Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:2185

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5423
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffing motorrijtuigenbelasting. Voorwaarden bestelauto. Inrichtingseisen. Herstelbeleid. Nu het tussenschot ontbrak, is niet voldaan aan de voorwaarden van het herstelbeleid. Beroep op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt, nu de inspecteur de auto voor de Wet BPM heeft aangemerkt als bestelauto en de voorwaarden gelijkluidend zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/961
V-N 2016/34.26.7
FutD 2016-1126
NTFR 2016/1346
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/5423

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 april 2016

in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 18 oktober 2013 tot en met 17 oktober 2014 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000] .Y.3.90001) motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 2.314, alsmede bij beschikking een boete van € 2.314.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 augustus 2015 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 27 augustus 2015, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2016. Namens eiseres is [gemachtigde] verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] . Eiseres heeft ter zitting een nader stuk overgelegd. Verweerder heeft verklaard daartegen geen bezwaar te hebben.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is vanaf 20 juli 2011 houder van het motorrijtuig van het merk Jeep, met kenteken [1-AAA-01] (hierna: de auto). De auto is voor de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) aangemerkt als bestelauto.

2. Eiseres heeft over het tijdvak van de onderhavige naheffingsaanslag voor de autobelasting op aangifte voldaan naar het zogeheten bestelautotarief.

3. Op 6 augustus 2014 om 11:25 uur is door [A] en [B] , ambtenaren van de Belastingdienst, bij een visuele controle met betrekking tot de auto, het volgende geconstateerd:

“Geen tussenschot. Ramen rondom. Geen vlakke laadvloer.”

4. Naar aanleiding van de controle is met dagtekening 16 april 2015 aan eiseres de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd, naar het verschil tussen het bedrag naar het zogenoemde bestelautotarief en het personenautotarief, vermeerderd met een boete van 100%.

Geschil

5. In geschil is of de naheffingsaanslag en boete terecht zijn opgelegd, hetgeen eiseres ontkent en verweerder bevestigt.

Beoordeling van het geschil

6. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) wordt in deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen verstaan onder personenauto, een motorrijtuig op drie of meer wielen, ingericht voor personenvervoer en wel voor het vervoer van niet meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen.

7. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet MRB wordt in deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen onder personenauto mede verstaan een motorrijtuig op drie of meer wielen met een toegestane maximum massa van 3 500 kg of minder met een laadruimte, zulks met uitzondering van een motorrijtuig met een laadruimte die in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer en die, ingeval de laadruimte minder dan 25 cm hoger is dan de cabine:

1°. een lengte heeft van ten minste 125 cm en over ten minste 125 cm van de lengte en over ten minste 20 cm van de breedte een hoogte heeft van ten minste 98 cm; en

2°. van de bestuurderszitplaats is afgescheiden door een vaste wand over ten minste de gehele breedte van de cabine, welke wand direct achter de zitplaats is aangebracht en ten minste dezelfde hoogte heeft als de bestuurderscabine; en

3°. niet is voorzien van zijruiten dan wel is voorzien van niet meer dan één aan de rechterzijde van de laadruimte aangebrachte zijruit.

8. In het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 4 maart 2014, nr. BLKB 2014/128M (hierna: het Besluit) is in onderdeel 2.6 een goedkeuring opgenomen (hierna ook herstelbeleid). Deze is bedoeld voor situaties waarin - kort gezegd - een bestelauto niet langer aan de inrichtingseisen voldoet, maar de laadruimte wel aan de vereiste maten voldoet, het karakter van bestelauto slechts in geringe mate is aangetast en herstel betrekkelijk eenvoudig kan worden gerealiseerd. In die situaties is onder voorwaarden goedgekeurd dat de kentekenhouder eenmalig de gelegenheid krijgt geconstateerde onregelmatigheden te herstellen. Een van die voorwaarden is dat het vereiste tussenschot aanwezig is.

9. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet BPM wordt onder bestelauto verstaan een motorrijtuig met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3 500 kg, voorzien van een laadruimte die niet is ingericht voor het vervoer van personen, die in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer en die, ingeval de laadruimte minder dan 25 cm hoger is dan de cabine:

1°. een lengte heeft van ten minste 125 cm en over ten minste 125 cm van de lengte en over ten minste 20 cm van de breedte een hoogte heeft van ten minste 98 cm; en

2°. van de bestuurderszitplaats is afgescheiden door een vaste wand over ten minste de gehele breedte van de cabine, welke wand direct achter de zitplaats is aangebracht en ten minste dezelfde hoogte heeft als de bestuurderscabine; en

3°. niet is voorzien van zijruiten dan wel is voorzien van niet meer dan één aan de rechterzijde van de laadruimte aangebrachte zijruit.

10. Niet in geschil is dat de auto ten tijde van de controle op 6 augustus 2014 niet voldeed aan de inrichtingseisen voor een bestelauto. Nu de auto niet aan de inrichtingseisen voldeed, heeft verweerder in beginsel terecht van eiseres motorrijtuigenbelasting naar het tarief van personenauto’s nageheven.

11. Eiseres stelt zich echter op het standpunt dat in verband met schade tijdelijk geen tussenschot in de auto heeft gezeten. Eiseres heeft hiervan geen bewijsmateriaal overgelegd, maar ter zitting verklaard dat in verband met een schuivende lading het tussenschot dusdanig was beschadigd, dat vervanging noodzakelijk was. Deze vervanging heeft ca. twee maanden geduurd. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat het vereiste tussenschot aanwezig was. Er is reeds daarom niet voldaan aan de voorwaarden die gelden voor het herstelbeleid.

12. Eiseres doet voorts een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Zij heeft er daarbij op gewezen dat de auto voor de heffing van belasting van personenauto’s en motorrijwielen wel is aangemerkt als bestelauto en dat zij hierover een brief heeft ontvangen van het Landelijk Coördinatiecentrum Auto.

13. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt. Zij overweegt hiertoe als volgt. Zoals uit rechtsoverwegingen 7 en 9 blijkt, zijn de vereisten om als bestelauto aangemerkt te kunnen worden voor de Wet BPM en de Wet MRB gelijk. Dit betekent dat een auto die als bestelauto is aangemerkt op grond van de Wet BPM ook als bestelauto wordt aangemerkt op grond van de Wet MRB. Deze koppeling is ook uitdrukkelijk vermeld in de preambule bij het Kaderbesluit BPM van 4 juni 2010 (nr. DGB/2010/1670M), waarin - voor zover van belang - is vermeld dat het beleid is geactualiseerd en op één lijn gebracht met het beleidsbesluit motorrijtuigenbelasting.

14. De auto van eiseres is voor de Wet BPM aangemerkt als bestelauto. Naar het oordeel van de rechtbank verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen dat verweerder voor wat betreft de motorrijtuigenbelasting dezelfde wettekst anders uitlegt. Dit wordt niet anders doordat de BPM een tijdstipbelasting is en de motorrijtuigenbelasting een tijdvakbelasting. Op grond van artikel 13a, derde lid, van de Wet BPM wordt alsnog BPM verschuldigd als niet of niet langer aan de voorwaarden en beperkingen voor de vrijstelling wordt voldaan tijdens de eerste vijf jaren na het tijdstip waarop de bestelauto is ingeschreven in het kentekenregister. Kennelijk is geoordeeld dat ook ten tijde van de controle (die binnen vijf jaren na de inschrijving heeft plaatsgevonden) nog immer aan de voorwaarden werd voldaan.

15. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt. In het midden kan blijven in hoeverre tevens een gerechtvaardigd beroep kan worden gedaan op gewekt vertrouwen.

16. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. Om die reden behoeven de overige stellingen van eiseres geen behandeling meer.

17. Het voorgaande leidt eveneens tot de conclusie dat de opgelegde boete moet worden vernietigd.

18. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu niet is gesteld of gebleken dat sprake is van daarvoor in aanmerking komende kosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- vernietigt de boetebeschikking;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 331 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M. van Leeuwen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 26 april 2016

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.