Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:2186

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
300297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In de strafrechtelijke onderzoeken “Passage” en “Vandros” zijn getuigenverklaringen afgelegd door onder meer [getuige 1], zijn zussen en ex-vriendin. Deze verklaringen waren niet openbaar, maar zijn door gedaagde op internet gezet. De Staat heeft o.a. verwijdering vd betreffende verklaringen gevorderd. Gedaagde meent dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld en doet een beroep op de vrijheid van meningsuiting.

De vorderingen vd Staat worden toegewezen. Het belang van de Staat bij een eerlijk en effectief strafproces en bij het beschermen vd veiligheid vd betrokken getuigen weegt zwaarder dan het belang dat gedaagde meent te hebben bij het vermelden van/verwijzen naar de verklaringen op zijn website. Gedaagde handelt ook onrechtmatig jegens de Staat door op zijn website enkel verwijzingen (hyperlinks) naar de verklaringen te plaatsen.

(NB in Amsterdam is onlangs een soortgelijke zaak geweest).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onder redactie van mr. M. van der Linden – Smit en <br/>mr. C.C.M. Kroeks – de Raaij annotatie in UDH:IR/13311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/300297 / KG ZA 16-143

Vonnis in kort geding van 8 april 2016

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Openbaar Ministerie),

zetelende te Den Haag,

eiser,

advocaat mr. W. Heemskerk te Den Haag,

tegen

[gedaagde],

wonende op een geheim adres in Nederland,

gedaagde,

advocaat mr. S.M. Diekstra te Leiden.

Partijen zullen hierna de Staat en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 8 april 2016;

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 8 april 2016;

  • -

    de pleitnota met producties van de Staat;

  • -

    de pleitnota met producties van [gedaagde] .

1.2.

In verband met het spoedeisende karakter van de zaak, is op 8 april 2016 uitspraak gedaan door middel van een zogenoemd kop-staart vonnis, waarbij is aangekondigd dat de uitwerking daarvan later zal volgen. Dit vonnis vormt die uitwerking.

2 De feiten
2.1. Bij het Gerechtshof Amsterdam is het hoger beroep aanhangig in de strafzaak die bekend staat onder de naam "Passage". Deze zaak heeft betrekking op zeven liquidaties en vijf pogingen dan wel voorbereidingshandelingen daartoe.

2.2.

In 2014 is het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek gestart met de naam "Vandros". Dit onderzoek richt zich tegen [getuige 1] (hierna te noemen [getuige 1] ), die gezien wordt als opdrachtgever van zes liquidaties en twee pogingen daartoe en die tevens verdacht wordt van deelname aan een criminele organisatie die onder andere het oogmerk heeft tot het plegen van liquidaties. Het "Vandros"-onderzoek richt zich deels op dezelfde strafbare feiten als de "Passage"-strafzaak.

2.3.

Op 3 en 4 april 2016 heeft de heer [naam 1] (hierna te noemen [naam 1] ) op zijn website [website] een grote hoeveelheid processen-verbaal met verklaringen uit voornoemde strafrechtelijke onderzoeken geplaatst. Dit betrof verklaringen van [getuige 1] , diens twee zussen en diens ex-vriendin. De betreffende getuigenverklaringen (hierna te noemen de verklaringen) zijn dan wel waren niet openbaar in de zin van toegankelijk voor het publiek.

2.4.

Bij vonnis in kort geding van 4 april 2016 heeft de voorzieningenrechter te Amsterdam [naam 1] veroordeeld tot -samengevat- het onmiddellijk verwijderen en gedurende zes maanden verwijderd houden van de verklaringen van zijn website en hem verboden gedurende zes maanden enige informatie uit de onderzoeken "Passage" en "Vandros" openbaar te maken. [naam 1] heeft vervolgens de verklaringen van zijn site verwijderd.

2.5.

[gedaagde] exploiteert de website [website 2] . Op 5 april 2016 heeft hij op deze site alle processen-verbaal die aanvankelijk op de website van [naam 1] stonden, geplaatst. Ook heeft hij op deze site verwijzingen geplaatst naar bronnen waar de eerder door [naam 1] openbaar gemaakte informatie te vinden is.

3 De vordering

3.1.

De staat vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeling van [gedaagde] om onmiddellijk gedurende zes maanden de onder 2.3 genoemde verklaringen van zijn website te verwijderen en verwijderd te houden, zowel rechtstreeks gepubliceerde informatie als via een downloadfunctie, hyperlink of anderszins indirect gepubliceerde informatie, alsmede om elke verwijzing naar een website/internetlocatie waar of via welke deze informatie te vinden is te verwijderen en verwijderd te houden. Ook vordert de Staat [gedaagde] te verbieden om gedurende zes maanden na dit vonnis enige informatie uit de strafrechtelijke onderzoeken "Passage" en "Vandros" op enige website te plaatsen of deze informatie anderszins openbaar te maken of te doen maken, waaronder tevens is begrepen het verwijzen naar een website/internetlocatie waar of via welke deze informatie te vinden is, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2.

De Staat legt aan deze vorderingen het navolgende ten grondslag. [gedaagde] heeft om onduidelijke redenen bewust - kennis hebbend van het vonnis tegen [naam 1] - dezelfde informatie op zijn website geplaatst als [naam 1] op diens website had geplaatst. De bestanden zijn op de website gepubliceerd met een eenvoudige downloadfunctie en [gedaagde] heeft daarnaast hyperlinks geplaatst naar een website met een Slowaakse extensie en naar een Facebookpagina. [gedaagde] handelt aldus onrechtmatig jegens het Openbaar Ministerie. In de betreffende zaken zullen naar alle waarschijnlijkheid nog vele getuigen worden gehoord en de strafrechtelijke waarheidsvinding zou ernstig in gevaar (kunnen) komen als potentiële getuigen vóór hun verhoor en de daarin noodzakelijkerwijs te verwachten confrontaties kennis kunnen nemen van de getuigenverklaringen. Daarnaast zou de veiligheid van de betrokken personen in het geding kunnen zijn.

3.3.

[gedaagde] heeft tegen de vorderingen verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van de Staat, zodat aan het verweer van [gedaagde] dienaangaande voorbij wordt gegaan.

4.2.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat er van onrechtmatig handelen aan zijn zijde geen sprake is. Volgens [gedaagde] zijn de verklaringen inmiddels wijd verspreid op het internet en breed in de media uitgemeten en is het overnemen en plaatsen van informatie uit openbare bronnen niet onrechtmatig. [gedaagde] stelt ook dat op het moment van de mondelinge behandeling er nog slechts verwijzingen naar de verklaringen op zijn website stonden en dat het enkele doorverwijzen/doorlinken naar andere bronnen niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Hij betwist dat hij de persoon is achter de sites waar naartoe op zijn website wordt verwezen. [gedaagde] beroept zich op het recht van vrije meningsuiting en het recht van informatievergaring en meent met een beroep op deze rechten te mogen handelen zoals hij handelt.

4.3.

De in artikel 7 Grondwet en artikel 10 lid 1 EVRM opgenomen vrijheid van meningsuiting, waaronder ook het recht van informatievergaring valt, is een van de fundamenten van onze democratische samenleving. Dit grondrecht is echter niet absoluut en kan op grond van artikel 10 lid 2 EVRM worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

4.4.

Aangezien de vorderingen van de Staat hun grondslag vinden in artikel 6:162 BW, is voldaan aan het vereiste dat het recht waarop de beperking van de vrijheid van meningsuiting rust, voldoende kenbaar is (Hoge Raad 2 mei 2003, NJ 2004, 80). De vraag is vervolgens of de gevorderde beperking noodzakelijk is. Voor het antwoord op deze vraag moeten alle wederzijdse belangen tegen elkaar worden afgewogen en dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.

4.5.

Vooropgesteld wordt dat de verdachten in de beide strafzaken recht hebben op een eerlijk proces en dat de Staat dit recht dient te beschermen. Dit beginsel van een "fair trial" komt onder meer tot uitdrukking in de regel dat getuigen in een strafproces buiten elkaars aanwezigheid worden gehoord, zodat zij elkaar niet kunnen beïnvloeden en er een waarheidsgetrouw beeld ontstaat van wat zich precies heeft afgespeeld. Hoewel de voorzieningenrechter niet bekend is met de inhoud van de verklaringen, acht deze het evident dat dit proces van waarheidsvinding -en daarmee het recht op een eerlijk proces- ernstig wordt gefrustreerd indien de getuigenverklaringen van [getuige 1] , diens zussen en diens ex-partner openbaar worden gemaakt. Uit de stellingen van de Staat volgt dat het gaat om zeer uitgebreide, gedetailleerde verklaringen en dat de zussen en ex-partner van [getuige 1] cruciale getuigen betreffen. Kennisname van deze verklaringen door potentiële getuigen kan de waarheidsvinding ernstig bemoeilijken, doordat de herinneringen van deze getuigen hierdoor gekleurd zouden kunnen worden worden. Ook kan het lezen van de verklaringen leiden tot strategische keuzes van potentiële getuigen. Dit leidt er toe dat de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuigen afneemt. Nu de beide strafrechtelijke onderzoeken zien op een aanzienlijk aantal ernstige levensdelicten in de Amsterdamse onderwereld, komt de vrees voor de veiligheid van de betrokken getuigen de voorzieningenrechter daarnaast niet ongegrond voor.

4.6.

[gedaagde] heeft, zo is ter zitting gebleken, de (verwijzingen naar de) verklaringen op zijn website gepubliceerd omdat hij het niet eens is met het hiervoor onder 2.4 genoemde vonnis van de voorzieningenrechter te Amsterdam. Volgens [gedaagde] heeft een en ander puur te maken met het bereikbaar houden van informatie die al beschikbaar is. Welk belang er precies is gemoeid met het beschikbaar houden van de betreffende informatie, heeft [gedaagde] echter niet toegelicht. Er moet voorshands dan ook van worden uitgegaan dat het belang van de Staat bij een eerlijk en effectief strafproces en bij het beschermen van de veiligheid van de betrokken getuigen zwaarder weegt dan het belang dat [gedaagde] meent te hebben bij het vermelden van dan wel het verwijzen naar de verklaringen op zijn website.

4.7.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat er op het moment van de mondelinge behandeling geen bestanden meer op zijn website stonden en dat er nog slechts sprake is van verwijzingen naar een server, een Facebookpagina en een bestandenwebsite waar de verklaringen te vinden zijn. Volgens [gedaagde] kan, gelet op het arrest Svensson (HvJ EU 13 februari 2014, ECLI:EU:C:2014:76), het plaatsen van hyperlinks naar andere publiek toegankelijke bronnen niet als onrechtmatig aangemerkt worden. Deze stelling wordt niet gevolgd. De verwijzing naar het Svensson arrest gaat niet op, aangezien dat arrest ziet op een andere kwestie, namelijk de vraag of het plaatsen van een hyperlink naar auteursrechtelijk beschermd materiaal in strijd is met het auteursrecht. De voorzieningenrechter gaat er voorshands van uit dat indien op een website een hyperlink naar bepaalde documenten wordt geplaatst, er ook sprake is van verspreiding van die documenten. De lezer kan immers slechts met een enkele muisklik de onderliggende documenten opvragen en deze documenten zijn aldus zodanig verbonden met de link dat door het plaatsen van de link de onderliggende documenten in zeker zin onderdeel zijn geworden van het stuk waarin de link is geplaatst.

4.8.

Daarnaast geldt dat [gedaagde] niet heeft weersproken dat hij de verwijzingen bewust, na kennis te hebben genomen van het vonnis tegen [naam 1] , op zijn website heeft geplaatst. Vast staat derhalve dat [gedaagde] wist dat publicatie van de verklaringen als onrechtmatig was aangemerkt en dat verspreiding van de betreffende informatie gestaakt althans voorkomen moest worden. Door ondanks deze wetenschap de (verwijzingen naar de) verklaringen toch te publiceren op zijn website, heeft [gedaagde] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zelf ook onrechtmatig gehandeld jegens de Staat. Dat de verklaringen ook zonder de verwijzingen op zijn website benaderbaar zijn, doet aan de onrechtmatigheid van het handelen van [gedaagde] niets af.

4.9.

[gedaagde] is kennelijk van mening dat de gevorderde beperking van de vrijheid van meningsuiting niet noodzakelijk is, omdat de verklaringen inmiddels deel zijn geworden van het openbare domein. Hoewel de door [naam 1] geplaatste verklaringen hooguit 48 uur op internet hebben gestaan, is het aannemelijk dat deze diverse keren gedownload zijn. Ook is het aannemelijk dat de media uit de betreffende verklaringen geciteerd heeft. Dit maakt echter niet dat er geen noodzaak meer bestaat om thans tegen [gedaagde] op te treden. Vooropgesteld wordt dat op alle mogelijke manieren voorkomen dient te worden dat de beide strafrechtelijke onderzoeken (verder) geschaad worden, zeker gelet op de aard en de ernst van deze zaken. De Staat heeft ter zitting benadrukt dat veel van de getuigen die gehoord gaan worden daar thans nog niet van op de hoogte zijn, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het noodzakelijk is dat (delen van) de verklaringen niet meer, althans op zo min mogelijk plekken, op het internet te vinden zijn.

4.10.

Daarnaast geldt dat de Staat ter zitting onbetwist heeft gesteld dat een team van het Openbaar Ministerie sinds 4 april 2016 voortdurend het internet in de gaten houdt en dat er, indien nodig, ook tegen andere personen actie wordt ondernomen. Voor zover de verklaringen, naast de volgens de Staat tot [gedaagde] te herleiden plekken, ook elders integraal te vinden zijn -hetgeen overigens niet is gebleken- moet er dan ook van worden uitgegaan dat de Staat pogingen onderneemt om ook deze verklaringen van het internet af te krijgen.

4.11.

[gedaagde] heeft niet betoogd dat de bepleite beperking disproportioneel is, zodat ervan wordt uitgegaan dat dit niet het geval is.

4.12.

De voorlopige conclusie uit het voorgaande is dat [gedaagde] in de gegeven omstandigheden jegens de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en dat de vorderingen van de Staat dienen te worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding de door de Staat gevorderde dwangsommen te matigen.

4.13.

[gedaagde] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om onmiddellijk na dit vonnis gedurende zes maanden alle verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] uit de strafrechtelijke onderzoeken “Passage” en “Vandros” van de website [website 2] te verwijderen en verwijderd te houden, zowel rechtstreeks gepubliceerde informatie als via een downloadfunctie, hyperlink of anderszins indirect gepubliceerde informatie, alsmede om elke verwijzing naar een website/internetlocatie waar of via welke deze informatie te vinden is te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom na betekening van dit vonnis van € 10.000,- per uur dat [gedaagde] hiermee in strijd handelt tot een maximum van € 100.000,- is bereikt;

5.2.

verbiedt [gedaagde] om gedurende zes maanden na dit vonnis enige informatie uit voornoemde strafrechtelijke onderzoeken op enige website te plaatsen of deze informatie anderszins openbaar te maken of te doen maken, waaronder tevens is begrepen het verwijzen naar een website/internetlocatie waar of via welke deze informatie te vinden is, op straffe van een dwangsom na betekening van dit vonnis van € 10.000,- per uur dat [gedaagde] hiermee in strijd handelt tot een maximum van € 100.000,- is bereikt;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.531,04;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2016, terwijl de motivering van voormelde beslissing afzonderlijk op schrift is gesteld op 19 april 2016.

Coll. MD