rechtbank neemt deze conclusie over, te meer nu ook DNA van [slachtoffer] op deze kraag is aangetroffen. De getuige [getuige 15] heeft verklaard dat hij omstreeks 17:15 uur bij het huis van [slachtoffer] is weggegaan. Op dat moment droeg zij haar glimmende jas met bontkraag.71 Dit wordt bevestigd door de moeder van [slachtoffer] , die heeft verklaard dat [slachtoffer] inderdaad deze jas droeg toen zij op 8 februari 2015 ongeveer om 17:00 uur thuis kwam.72 Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de jas op 8 februari 2015 nog intact was.

Bemonsteringen nagels/pols

Onder de nagels van de linkerhand van [slachtoffer] is een DNA-mengprofiel aangetroffen ( [spoor 4] ). De DNA-profielen van [slachtoffer] en verdachte passen in dit profiel. Verder past het DNA-profiel van verdachte in de sporen op de rechterpols ( [spoor 3] ) en op de linkerpols ( [spoor 2] ) Ten aanzien van deze drie sporen geldt dat de bevindingen van het DNA-onderzoek door het NFI 10.000 tot één miljoen keer waarschijnlijker zijn als de bemonstering celmateriaal van verdachte bevat dan als de bemonstering celmateriaal van een willekeurig (niet verwante) onbekende persoon bevat.73

Sperma

Op de bovenzijde van de tong van [slachtoffer] is een spermaspoor aangetroffen ( [spoor 1] ). Van dit spermaspoor is een DNA-profiel vastgesteld. Dit profiel matcht met het profiel van verdachte. De matchkans met een willekeurig ander persoon is kleiner dan 1 op 1 miljard.74

Aan het NFI is vervolgens de vraag gesteld of het waarschijnlijker is dat het aangetroffen sperma daar tijdens de ontmoeting op zondagmiddag (8 februari 2015) in de mond is gekomen, dan wel dat het daar is gekomen kort voor of na het overlijden van [slachtoffer] . Door het tijdsverloop in combinatie met de gedragingen van [slachtoffer] (eten, drinken, tanden poetsen enz.). acht het NFI de bevindingen bij het aantreffen van sperma van verdachte in de mond van [slachtoffer] 10 tot 100 keer waarschijnlijker als dit kort voor of na het overlijden in haar mond is gekomen dan dat het tijdens de ontmoeting op het kerkhof op 8 februari 2015 in haar mond is gekomen.75

Samenvatting van de aangetroffen sporen

Uit het voorgaande volgt dat:

  • -

    er DNA van verdachte aan de buiten- en binnenzijde van de auto van [slachtoffer] is aangetroffen;

  • -

    er DNA van verdachte op een lemmetdeel – dat niet eerder in de auto heeft gelegen – is aangetroffen;

  • -

    dit lemmetdeel en het tweede lemmetdeel (beide in de auto aangetroffen) met de naar termen van het NFI hoogst mogelijke gradatie van waarschijnlijkheid één geheel vormen met het heft dat in de nabijheid van het lichaam is aangetroffen;

  • -

    de bontkraag van de jas van [slachtoffer] onder het hoofd en de rechter bovenarm van [slachtoffer] is gevonden;

  • -

    op deze bontkraag een mengprofiel van het DNA van [slachtoffer] en verdachte (met de hoogst mogelijke gradatie van waarschijnlijkheid) is aangetroffen;

  • -

    het DNA van verdachte op de trui (onder de oksel) – die [slachtoffer] nog niet in de avond van 8 februari 2015 heeft gedragen – is aangetroffen;

  • -

    de jas van [slachtoffer] en de kleding voor haar onderlichaam ontbreken;

  • -

    onder de nagels van [slachtoffer] en op de polsen van [slachtoffer] sporen zijn aangetroffen, die het DNA van verdachte bevatten (10.000 tot één miljoen keer waarschijnlijker dat het DNA afkomstig is van verdachte dan van een willekeurig ander persoon);

  • -

    op de bovenzijde van de tong sperma van verdachte is aangetroffen,

  • -

    het 10 tot 100 keer waarschijnlijker is dat dit sperma kort voor of na het overlijden in de mond van [slachtoffer] is gekomen.

Vrijwillige seks?

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het waarschijnlijk is dat het seksueel contact een vrijwillig contact kan zijn geweest. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Gelet op de afspraak – zoals reeds aan de orde geweest – die [slachtoffer] met verdachte had, namelijk voor het wegbrengen van een of meerdere pakketjes, is het onaannemelijk dat seksueel contact voor [slachtoffer] het doel van de afspraak is geweest. Daarnaast is verdachte [slachtoffer] ’s oom. Hij is de broer van haar vader die 31 jaar ouder is dan zij. Deze omstandigheden maken het niet aannemelijk dat zij vrijwillig orale seks heeft gehad met verdachte. Dit wordt ook bevestigd door getuige [getuige 17] . Zij zegt dat de kans nul komma nul procent is dat [slachtoffer] seksueel contact onderhield met verdachte.76

Over het aantreffen van zijn sperma in [slachtoffer] ’s mond heeft verdachte immer gezwegen. Alleen op de vraag of verdachte ’s middags op 8 februari 2015 bij de begraafplaats seksueel contact heeft gehad geeft verdachte antwoord: “Nee”.77

De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat:

  • -

    [slachtoffer] in de nacht van 8 op 9 februari 2015 een afspraak heeft gehad met verdachte;

  • -

    verdachte in de nacht van 8 op 9 februari 2015 [slachtoffer] daadwerkelijk heeft ontmoet in de Hatertse Vennen;

  • -

    de telefoon van verdachte voorafgaand aan deze nacht, in de hele onderzoeksperiode geen telefoonmasten heeft aangestraald die dit gebied bestrijken;

  • -

    dat [slachtoffer] met geweld om het leven is gebracht, waarna het lichaam is verplaatst;

  • -

    dat [slachtoffer] is overleden in de nacht van 8 op 9 februari 2015;

  • -

    dat verdachte daderwetenschap heeft over de vindplaats van [slachtoffer] ;

  • -

    dat verdachte omstreeks 02:40 uur weer in de [instelling] ( [afdeling] ) was;

  • -

    de telefoon van [slachtoffer] om 01:53 uur voor het laatst contact heeft gemaakt met de zendmast die het gebied van de Hatertse Vennen bestrijkt en om 02:48:28 uur uit het netwerk verdwijnt.

Gelet op het voorgaande, in samenhang en tijdsverband bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank orale verkrachting en doodslag van [slachtoffer] door verdachte worden bewezen. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat:

  • -

    verdachte orale seks heeft gehad met [slachtoffer] , zijn sperma is immers in de mond van [slachtoffer] aangetroffen;

  • -

    de seks kort voor haar overlijden heeft plaatsgevonden;

  • -

    [slachtoffer] geen vrijwillige seks met verdachte heeft gehad, immers:

o [slachtoffer] heeft zich verweerd (DNA van verdachte zat onder haar nagels en het is een feit van algemene bekendheid dat DNA-materiaal onder de nagels wijst op verzet);

o haar lichaam is deels ontkleed aangetroffen;

o bij de vindplaats van [slachtoffer] is een heft van een mes aangetroffen en het daarbij passende lemmet is in twee delen in de auto van [slachtoffer] aangetroffen, met daarop DNA van verdachte. Het is een feit van algemene bekendheid dat een mes een voorwerp betreft dat gebruikt kan worden om dwang uit te oefenen middels bedreiging.

o het grote leeftijdsverschil, de familierelatie en de verklaring van de getuige [getuige 17] , maken een vrijwillig seksueel contact tussen beiden niet aannemelijk;

  • -

    het verdachte is geweest die het lichaam van [slachtoffer] heeft versleept en verstopt, zijn DNA is immers aangetroffen op haar polsen, op haar trui (onder meer het deel van de trui onder de oksel) en op de bontkraag die onder haar lichaam is aangetroffen;

  • -

    verdachte de auto van [slachtoffer] , na haar dood heeft verplaatst, immers delen van het mes zijn zowel in de auto als in de buurt van het lichaam aangetroffen en op het deel in de auto zat DNA van verdachte.

Ten aanzien van de verkrachting overweegt de rechtbank dat daaronder is begrepen de tenlastegelegde mogelijkheden dat verdachte hierbij het mes heeft gebruikt en/of [slachtoffer] ’s polsen heeft vastgepakt en/of haar met geweld en/of bedreiging met geweld van haar kleding heeft ontdaan.

Gekwalificeerde doodslag
De rechtbank heeft vastgesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] oraal heeft verkracht en haar heeft gedood.

Voor de bewezenverklaring van een gekwalificeerde doodslag in deze zaak is het noodzakelijk dat vastgesteld wordt dat de doodslag is gepleegd om ofwel de verkrachting voor te bereiden, ofwel gemakkelijker te maken, ofwel om de straffeloosheid ten aanzien van de verkrachting te verzekeren bij betrapping op heterdaad.

[slachtoffer] heeft rond middernacht de woning verlaten en verdachte was rond half drie die nacht weer thuis. In de tussentijd heeft [slachtoffer] verdachte ergens opgepikt, zijn zij naar de Hatertse Vennen gereden, heeft verdachte [slachtoffer] verkracht, gedood, haar lichaam verplaatst en verstopt. Vervolgens is verdachte met de auto van [slachtoffer] naar de [adres 5] gereden en moest hij daar vandaan naar huis lopen. Op grond hiervan komt de rechtbank tot de conclusie dat de verkrachting en het doden van [slachtoffer] in een kort tijdsbestek hebben plaatsgevonden. Uit het verplaatsen en verstoppen van het gedeeltelijke ontklede lichaam volgt dat verdachte ontdekking van zijn daad wilde voorkomen. Op grond daarvan komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte [slachtoffer] heeft gedood met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren. De wet schrijft niet voor dat het moet gaan om betrapping door een derde. Ook het slachtoffer, in dit geval [slachtoffer] , kan gezien worden als degene die verdachte op heterdaad heeft betrapt. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich naast de verkrachting ook heeft schuldig gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag.

Bij de bewezenverklaring houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte meermalen is geconfronteerd met de uitkomsten van het opsporingsonderzoek die in onderlinge samenhang redengevend zijn voor het bewijs. Het gaat om feiten en omstandigheden die schreeuwden om uitleg, maar verdachte heeft zich telkens op zijn zwijgrecht beroepen. Hij heeft geen andere verklaring gegeven die deze redengevendheid voor het bewijs ontzenuwt.

Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte heeft verklaard dat hij die nacht in de [instelling] was. Met deze leugen heeft hij zich kennelijk een alibi willen verschaffen.

Vrijspraak van moord en vaginale verkrachting

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] vaginaal heeft verkracht en heeft vermoord. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 05/880353-15 gekwalificeerde doodslag en de onder parketnummer 05/780080-16 tenlastegelegde verkrachting heeft begaan.

Met betrekking tot parketnummer 05/880353-15:

hij op of omstreeks 09 februari 2015, althans op een tijdstip in de periode van 9 februari 2015 tot en met 22 februari 2015, te Nijmegen en/of in de gemeente Heumen, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] te wurgen, in die zin dat haar, door samendrukkend en/of omsnoerend

geweld op de hals en/of op de mondbodem, de adem is ontnomen en/of zij verstikt is en/of daardoor (of op andere wijze) om het leven is gekomen en/of gebracht, welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten te weten: het (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingen van [slachtoffer] tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit

het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , namelijk het (telkens) met de penis binnendringen in de vagina en/of in de mond van die [slachtoffer] , welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan dat verdachte opzettelijk

-die [slachtoffer] met een mes heeft bedreigd en/of

-die [slachtoffer] op enige (niet nader bekend geworden) wijze met geweld te dreigen en/of haar geweld aan te doen en/of die [slachtoffer] (bij de pols(en)) heeft vastgepakt en/of

-(met geweld en/of bedreiging met geweld) die [slachtoffer] van haar kleding

heeft ontdaan en

welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit

voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad,

aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren.

Met betrekking tot parketnummer 05/780080-16:

hij op of omstreeks 9 februari 2015, althans op een tijdstip in de periode van 9 februari 2015 tot en met 22 februari 2015, te Nijmegen en/of in de gemeente Heumen, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het (telkens) het met de penis binnendringen van de vagina en/of de mond en welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan dat verdachte opzettelijk

-die [slachtoffer] met een mes heeft bedreigd en/of

-die [slachtoffer] op enige (niet nader bekend geworden) wijze met geweld te

dreigen en/of haar geweld aan te doen en/of

-die [slachtoffer] (bij de pols(en)) heeft vastgepakt en/of (met geweld) die

[slachtoffer] van haar kleding heeft ontdaan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/880353-15 onder subsidiair:

Doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren.

Ten aanzien van parketnummer 05/780080-16:

Verkrachting.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de gekwalificeerde doodslag onder parketnummer 05/880353-15 en de onder parketnummer 05/780080-16 tenlastegelegde verkrachting zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Zij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat de ernst van het feit, de gevolgen daarvan voor de nabestaanden van het slachtoffer, het handelen van verdachte na het plegen van het feit en het recidiveren van verdachte in ernstige delicten een lange gevangenisstraf rechtvaardigen. De officier van justitie acht verdachte niet volledig toerekeningsvatbaar. De officier van justitie heeft daarnaast geëist, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dit eist, dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd. Met betrekking tot het beslag heeft de officier van justitie de teruggave van de in beslag genomen goederen aan de beslagene gevorderd.

Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft in geval van bewezenverklaring en strafoplegging verzocht de hoogte van een eventuele gevangenisstraf te matigen wanneer daarnaast ook de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd. De raadsman heeft daarnaast verzocht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het beslag.


Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 14 april 2016;

- een rapportage Pro Justitia van het NIFP Pieter Baan Centrum, d.d. 14 januari 2016;

- een rapportage Pro Justitia van het NIFP Pieter Baan Centrum, d.d. 24 november 2003;

- een multidisciplinair rapport van drs. [psycholoog] , psycholoog, gedateerd 1 juli 2010 en van dr. [psychiater] , psychiater, gedateerd 26 juli 2010;

- een rapportage van de [instelling] (hierna: de kliniek) d.d. 2 juli 2014.

Verdachte heeft zijn nichtje, van toen 21 jaar, overgehaald om in de nacht van 8 op 9 februari 2015 in de Hatertse Vennen (een natuurgebied bij Nijmegen) met hem af te spreken of met hem mee daar naartoe te gaan. Dit zodat zij een of meerdere pakketjes kon wegbrengen voor hem waarvoor zij dan geld zou krijgen. Het is nooit duidelijk geworden in hoeverre verdachte echt pakketjes met zijn nichtje zou gaan wegbrengen. Wel is gebleken dat verdachte zijn nichtje - in de tijd dat hij met haar in de Hatertse Vennen was, oraal heeft verkracht. Hij heeft haar gewurgd en heeft vervolgens haar - half ontblote - lichaam achtergelaten en toegedekt met takken opdat zij niet gemakkelijk gevonden zou worden en zijn verschrikkelijke daden daarmee niet aan het licht zouden komen.

De laatste momenten in het leven van het slachtoffer moeten onvoorstelbaar angstig voor haar zijn geweest. Verdachte heeft het slachtoffer vernederd en haar daarna het meest kostbare bezit, namelijk haar leven, ontnomen. Verdachte heeft zich daarbij enkel om zijn eigen lustgevoelens bekommerd. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Na het plegen van dit feit heeft verdachte gezwegen, zowel tijdens het politieonderzoek als tijdens het onderzoek ter terechtzitting, over wat hij heeft gedaan en waar hij het slachtoffer heeft achtergelaten. Verdachte heeft het verdriet gedeeld en over en weer troost geboden en troost genoten van zijn familie. Verdachte heeft Facebook-zoekacties georganiseerd, voorop gelopen in de voor het slachtoffer georganiseerde rouwstoet en haar kist naar haar graf gedragen. Verdachte heeft, met deze laatstgenoemde handelingen in het bijzonder, een groot gebrek aan respect getoond voor zowel het slachtoffer als de nabestaanden die hem hebben geholpen bij zijn re-integratie in de maatschappij. Verdachte heeft de nabestaanden, met name de ouders en de broer van het slachtoffer, onbeschrijflijk veel leed berokkend. Zij zullen moeten leven met de wetenschap dat hun dochter is verkracht en op gewelddadige wijze is gedood door een familielid, dat zich nota bene onder hun troostende arm en in hun huis heeft bevonden nadat het is gebeurd. Ook de schok die het door verdachte gepleegde feit in de samenleving, met name in de regionale gemeenschap, teweeg heeft gebracht, zal bij de strafoplegging worden betrokken.

Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan de meest ernstige strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent: verkrachting en gekwalificeerde doodslag. Op gekwalificeerde doodslag (het doden van een mens na een strafbaar feit om zelf straffeloos te blijven) staat een strafmaximum van dertig jaren of een levenslange gevangenisstraf.

De rechtbank houdt naast het reeds genoemde ook rekening met het feit dat verdachte met zijn handelen ernstig is gerecidiveerd in het plegen van zedendelicten. Verdachte is sinds 1985 driemaal eerder veroordeeld voor zedenzaken (waaronder verkrachtingen). Aan verdachte zijn telkens lange gevangenisstraffen opgelegd. Voor het laatste zedendelict heeft verdachte in 2004 de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (verder: TBS-maatregel) opgelegd gekregen. Hij heeft nog tijdens het ondergaan van deze maatregel zijn nichtje verkracht en gedood.

De rechtbank is van oordeel dat alleen een zeer lange gevangenisstraf op zijn plaats is, waarbij de rechtbank het genoemde strafmaximum van 30 jaren of levenslang heeft overwogen. Zowel uit oogpunt van vergelding als uit preventief oogpunt. De maatschappij dient beschermd te worden tegen verdachte. De belangrijkste reden voor de rechtbank om niet het strafmaximum op te leggen, is dat de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht en hem de feiten daarom niet volledig kunnen worden toegerekend. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren een passende en geboden straf. De rechtbank legt een hogere straf op dan door de officier is geëist, nu de rechtbank dit gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden zoals genoemd en het feit dat verdachte is gerecidiveerd gerechtvaardigd acht.

Omdat verdachte een gevaar is voor de samenleving vindt de rechtbank dat verdachte - ook na lange tijd – niet zonder meer mag terug keren in de samenleving. Op zichzelf zou na afloop van de gevangenisstraf de eerder aan verdachte opgelegde TBS-maatregel herleven. Dit vindt de rechtbank echter te weinig waarborg bieden om de samenleving te beschermen tegen verdachte, omdat die maatregel is opgelegd vanwege een ander indexdelict. Om die reden zal de rechtbank verdachte opnieuw een TBS-maatregel opleggen.

Over het opleggen van de TBS-maatregel overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat de gekwalificeerde doodslag onder parketnummer 05/880353-15 en de onder parketnummer 05/780080-16 bewezenverklaarde verkrachting misdrijven betreffen als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is.

Om een TBS-maatregel te kunnen opleggen dient, ingevolge het eerste lid van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, de vraag te worden beantwoord of bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast moet de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eisen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek door het Pieter Baan Centrum. In dat geval kan de rechtbank zich bij de beantwoording van voorgaande vragen baseren op rapporten uit het verleden.

Gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis
Uit de rapportage van de kliniek van 2014 volgt dat verdachtes meest actuele hoofddiagnose is dat hij lijdende is aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast kampt verdachte met middelenafhankelijkheid en een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Naar verwachting van de kliniek zal de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte nooit helemaal verdwijnen. Deze diagnose volgt ook uit de eerdere rapportages.

In de verlengingsrapportage van 2010 wordt door zowel de psycholoog als de psychiater geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis of een gemengde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke, narcistische en antisociale kenmerken, waarbij middelenmisbruik c.q. middelenafhankelijkheid steeds een grote rol speelt. Door de psycholoog wordt tevens geconcludeerd dat de diagnostiek door de jaren heen redelijk consistent is.

In het rapport van het Pieter Baan Centrum van 2003 wordt door zowel de psychiater als de psycholoog geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan een gemengde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en afhankelijke trekken en middelenmisbruik. Ook uit het meest recente rapport van het Pieter Baan Centrum, waar verdachte medewerking aan heeft geweigerd, volgt dat de dynamiek van verdachtes problematiek hetzelfde is gebleven.

Op basis van het feit dat bij verdachte gedurende vele jaren eenzelfde soort gebrekkige ontwikkeling en stoornis wordt vastgesteld en dat deze diagnostiek aan weinig tot geen verandering onderhevig is – en volgens deskundigen nooit weg zal gaan – concludeert de rechtbank als volgt. Bij verdachte is ook nu nog sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en afhankelijke kenmerken en van een ziekelijke stoornis in de vorm van middelenmisbruik. Dit was ook zo ten tijde van het plegen van de delicten.

De rechtbank is, met de officier van justitie, gelet op voorgaande vaststellingen van oordeel dat de feiten verdachte verminderd kunnen worden toegerekend.

Risico’s
In het meest recente rapport van het Pieter Baan Centrum staat dat verdachtes middelengebruik een groot risico vormt. Gelet op verdachtes persoonlijkheidsproblematiek bestaat zonder behandeling van die problematiek een hoog risico op terugval in middelengebruik en op gewelddadig of seksueel grensoverschrijdend gedrag. Uit de eerdere rapportages volgt dezelfde conclusie: zonder een TBS-kader wordt het risico op seksueel geweld ten aanzien van vrouwen, met name op langere termijn, hoog ingeschat.

Het herhalingsgevaar heeft zich in deze feiten ook verwezenlijkt, waarbij de rechtbank al heeft opgemerkt dat verdachte driemaal eerder is veroordeeld voor zedendelicten. Ook in eerdere rapportages wordt door deskundigen geconcludeerd dat een TBS-kader noodzakelijk wordt geacht voor een behandeling. De rechtbank stelt vast dat verdachte geen enkel inzicht heeft willen geven in zijn geestesgesteldheid. Daargelaten of een toekomstige behandeling bij verdachte nog enig effect zal sorteren: voor de rechtbank staat de veiligheid van de maatschappij voorop. Om die reden zal de rechtbank overgaan tot het opleggen van de TBS-maatregel na afloop van de gevangenisstraf, nu volgens de rechtbank het herhalingsgevaar voor zeden- en geweldsmisdrijven hoog te noemen is.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

De gekwalificeerde doodslag onder parketnummer 05/880353-15 en de onder parketnummer 05/780080-16 verkrachting zijn misdrijven die een gevaar opleveren voor of een krenking zijn van de lichamelijke integriteit van een of meer personen. Dit betekent dat de TBS-maatregel niet is beperkt tot de duur van vier jaar.

Met betrekking tot het beslag:

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de na te melden in beslag genomen voorwerpen aan de veroordeelde.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [getuige 3] , [benadeelde 1] (ouders van [slachtoffer] ) en [benadeelde 2] (broer van [slachtoffer] ) hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de bewezenverklaarde gekwalificeerde doodslag (05/880353-15) en verkrachting (05/780080-16). Gevorderd wordt door ieder een bedrag van € 31.740,-. Er is verzocht om met betrekking tot het gevorderde smartengeld van € 30.000,- (immateriële schade) het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2015 dan wel vanaf 22 februari 2015 en een schadevergoedingsmaatregel voor het gehele gevorderde bedrag vermeerderd met de wettelijke rente op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voor alle benadeelde partijen de kosten voor de grafrechten en het onderhoud van het graf kunnen worden toegewezen. Verder heeft de officier van justitie voor een ieder verzocht om een bedrag aan smartengeld toe te kennen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen te verklaren, nu de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafproces vormt. Daartoe heeft de raadsman ten eerste aangevoerd dat het gaat om civielrechtelijke complexe vorderingen met hoge bedragen en aan verdachte alleen een strafrechtadvocaat is toegewezen. De vordering is niet eenvoudig van aard. Dit geldt te meer nu het niet alleen gaat om shockschade, maar ook om gebeurtenissen zoals het meelopen in de stille tocht. Tot slot is aangevoerd dat eventuele psychische problematiek door een onafhankelijke deskundige dient te worden vastgesteld en de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het overlijden van [slachtoffer] bij haar ouders en broer, maar ook bij vele andere directe naasten, onvoorstelbaar leed heeft toegebracht. Dit grote verdriet is de rechtbank duidelijk en staat ook niet ter discussie. Er is echter op dit moment nog geen wetgeving waardoor het toekennen van schade ten gevolge van groot verdriet of rouwverwerking (affectieschade) mogelijk is.

Het smartengeld en de aantasting in persoon

De ouders en broer van [slachtoffer] vorderen shockschade. In het zogenaamde Taxibusarrest (waarbij het ging om een moeder die kort na een verkeersongeval met haar ernstig verminkte en overleden dochter werd geconfronteerd) is bepaald dat shockschade alleen wordt toegekend aan degene die het ongeval heeft waargenomen of direct is geconfronteerd met de ernstige gevolgen daarvan. Bovendien moet er dan sprake zijn van een als gevolg van die confrontatie ontstaan geestelijk letsel waarvan in het algemeen slechts sprake zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Uit het voorgaande volgt dat pas sprake is van shockschade als een onafhankelijke psychiater heeft vastgesteld dat bij de nabestaande sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Een toekenning van een bedrag voor shockschade aan de ouders van [slachtoffer] stuit hierop al af. Er is geen (onafhankelijke) psychiater die bij de ouders van [slachtoffer] geestelijk letsel heeft vastgesteld. Daarbij geldt voor de broer van [slachtoffer] dat onderbouwing van geestelijk letsel geheel ontbreekt.

De rechtbank kan op dit moment niet vaststellen of het overlijden van [slachtoffer] bij haar ouders en broer heeft geleid tot een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Om dit nader uit te zoeken zou een onevenredige belasting vormen voor het strafproces.

De ouders en de broer van [slachtoffer] hebben ook aangeven vergoeding te willen vanwege de aantasting in hun persoon. Hoe invoelbaar een dergelijke vordering ook is, stuit ook dit onderdeel van de vordering af op het vereiste van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Op dit moment bevinden dergelijke gegevens zich niet in het dossier, noch zijn er voldoende concrete gegevens die een psychische beschadiging aantonen.

De aangevoerde omstandigheden zoals de hulp bij de resocialisatie, de hulp bij zoektochten, het over en weer elkaar troosten, het meelopen in de stille tocht en het dragen van de kist zijn op zichzelf bijzondere omstandigheden te noemen waaruit kan worden aangenomen dat het leed bij de ouders en de broer van [slachtoffer] is verergerd. Het zijn echter geen rechtstreekse gevolgen van de doodslag op en de verkrachting van [slachtoffer] .

Gelet daarop zullen de ouders en de broer van [slachtoffer] voor wat betreft het smartengeld (de immateriële schade) niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.

De grafrechten en het onderhoud van het graf

Gelet op de jonge leeftijd van [slachtoffer] waarop zij is overleden en de leeftijden van de nabestaanden, acht de rechtbank bij een weging van goede en kwade kansen voldoende aannemelijk geworden dat de grafrechten over 20 jaar en 40 jaar nogmaals zullen worden verlengd en het graf in deze periode zal dienen te worden onderhouden. Nu de kosten gepaard gaande met grafrechten en het onderhoud verder voldoende zijn onderbouwd (totaal € 1.740 per twintig jaar), zal de rechtbank de kosten voor twee ‘verlengingen’ toewijzen in de vorm van eenmaal bij vader ( [getuige 3] ) en eenmaal bij moeder ( [benadeelde 1] ) – waarbij het toegewezen bedrag zo nodig via vererving zal overgaan op de broer van [slachtoffer] ( [benadeelde 2] ).

De benadeelde partijen zullen voor het overige niet-ontvankelijk verklaard worden in diens vorderingen, nu de behandeling van de vorderingen naar het oordeel van de rechtbank voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partijen kunnen derhalve hun vorderingen slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen.

De proceskosten tot op heden begroot op nihil, zijn daar niet bij inbegrepen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 38e, 57, 242, 287 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/880353-15 primair tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/880353-15 subsidiair tenlastegelegde en het onder parketnummer 05/780080-16 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

 een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Voor het beslag:

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan de veroordeelde, te weten:

o één zwart jack met bontkraag (E.01.01.001);

o één [merk 2] mobiele telefoon (E.01.02.001);

o diverse formulieren (E.01.02.002);

o één donkerblauwe jas met groene voering (E.01.03.001);

o één donkerblauw jack met opdruk (E.01.03.002);

o één aantekeningenboekje (E.01.04.001);

o één paar [merk 3] sportschoenen (E.01.05.001);

o één paar sneaker schoenen (E.01.05.002);

o één GSM [merk 4] (E.01.06.001);

o één computerkast (E.01.07.001);

o één stuks damesondergoed (F.01.02.001);

o één GSM [merk 4] (F.01.03.001);

o één telefoon met fotocamera, merk [merk 4] (F.01.03.002);

o één usb-stick (F.01.04.001);

o één agenda van het jaar 2014 (F.01.05.001);

o één paar handschoenen (H.01.04.001);

o één stoffen muts (H.01.04.002);

o één rode bodywarmer (PeteJ63.01.001);

o één blauwe/zwarte joggingbroek (PeteJ63.01.002);

o één GSM [merk 5] (PeteJ63.01.003).

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [getuige 3] :

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten onder de parketnummers 05/880353-15 (subsidiair) en 05/780080-16 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [getuige 3], van een bedrag van € 1.740,00 (duizendzevenhonderdveertig euro) met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [getuige 3] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [getuige 3] , een bedrag te betalen van € 1.740,00 (duizendzevenhonderdveertig euro), met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 27 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] :

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten onder de parketnummers 05/880353-15 (subsidiair) en 05/780080-16 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 1], van een bedrag van € 1.740,00 (duizendzevenhonderdveertig euro) met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] , een bedrag te betalen van € 1.740,00 (duizendzevenhonderdveertig euro), met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 27 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] ((feiten onder de parketnummers 05/880353-15 (subsidiair) en 05/780080-16)):

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. Gielissen (voorzitter), mr. J.J.H. van Laethem en mr. M.G.J. Post, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.T.P.J. Damen en mr. A. Diebels, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 mei 2016.

BIJLAGE І

Met betrekking tot parketnummer 05/880353-15:

Aan verdachte is na een toegewezen vordering nadere omschrijving ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 februari 2015, althans op een tijdstip in de periode van

9 februari 2015 tot en met 22 februari 2015, te Nijmegen en/of in de gemeente

Heumen, in elk geval in Nederland, [slachtoffer]

opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die

[slachtoffer] te wurgen, in die zin dat haar, door samendrukkend en/of

omsnoerend geweld op de hals en/of op de mondbodem, de adem is ontnomen en/of

zij verstikt is en/of daardoor (of op andere wijze) om het leven is gekomen

en/of gebracht;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 09 februari 2015, althans op een tijdstip in de periode van 9 februari 2015 tot en met 22 februari 2015, te Nijmegen en/of in de gemeente Heumen, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] te wurgen, in die zin dat haar, door samendrukkend en/of omsnoerend

geweld op de hals en/of op de mondbodem, de adem is ontnomen en/of zij verstikt is en/of daardoor (of op andere wijze) om het leven is gekomen en/of gebracht, welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten te weten: het (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingen van [slachtoffer] tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit

het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , namelijk het (telkens) met de penis binnendringen in de vagina en/of in de mond van die [slachtoffer] , welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan dat verdachte opzettelijk

-die [slachtoffer] met een mes heeft bedreigd en/of

-die [slachtoffer] op enige (niet nader bekend geworden) wijze met geweld te dreigen en/of haar geweld aan te doen en/of die [slachtoffer] (bij de pols(en)) heeft vastgepakt en/of

-(met geweld en/of bedreiging met geweld) die [slachtoffer] van haar kleding

heeft ontdaan en

welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit

voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad,

aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te

verzekeren;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 9 februari 2015, althans op een tijdstip in de periode van 9 februari 2015 tot en met 22 februari 2015, te Nijmegen en/of in de gemeente Heumen, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] te wurgen, in die zin dat haar, door samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals en/of op de mondbodem, de adem is ontnomen en/of zij verstikt is en/of daardoor (of

op andere wijze) om het leven is gekomen en/of gebracht.

Met betrekking tot parketnummer 05/780080-16:

hij op of omstreeks 9 februari 2015, althans op een tijdstip in de periode van 9 februari 2015 tot en met 22 februari 2015, te Nijmegen en/of in de gemeente Heumen, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het (telkens) het met de penis binnendringen van de vagina en/of de mond en welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan dat verdachte opzettelijk

-die [slachtoffer] met een mes heeft bedreigd en/of

-die [slachtoffer] op enige (niet nader bekend geworden) wijze met geweld te

dreigen en/of haar geweld aan te doen en/of

-die [slachtoffer] (bij de pols(en)) heeft vastgepakt en/of (met geweld) die

[slachtoffer] van haar kleding heeft ontdaan.

1 De volledige tenlasteleggingen zijn in bijlage І opgenomen.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, team Grootschalige Opsporing, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2015069204 (onderzoek ON5R015208 TGO Capella), gesloten op 15 oktober 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 11] , p. 1246 t/m 1249.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 11] , p. 1242 en 1249 en bijlage bij de telecom analyse, p. 2007-2008.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 11] , p. 1249 en bijlage bij de telecom analyse, p. 2008.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 1284.

7 Het proces-verbaal van telecom analyse, p. 1058.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 1226.

9 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 5027a, blz. 12 en 35.

10 Het proces-verbaal van telecom analyse, p. 1058-1059 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 5027a, p. 26 t/m 28.

11 het proces-verbaal van onderzoek gegevensdragers d.d. 29 maart 2016, p. 1-2 met bijlagen, p. 43 en het proces-verbaal van telecom analyse d.d. 11 april 2016, p. 1.

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 12] met bijlagen, p. 1357 en 1360 t/m 1363.

13 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 15] , p. 1040 t/m 1042.

14 Het proces-verbaal met betrekking tot de telecom analyse, p. 1058, het proces-verbaal met betrekking tot de telecom analyse, p. 1065, het proces-verbaal van onderzoek gegevensdragers d.d. 29 maart 2016, p. 1-2 met bijlagen, p. 43 en het proces-verbaal van telecom analyse d.d. 11 april 2016, p. 1.

15 Het proces-verbaal van telecom analyse, p. 1065 en de onderzoeksrapportage van het NFO, p. 3.

16 Het proces-verbaal van telecom analyse, p. 1065 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 1175.

17 Het proces-verbaal onderzoek GSM/UMTS netwerk, p.1155 + 1156.

18 Het proces-verbaal van onderzoek GSM/UMTS netwerk, p. 1172.

19 Het relaas proces-verbaal, p. 24-25 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 1084-1085.

20 Het proces-verbaal van telecom analyse, p. 1065.

21 Het proces-verbaal van bevindingen analyse verkeersgegevens, p. 1071 en het proces-verbaal van telecom analyse d.d. 9 maart 2015 met de bijlage van de contactmomenten.

22 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1076.

23 Het proces-verbaal van bevindingen analyse verkeersgegevens, p. 1074-1075.

24 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1752.

25 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] [getuige 5] , p. 1479.

26 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1483.

27 Het proces-verbaal van verhoor getuige [bewoner] , p. 1499-1500.

28 Het proces-verbaal van telecom analyse, p. 1064 en het proces-verbaal van telecom analyse, p. 1065.

29 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1084-1085 en het relaas proces-verbaal, p. 24.

30 Het relaas proces-verbaal, p. 25.

31 Het sectierapport d.d. 7 mei 2015 door dr. [getuige 14] , p. 7434 t/m 7439.

32 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 11] , p. 1242 en 1249 en bijlage bij de telecom analyse, p. 2008.

33 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 11] , p. 1249 en bijlage bij de telecom analyse, p. 2008.

34 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 11] , p. 1249 en bijlage op p. 1292 horend bij het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] .

35 De bijlage bij de telecom analyse, p. 2008.

36 De bijlage op p. 1292 e.v. horend bij het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] en bijlage op p. 1362 e.v. horend bij het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 12] .

37 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1076.

38 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1802, het proces-verbaal van bevindingen, p. 1805 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 1808.

39 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 15] , p. 1040.

40 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 1047.

41 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1752.

42 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] [getuige 6] , p. 1044-1045.

43 Het proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek, p. 1119.

44 Het proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek, p. 1097 en proces-verbaal sporenonderzoek, p. 7033 + 7034.

45 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1006.

46 Het relaas proces-verbaal, p. 17 en proces-verbaal van bevindingen, p. 1006.

47 Het rapport onderzoek aan maaginhoud van stoffelijk overschot [slachtoffer] , p. 7513 + 7515 + 7516 + 7519.

48 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 15] , p. 1305 en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 15] , p. 1328 + 1329.

49 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 15] , p. 1037.

50 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 2026 t/m 2028.

51 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1184.

52 Het NFI-rapport, p. 7465 t/m 7469

53 Het NFI-rapport, p. 7465 t/m 7469 en het NFI-rapport, p. 7530 t/m 7533.

54 het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 7141.

55 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 7034.

56 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 15] , p. 1301 en 1308.

57 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1007.

58 Het NFI-rapport, p. 7491-7492 en de eigen waarneming van de rechtbank met betrekking tot de foto op pagina 7494.

59 Het NFI-rapport, p. 7502.

60 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1085.

61 De rechterlijke waarneming naar aanleiding van de foto’s op p. 7185-7187.

62 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1802, het proces-verbaal van bevindingen, p. 1805 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 1808.

63 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 7141, het NFI-rapport, p. 7476-7477 en 7480 en de eigen waarneming van de rechtbank d.d. 20 april 2016.

64 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 17] [getuige 17] , p. 2278.

65 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 7133 en 7141.

66 Het NFI-rapport, p. 7476 en de eigen waarneming van de rechtbank van de foto op pagina 7479.en het NFI-rapport, p. 7528 t/m 7532.

67 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 7360-7361.

68 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 7424-7425.

69 Het relaas van het forensisch dossier, p. 7019.

70 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 7424.

71 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 15] , p. 1306-1307.

72 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 11] , p. 1246-1247.

73 Het NFI-rapport, p. 7528 t/m 7532.

74 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 7311-7312 en het NFI-rapport, p. 7407 t/m 7409.

75 Het NFI-rapport, p. 7542-7543.

76 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 17] [getuige 17] , p. 2279.

77 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 5053.