Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:2227

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
21-04-2016
Zaaknummer
96/279436-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De raadkamer is van oordeel dat de kosten rechtsbijstand naar aanleiding van een klaagschrift ex artikel 164, achtste lid WVW 1994 voor vergoeding in aanmerking komen mits het klaagschrift gegrond is verklaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 96/279436-11

Rechtbanknummer : 16/336

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer naar aanleiding van het op 23 februari 2016 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, van:

naam: [verzoeker] , hierna: verzoeker,

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats] ,

woonplaats kiezende te Amsterdam aan de Lairessestraat 150 ten kantore van zijn advocaat mr. J.J.O. Zandt.

De behandeling in raadkamer

Het verzoekschrift is op 06 april 2016 in raadkamer behandeld.

Gehoord zijn de advocaat van verzoeker mr. J.J.O. Zandt voornoemd en de officier van justitie mr. J.C.G. van der Wulp.

Verzoeker is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De standpunten

Het verzoekschrift strekt tot vergoeding van de door verzoeker gemaakte kosten rechtsbijstand tot bedrag van € 6.641,61 alsmede de forfaitaire vergoeding voor het indienen c.q. behandelen van het onderhavige verzoekschrift alsmede het verzoekschrift ex artikel 164, negende lid van de Wegenverkeerswet te stellen op € 280,-- indien een inhoudelijke behandeling achterwege kan blijven en € 550,-- indien een inhoudelijke behandeling nodig is.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke conclusie d.d. 8 maart 2016 inhoudende dat aan kosten rechtsbijstand een bedrag van € 2.898,-- kan worden toegewezen. De officier van justitie stelt zich daarbij op het standpunt dat er een specialistentarief van € 300,-- per uur is gehanteerd, terwijl voor de onderhavige zaak geen specialistische kennis vereist is. Reden voor de officier van justitie een uurtarief van

€ 180,-- voor vergoeding in aanmerking te laten komen.

De beoordeling

Naast genoemd verzoekschrift en conclusie van het Openbaar Ministerie heeft de raadkamer kennis genomen van:

- de stukken van de strafzaak, waaronder een beslissing op het bezwaarschrift inhouding rijbewijs d.d. 22 december 2011 alsmede een sepotbeslissing d.d. 30 november 2015.

De raadkamer constateert dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

De raadkamer overweegt voorts ten aanzien van wat door verzoeker is verzocht als volgt.

Kosten rechtsbijstand

Verzoeker heeft verzocht om vergoeding van kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de klaagschriftprocedure ex artikel 164, lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ter onderbouwing heeft de advocaat overgelegd een beschikking van de rechtbank Noord-Holland d.d. 15 juni 2015.

De raadkamer overweegt dat uit die beschikking valt op te maken dat een ingediend klaagschrift gegrond werd verklaard en dat aan de betrokkene in die zaak het rijbewijs werd teruggegeven. De raadkamer overweegt verder dat in de onderhavige zaak weliswaar eveneens een klaagschriftprocedure met betrekking tot het ingevorderde rijbewijs heeft plaatsgevonden, maar dat het klaagschrift op 22 december 2011 door de raadkamer van de Rechtbank Arnhem ongegrond werd verklaard.

De Hoge Raad heeft op 3 februari 2009 (NJ 2009/99) beslist dat kosten, gemaakt in het kader van een klaagschrift ex artikel 552a Sv voor vergoeding op grond van artikel 591a Sv in aanmerking komen mits het klaagschrift gegrond is verklaard.

Op de procedure als bedoeld in artikel 164, achtste lid van de WVW 1994 zijn de leden vier en zes van artikel 552a Sv van overeenkomstige toepassing verklaard. Een klaagschrift ex artikel 552a Sv richt zich tegen de weigering van de officier van justitie enig onder klager inbeslaggenomen goed terug te geven. In artikel 552a Sv is klager de mogelijkheid geboden tegen die weigering een klaagschrift in te dienen. Ook een inbeslaggenomen rijbewijs betreft een onder klager inbeslaggenomen goed en in artikel 164, achtste lid WVW 1994 is geregeld dat klager ook daartegen een klaagschrift kan indienen. Twee bepalingen uit artikel 552a Sv, te weten de termijn van indienen van het klaagschrift en het feit dat de behandeling van het klaagschrift plaatsvindt in het openbaar, zijn op de procedure ex artikel 164 achtste lid WVW 1994 van overeenkomstige toepassing.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de raadkamer van oordeel dat de procedure als bedoeld in artikel 164 achtste lid WVW 1994 gelijkgesteld kan worden met een procedure ex artikel 552a Sv en dat kosten rechtsbijstand, gemaakt ten behoeve van een ingediend klaagschrift op grond van artikel 164, achtste lid van de WVW 1994 voor vergoeding in aanmerking komen mits het klaagschrift gegrond is verklaard.

Het door verzoeker ingediend klaagschrift is echter ongegrond verklaard. Dit maakt dat kosten rechtsbijstand voor die klaagschriftprocedure niet voor vergoeding in aanmerking komen. De raadkamer merkt hier ten overvloede nog op dat, indien het klaagschrift wel gegrond zou zijn verklaard, verzoeker te laat zou zijn met het indienen van een verzoekschrift tot schadevergoeding voor gemaakte kosten rechtsbijstand aangezien, gelet op artikel 591a, vierde lid, juncto artikel 591, tweede lid Sv, een dergelijk verzoek binnen 3 maanden na beëindiging van de zaak (het onherroepelijk worden van de beschikking) had moeten worden ingediend.

Verzoeker heeft voorts vergoeding van kosten rechtsbijstand verzocht ten behoeve van advisering omtrent het Team 2Todrive project. Tijdens de behandeling in raadkamer heeft de advocaat aangegeven dat deze kosten gemaakt zijn omdat verzoeker voornemens was als volwassen bestuurder, in het bezit van een rijbewijs, zijn minderjarige dochter onder zijn hoede rijles te geven. Omdat verzoeker, aldus de advocaat, nog steeds verdachte was in een strafzaak waar zijn rijbewijs onderwerp van gesprek zou kunnen zijn, had verzoeker de nodige vragen welke vragen door de advocaat zijn beantwoord en in rekening zijn gebracht.

De raadkamer wijst ook deze kosten rechtsbijstand af nu deze niet in het kader van de tegen verzoeker aanhangige strafzaak zijn gemaakt. Bovendien had klager vanaf 29 maart 2012 de beschikking over zijn rijbewijs teruggekregen, terwijl de kosten gemaakt waren in 2013.

Kosten rechtsbijstand komen voor vergoeding in aanmerking zolang deze gedurende de duur van de strafzaak zijn gemaakt. De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door een sepotbeslissing d.d. 30 november 2015. Kosten die daarna zijn gemaakt, doch die (nog) zien op de strafzaak, kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. Naar het oordeel van de raadkamer kunnen de kosten die gemaakt zijn op en na 29 december 2015 niet meer worden geacht te zijn gemaakt ten behoeve van de strafzaak. , en komen die kosten dus niet voor vergoeding in aanmerking.

Naar het oordeel van de raadkamer is het uurtarief onderdeel van de overeenkomst die verzoeker en zijn advocaat zijn overeengekomen, en dient dit tarief in beginsel dan ook als uitgangspunt te gelden voor een te vergoeden schadevergoeding. De raadkamer ziet geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen.

Gelet op het voorgaande kan aan verzoeker worden toegewezen de kosten rechtsbijstand gemaakt op 11 juni 2013 voor de duur van 1 uur en 20 minuten en 30 december 2013 voor de duur van 10 minuten, in totaal 1 uur en 30 minuten.

1. uur en 30 minuten a € 300,00 € 450,00

Kantoorkosten 7% € 31,50

Totaal € 481,50

BTW 21% € 101,12

Totaal € 582,62

Kosten verzoekschrift

De raadkamer is van oordeel dat, gelet op de gebruikelijke vergoeding inzake verzoekschriften ex artikel 164, negende lid van de Wegenverkeerswet en artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van deze verzoekschriften een bedrag van

€ 550,00 (inclusief 21% B.T.W.) kan worden toegewezen.

De raadkamer zal daarom beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

De beslissing

Kent toe aan verzoeker voornoemd een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van

€ 1.132,62 (zegge elfhonderdtweeendertig euro en tweeenzestig eurocent).

Gelast de griffier van de rechtbank om aan verzoeker voornoemd uit te betalen het bedrag van € 1.132,62 (zegge elfhonderdtweeendertig euro en tweeenzestig eurocent).

Beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking, nadat deze in kracht van gewijsde is gegaan door overmaking op rekeningnummer [rekeningnummer] tnv Stichting Beheer Derdengelden [naam] te Amsterdam ovv dossier [nummer] .

Wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven in raadkamer door mr. H.G. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van

R. van Dijk, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van 20 april 2016.