Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:2175

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
05-720190-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk voor diefstal met geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/720190-15

Datum uitspraak : 19 april 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , thans gedetineerd te [adres 2] .

Raadsman: mr. P.T. Pel, advocaat te Hattem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 30 november 2015, 15 februari 2016 en 5 april 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, nadat ter terechtzitting van 15 februari 2016 een vordering nadere omschrijving tenlastelegging is toegewezen, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 augustus 2015 te Ermelo - gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (rond 01.45 uur) in/uit een woning gelegen aan de [adres 3] [toevoeging adres] - tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee (2), althans één of meer playstation(s) en/of een laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededader,

- de deur van de woning van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geopend, in elk geval de woning van die [slachtoffer 1] (onverwachts) is/zijn binnen gegaan en/of

- die [slachtoffer 1] (naar achteren) heeft/hebben geduwd en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben geroepen: "Waar is je geld", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] duidelijk zichtbaar en/of op korte afstand een hamer heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "ik ga je zo met die hamer slaan!", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of geslagen.

2 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit op grond van schending van de onschuldpresumptie.1 De raadsman haalt daartoe het arrest Karaman (EHRM 27 februari 2014, appl. No. 17103/10) aan, waarin volgens hem naar voren komt dat de onschuldpresumptie wordt geschonden wanneer de rechter in de zaak van een eerder veroordeelde medeverdachte niet uiterst terughoudend is met een impliciete of expliciete schuldigverklaring van een medeverdachte, die op dat moment niet terecht staat. De raadsman heeft gesteld dat in het vonnis van de (inmiddels veroordeelde) medeverdachte [medeverdachte] de naam van verdachte meerdere malen wordt genoemd als zijnde de medeverdachte, terwijl er geen sprake is van een andere (derde) verdachte, zodat elke verwijzing naar de medeverdachte uitsluitend betrekking heeft en kan hebben op verdachte. Bovendien is in het vonnis van [medeverdachte] bewezenverklaard dat hij, [medeverdachte] , dit feit tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan.

De raadsman heeft gesteld dat de rechtbank, door deze bewoordingen te kiezen in het vonnis van [medeverdachte] , hiermee een fair trial voor verdachte in de zin van art. 6 EVRM onmogelijk heeft gemaakt. De raadsman verwijst in dat licht tevens naar het vonnis van de wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:8765).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van het verweer van de raadsman gesteld dat geen sprake is van schending van de onschuldpresumptie nu verdachtes naam slechts in beschrijvende vorm is opgenomen in het vonnis van de reeds veroordeelde medeverdachte en dat hiervoor is geput uit de verklaringen van aangever en getuigen. Het enkele feit dat de medeverdachte al is veroordeeld voor diefstal met geweld in vereniging, geeft geen oordeel over de schuld of onschuld van verdachte en leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van schending van de onschuldpresumptie. Gezien de verklaring van de medeverdachte en de tenlastelegging in zijn zaak was het onvermijdelijk dat de rechtbank in het vonnis van de medeverdachte een oordeel zou geven over de vraag of er in die zaak sprake was van medeplegen. In het vonnis van de medeverdachte is de naam van verdachte enkel genoemd wanneer zijn naam uitdrukkelijk werd vermeld in de voor het bewijs gebruikte aangifte van [slachtoffer 1] , hetgeen noodzakelijk was voor het in het vonnis van de medeverdachte bewezenverklaarde medeplegen en de geweldscomponent. Daarmee heeft de rechtbank in het vonnis van [medeverdachte] echter geen oordeel gegeven over de schuld van verdachte. De rechtbank is in het vonnis van [medeverdachte] terughoudend geweest in het noemen van de naam van verdachte. Dat er geen sprake is van een andere (derde) verdachte en dat in het vonnis van [medeverdachte] is bewezenverklaard dat hij het feit tezamen met en in vereniging met een ander heeft begaan, maakt dit niet anders.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde diefstal met geweld. Zij wijst onder meer op de aangifte van [slachtoffer 1] , de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en het feit dat de medeverdachte in gezelschap van verdachte in de nacht na de diefstal is aangetroffen met een bigshopper, waar naar eigen zeggen een laptop en gameconsole in zaten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Zijn cliënt ontkent de diefstal en de aangifte van [slachtoffer 1] is volgens de raadsman niet overtuigend, nu het er sterk op lijkt dat hij achteraf naar eigen logica details van het vermeende voorval heeft ingevuld, zodat zijn aangifte in behandeling zou worden genomen. De in de aangifte genoemde bult op het hoofd van aangever is ten tijde van het onderzoek dat in dezelfde nacht kort na het voorval is gedaan door verbalisant [verbalisant 1] , niet gezien. [verbalisant 1] verklaart zelfs expliciet dat aangever geen zichtbaar letsel had.

De door getuigen afgelegde verklaringen zijn de auditu en dragen niet bij aan het bewijs.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is geweest van geweld en dat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Verbalisanten vermoeden een andere oorzaak voor de schram bij aangever. Daarnaast is de aangifte niet overtuigend, evenmin als de eerste melding van aangever. Er is bovendien niets gebleken van (het gebruik van) hamers noch van andere vormen van (bedreiging met) geweld.

De beoordeling door de rechtbank

Op grond van de wettige bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, heeft de rechtbank de overtuiging dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank gaat bij de beoordeling hiervan uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op zaterdag 22 augustus 2015 omstreeks 2.50 uur kregen verbalisanten een melding van een overval op het adres [adres 3] . De melder zou 20 minuten eerder zijn overvallen door twee personen. Ter plaatse vertelde [slachtoffer 1] dat hij was overvallen door twee jongens, ene [voornaam 1] en ene [voornaam 2] . Hij kent deze jongens van [zorgverlener] . Hij verklaarde dat hij met een hamer op zijn wang was geslagen.

Op 22 augustus 2015 om 18.00 uur deed [slachtoffer 1] aangifte. [slachtoffer 1] is woonachtig aan de [adres 3] , [toevoeging adres] te Ermelo.3 Hij heeft verklaard dat hij op vrijdagavond 21 augustus 2015 vrienden op bezoek had. Ze hebben samen een spel op de Playstation gespeeld. Nadat deze vrienden weg waren heeft [slachtoffer 1] nog gegamed en wilde toen de hond uitlaten. Op het moment dat hij de klink van de deur naar beneden drukte om te deur te openen en de deur al iets op een kiertje stond naar buiten, voelde hij dat er aan de deur getrokken werd en zag hij dat de deur verder open ging. Hij zag [medeverdachte] voor de deuropening staan. [medeverdachte] kwam op hem af en duwde hem naar achteren tegen de deur van de slaapkamer aan. Vervolgens zag [slachtoffer 1] nog een persoon de woning binnenkomen.4
[slachtoffer 1] werd in de richting van de woonkamer geduwd. [medeverdachte] riep continu ‘Waar is je geld?’.5 In de woonkamer herkende [slachtoffer 1] de tweede persoon als [verdachte] (verder te noemen: verdachte). Zowel [medeverdachte] als verdachte hadden een klauwhamer vast.6

Toen [medeverdachte] weer om geld vroeg en [slachtoffer 1] zei dat hij niet wist waar hij het over had, zei [medeverdachte] : ‘Ik ga je zo slaan met de hamer’. [medeverdachte] hield de hamer daarbij ter hoogte van het gezicht van [slachtoffer 1] .7

Aangever en [medeverdachte] belandden in een worsteling. Toen zij op de grond lagen, voelde aangever dat hij in zijn zij geslagen werd. Aangever heeft verklaard dat verdachte dat gedaan moet hebben, want [medeverdachte] had dat op dat moment niet gekund.8

[medeverdachte] pakte uiteindelijk [slachtoffer 1] ’s Playstation en deed die in zijn rugtas. Er stond nog een Playstation in de woning van aangever. Deze was van [slachtoffer 2] . Ook deze Playstation deed [medeverdachte] in zijn tas, evenals de laptop van [slachtoffer 1] .9

De Playstation 3 van aangever heeft een kapot hoekje onder de aan/uit knop. De Playstation van [slachtoffer 2] betreft ook een Playstation 3. Aan de onderkant staan zijn naam en telefoonnummer ingekrast. De laptop van [slachtoffer 1] is vergrendeld met het wachtwoord ‘ [wachtwoord 1] ’.10

De aangifte vindt steun in de volgende bewijsmiddelen.

Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] beschrijven dat zij in Ermelo op 22 augustus 2015, omstreeks 03.25 uur, een drietal jongens hebben aangetroffen. Verdachte was één van hen. Zij zagen dat medeverdachte [medeverdachte] een witte bigshopper tas in zijn handen had en een zwarte rugtas op zijn rug. Desgevraagd vertelde [medeverdachte] dat in die tas een laptop en een gameconsole zaten.11 Verdachte is dus, samen met medeverdachte [medeverdachte] , relatief kort nadat de goederen bij [slachtoffer 1] zijn weggenomen gezien, terwijl [medeverdachte] naar eigen zeggen een laptop en een gameconsole vervoerde.

Vervolgens zijn in de avond van 22 augustus 2015 de bij [slachtoffer 1] weggenomen goederen aangetroffen in de woning van [medeverdachte] . Verbalisanten zagen naast de televisie een aangesloten Playstation liggen. Na onderzoek bleek aan de onderzijde de naam van [slachtoffer 2] te zijn ingegraveerd. Op de vloer lag een plastic zak met daarop ook een Playstation. Deze was naast de aan/uit knop beschadigd. In de plastic zak troffen verbalisanten een laptop aan.12

[slachtoffer 2] is als getuige gehoord. Hij heeft op 22 augustus 2015 verklaard dat hij zijn spelcomputer de woensdag ervoor bij [slachtoffer 1] heeft gebracht. [slachtoffer 1] zou de spelcomputer voor hem laten repareren. Aan de onderzijde heeft [slachtoffer 2] zijn naam en telefoonnummer gegraveerd. Hij zou zijn spelcomputer op 22 augustus weer ophalen, maar die ochtend belde [slachtoffer 1] met de mededeling dat hij die nacht was overvallen en dat ook de spelcomputer van [slachtoffer 2] was gestolen.13

Verdachte14 heeft verklaard dat hij in de nacht van vrijdag op zaterdag is gecontroleerd door de politie en dat hij dronken was. Hij was samen met zijn neef, [naam 1] , en met [medeverdachte] . Ze gingen naar het huis van [medeverdachte] .

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij de avond dat [slachtoffer 1] wat overkomen is bij hem in zijn woning is geweest. Zij hebben die avond nog op de Playstation een spel gespeeld.15 Deze verklaring komt overeen met de verklaring van [slachtoffer 1] . [getuige 2] heeft verder verklaard dat hij de volgende dag terug is gegaan naar [slachtoffer 1] . Toen hij daar aankwam, zag hij dat het een zooitje was.16 Ook heeft hij [slachtoffer 1] kort gesproken voordat hij aangifte ging doen. Getuige zag toen dat [slachtoffer 1] striemen in zijn nek had en dat hij helemaal zichzelf niet was.17

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat aangever tegen hem had verteld dat de jongens voor geld kwamen, maar dat hij dit niet had. Toen hebben ze zijn playstation en laptop en vijf euro meegenomen en de playstation van een vriend van hem.18

De uiterlijke kenmerken van de Playstations die bij [medeverdachte] in de woning zijn aangetroffen, komen overeen met de kenmerken zoals die zijn opgegeven door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (te weten een beschadiging bij de aan/uit knop op de Playstation van [slachtoffer 1] en de ingegraveerde gegevens op de Playstation van [slachtoffer 2] ).19 Ook bevat de onder [medeverdachte] aangetroffen laptop kenmerken die overeenkomen met de kenmerken die door [slachtoffer 1] zijn opgegeven. Zo bleken de gebruikersnaam en het wachtwoord van de laptop respectievelijk ‘ [wachtwoord 2] ’ en ‘ [wachtwoord 1] ’ te zijn.20

De rechtbank is van oordeel dat de aangifte van [slachtoffer 1] steun vindt in de opgesomde bewijsmiddelen en zij ziet geen reden om te twijfelen aan deze aangifte. Dit geldt ook voor de vraag of op 22 augustus 2015 geweld is toegepast en met geweld is gedreigd. De verklaring die [slachtoffer 1] in dat licht heeft afgelegd, wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door de eerder aangehaalde verklaring van [getuige 2] , inhoudende dat hij de dag na het voorval heeft gezien dat [slachtoffer 1] striemen in zijn nek had en niet zichzelf was.21 Daarnaast heeft verbalisant [verbalisant 1] , die op 22 augustus 2015 ’s nachts na de melding van aangever ter plekke was een schram boven het sleutelbeen van aangever geconstateerd en heeft verbalisant [verbalisant 4] , die de aangifte van [slachtoffer 1] heeft opgenomen, beschreven dat bij [slachtoffer 1] letsel zichtbaar is.22

Alles in samenhang bezien maakt dat de rechtbank op grond van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld. De rechtbank acht voorts bewezen dat hij dit feit tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan.

4 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 22 augustus 2015 te Ermelo

- gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (rond 01.45 uur) in/uit een woning gelegen aan de [adres 3] [toevoeging adres] – tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee (2), althans één of meer playstation(s) en/of een laptop, in elk geval enig goed, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededader,

- de deur van de woning van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geopend, in elk geval de woning van die [slachtoffer 1] (onverwachts) is/zijn binnen gegaan en/of

- die [slachtoffer 1] (naar achteren) heeft/hebben geduwd en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben geroepen: "Waar is je geld", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] duidelijk zichtbaar en/of op korte afstand een hamer heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "ik ga je zo met die hamer slaan!", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of geslagen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Diefstal voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gedurende in de voor nachtrust bestemde tijd in een woning, terwijl de schuldige zich daar tegen de wil van de rechthebbende bevindt, begaan door twee of meer verenigde personen.

6 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden als door de reclassering geadviseerd.

De officier van justitie is van mening dat het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast. Indien de rechtbank overeenkomstig de eis komt tot een langere onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf dan de periode die verdachte nu in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, dan verzoekt de officier van justitie de rechtbank op te nemen in het vonnis dat de straf in een justitiële jeugdinrichting ten uitvoer moet worden gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de eis van de officier van justitie buiten proportie is, in het bijzonder gelet op het oordeel in de zaak [medeverdachte] , waarin 15 maanden gevangenisstraf is opgelegd waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De raadsman heeft gesteld dat geen argumenten zijn gegeven om daar bovenuit te gaan. Voorts heeft de raadsman gesteld dat in de persoon van verdachte en in zijn persoonlijke omstandigheden voldoende factoren gelegen zijn die een spoedige start van het programma begeleid wonen en het door verdachte ondergaan van behandeling van zijn problematiek zouden rechtvaardigen. Dit zou in het voordeel zijn van de maatschappij en van verdachte.

Volgens de raadsman is het nog de vraag of het volwassenenstrafrecht of het jeugdstrafrecht van toepassing zou moeten zijn.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het justitieel documentatieregister, gedateerd 4 januari 2016;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 27 november 2015;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 1 april 2016;

- een pro justitia rapport van GZ-psycholoog [naam 2] en Kinder- en jeugdpsychiater [naam 3] , gedateerd 14 maart 2016.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte is samen met zijn mededader op een nachtelijk tijdstip met geweld de woning van [slachtoffer 1] binnengedrongen en heeft deze daar overmeesterd. Daarna hebben ze de woning doorzocht en twee Playstations en een laptop weggenomen. Een dergelijke woningoverval is een ernstig strafbaar feit. Men zou zich veilig moeten kunnen voelen in de eigen woning. Verdachte en zijn mededader hebben dit gevoel van veiligheid geschaad. Ook schaden dergelijke feiten de algemene gevoelens van veiligheid. De rechtbank zal daar bij het bepalen van de strafmaat rekening mee houden.

Ook houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het rapport van psycholoog [naam 2] en psychiater [naam 3] van 14 maart 2016 volgt dat de zwakbegaafdheid van verdachte beperkingen oplevert in het dagelijkse functioneren. Het ontbreekt verdachte in het algemeen aan overzicht in complexe situaties. Verdachte kan makkelijk overvraagd worden en hij heeft een relatief trage informatieverwerking. Het ontbreekt verdachte aan adequate coping mechanismen om met spanningen om te gaan. Verdachte heeft een matig inzicht in zijn beperkingen en de noodzaak van begeleiding. Gebleken is echter dat verdachte in een gestructureerde setting geheel naar wens functioneert en dat er dan geen aanwijzingen zijn voor middelengebruik. Uit het justitieel verleden van verdachte blijkt dat hij, vanaf zijn tiende jaar, door de gebrekkige opvoedingsvaardigheden van moeder op grond van haar eigen cognitieve beperkingen, de onveiligheid thuis door hevige ruzies tussen moeder en haar partner(s) en de overgang naar het SBO, aansluiting vond bij criminele en middelen gebruikende jongeren, waarna hij zelf vermogensdelicten en uiteindelijk ook een geweldsdelict in vereniging pleegde, waarvoor hij een PIJ-behandeling onderging. Protectieve factoren zijn dat verdachte een redelijk goed ontwikkeld empathisch vermogen en een goede band met zijn pro sociale ouders heeft en zeer gemotiveerd is om (betaald) werk te verrichten en zich verder te ontwikkelen. Alles wegend, wordt het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst als laag tot matig ingeschat, mits verdachte gestructureerd wordt begeleid en hij zijn middelengebruik in de hand kan houden. Ten aanzien van toepassing van het jeugdstrafrecht voor verdachte worden een aantal indicaties gezien op het gebied van handelingsvaardigheden en pedagogische beïnvloeding. Er wordt ook een contra-indicatie gevonden in de justitiële voorgeschiedenis. Onderzoekers hebben geen uitgesproken voorkeur voor toepassing van het jeugdstrafrecht of het volwassenenstrafrecht.

In het reclasseringsrapport van 1 april 2016 wordt toepassing van het volwassenenstrafrecht geadviseerd, gelet op het strafrechtelijk verleden van verdachte en uitputting van de hulpverleningsmogelijkheden van de jeugdreclassering.

Geadviseerd wordt een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich zal melden bij de reclassering en dat hij tijdens de proeftijd verplicht wordt te verblijven in een instelling voor begeleid kamer wonen met een 24-uurs voorziening en zich te houden aan het (dag-) programma dat in overleg met de reclassering door deze instelling is opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de strafmaat het volgende. Verdachte is in 2012, wegens het plegen van een eveneens zeer ernstig strafbaar feit, veroordeeld tot een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Wegens het overtreden van de voorwaarden is deze maatregel tenuitvoergelegd in november 2014. Verdachte heeft in dat kader in gesloten setting behandeling ondergaan. Kort na de beëindiging van de behandeling en de overgang van gesloten naar open verblijf is verdachte, hoewel hij nog werd begeleid door de reclassering en begeleid woonde, wederom betrokken geraakt bij een geweldsfeit in vereniging.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, een gewaarschuwd mens, zich door de eerder opgelegde maatregel kennelijk niet voldoende heeft laten weerhouden om dergelijke ernstige feiten te plegen.

De rechtbank acht om die reden de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk op zijn plaats en bepaalt dat de na aftrek van de voorlopige hechtenis resterende tijd ten uitvoer dient te worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting.

Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

Ten aanzien van het beslag

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de IPhone 6, kleur wit, aan verdachte.

8a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.773,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe te wijzen tot het bedrag van € 500,-- (bestaande uit immateriële schade), waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, nu hij vrijspraak ten aanzien van het tenlastegelegde heeft bepleit.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de in beslag genomen goederen kunnen worden teruggegeven aan de rechthebbende, waardoor op dat punt geen schade wordt geleden. Daarnaast bevat het dossier geen onderbouwing voor het feit dat € 5,-- van [slachtoffer 1] is weggenomen, zoals in de vordering wordt gesteld. Ook is geen sprake van aantoonbare immateriële schade.

De beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden, bestaande uit het weggenomen bedrag van € 5,-. De overige gevorderde materiële schade komt niet voor vergoeding in aanmerking omdat de laptop en playstations terug zijn naar de eigenaren.

Gevorderd wordt eveneens een bedrag van € 1.250,-- aan immateriële schade. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De exacte omvang van de schade kan evenwel niet worden vastgesteld. De rechtbank is in een dergelijk geval op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek bevoegd de schade naar redelijkheid te schatten. De rechtbank schat de schade naar redelijkheid op € 500,-- en zal dit bedrag toewijzen.

De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 22 augustus 2015.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij. De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader is of wordt voldaan.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 4, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 5;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat het onvoorwaardelijk deel van deze gevangenisstraf zal worden doorgebracht in een Justitiele Jeugdinrichting;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden:

  • -

    Dat veroordeelde zich binnen een dag volgend op zijn invrijheidstelling tussen 13.00 en 17.00 uur meldt bij: Reclassering Nederland-regio Zutphen, Houtwal 16 D te Zutphen. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

  • -

    Dat veroordeelde op het moment dat de proeftijd zal starten in een instelling voor begeleid kamer wonen met een 24-uurs voorziening of een soortgelijke instelling zal verblijven en zich zal houden aan het (dag-) programma dat in overleg met de reclassering door deze instelling is opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

 De rechtbank geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

De rechtbank:

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan verdachte, te weten: één IPhone 6, kleur wit;

De rechtbank:

 veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 505,- (vijfhonderdvijf euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 505,- (vijfhonderdvijf euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 10 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van Leeuwen (voorzitter), mr. C.J.M. van Apeldoorn en

mr. S. Kropman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Erp-Noordenbos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 april 2016.

Mr. M.A. van Leeuwen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De pleitnota’s van mr. P.T. Pel zijn gehecht aan dit vonnis.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 5] van de politie eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, District Overvallen Team, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2015410371, gesloten op 20 oktober 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 45.

4 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 49.

5 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 50, eerste alinea.

6 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 50, tweede alinea.

7 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 50, derde alinea.

8 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 50, derde alinea.

9 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 50, zevende alinea.

10 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 50, onderaan, voor wat betreft het wachtwoord in combinatie gezien met het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 102.

11 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , p. 47.

12 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , p. 53.

13 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , p. 66.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 138

15 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 97.

16 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 97.

17 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , p. 101.

18 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 62

19 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 50, onderaan en het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , p. 66 en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , p. 53.

20 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 102 en het proces-verbaal onderzoek geheugendragers van verbalisant [verbalisant 10] , p. 107.

21 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , p. 101.

22 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 45, een na laatste regel en het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 51, noot verbalisant.