Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:2162

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
273141
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijswaardering. Bewijsopdracht van gestelde gedane terugbetalingen. Gedaagden slagen niet in het leveren van bewijs van de gestelde terugbetalingen. Vordering tot terugbetaling van eiser daarom toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/273141 / HA ZA 14-624 \ 357/97

Vonnis van 30 maart 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN ZEE VASTGOED B.V.,

gevestigd te Leerdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W. Plessius te Gorinchem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. P. Habermehl te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Van Zee en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 augustus 2015

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 oktober 2015

  • -

    de akte overlegging productie van Van Zee

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van [gedaagden]

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van Van Zee, tevens houdende akte verandering/vermeerdering van eis

  • -

    de akte van [gedaagden]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De (verdere) beoordeling van het geschil

in conventie

2.1.

In het laatste tussenvonnis heeft de rechtbank met betrekking tot de vorderingen in dat vonnis genoemd onder 3.1.III, IV, VI en VII - betreffende de terugbetaling door [gedaagden] aan Van Zee van de hypotheekrente en diverse eigenaarslasten sedert mei 2008/oktober 2007 - onder meer in rechtsoverweging 4.6. overwogen en beslist dat die, op artikel 6:212 gegronde vorderingen, toewijsbaar zijn met inachtneming van hetgeen daar is overwogen.

2.2.

Bij conclusie na enquête hebben [gedaagden] de rechtbank verzocht terug te komen van haar voormelde beslissingen. Van Zee heeft zich daartegen verzet.

2.3.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Zij heeft uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist als hiervoor verkort is weergegeven. Van deze beslissingen komt de rechtbank in beginsel niet terug, tenzij bijzondere omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat zij daaraan zou zijn gebonden (Hoge Raad 25 april 2008, NJ 2008, 553). Die bijzondere omstandigheden doen zich hier niet voor. Uit hetgeen [gedaagden] tegen het aangevochten oordeel inbrengen, leidt de rechtbank af dat [gedaagden] het met dat oordeel niet eens zijn en dat zij de zaak anders zien. [gedaagden] kunnen dat desgewenst voorleggen aan de appelrechter. Naar het oordeel van de rechtbank berusten de gegeven oordelen echter niet op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, en dreigt het niet dat zij op een ondeugdelijke grondslag einduitspraak zou doen. De rechtbank zal daarom niet van haar bindende eindbeslissingen terugkomen.

2.4.

Ook Van Zee heeft de rechtbank verzocht terug te komen van in het laatste tussenvonnis gegeven bindende eindbeslissingen genoemd onder 3.III en IV in die zin, dat bij de berekening van het bedrag van de verrijking van [gedaagden] niet langer moet worden uitgegaan van het bedrag aan hypotheekrente dat [gedaagden] hadden moeten betalen, zoals Van Zee aanvankelijk had gesteld (en waarmee de oorspronkelijke vordering van Van Zee uitkwam op een bedrag van, omgerekend, € 1.440,63 per maand), maar dat moet worden uitgegaan van € 1.750,-- per maand. Van Zee heeft daarvoor het volgende aangevoerd.

Uit de door [gedaagden] (als productie 13) overgelegde stukken aangaande hun financiële positie volgt dat zij (eind 2007) nooit in staat waren geweest een hypotheek te verkrijgen van € 340.000,--, noodzakelijk om executoriale verkoop van hun boerderij te voorkomen en dat zij daarom altijd, ook los van de handelwijze van Van Zee, genoodzaakt waren geweest tot verkoop daarvan en dus hadden moeten huren. Voor de berekening van de verrijking van [gedaagden] moet daarom worden uitgegaan van een huursituatie, zoals die eind 2007 is ontstaan. De tussen partijen overeengekomen huur van € 1.750,-- per maand is redelijk. Met het oog daarop heeft Van Zee haar vorderingen (sub 3.1.III en IV) tevens gewijzigd in die zin dat zij thans heeft gevorderd [gedaagden] te veroordelen aan haar te betalen “de door haar geleden schade, gelijk de door gedaagden sinds 31 oktober 2007 onbetaald gebleven betaalde vergoeding ad Euro 1.750,-- per maand”, vermeerderd met wettelijke rente.

2.5.

Ook hier geldt dat de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist als hiervoor samengevat is weergegeven. Op dit onderdeel is er evenmin aanleiding van die beslissing terug te komen. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 2.3 is overwogen. Daarbij wordt nog overwogen dat - daargelaten of juist is de stelling van Van Zee dat de financiële situatie van [gedaagden] eind 2007 zodanig was dat zij niet in staat waren de benodigde hypotheek te verkrijgen - zonder verdere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat en waarom bij het berekenen van de verrijking van [gedaagden] uitgegaan zou moeten worden van de oorspronkelijk overeengekomen huurprijs. Een huurprijs omvat immers in het algemeen meer dan alleen een gebruiksvergoeding. Daarin zijn veelal ook allerlei lasten en kosten van onderhoud begrepen. Daarover heeft Van Zee evenwel niets gesteld. Het is ook daarom dat de rechtbank niet terugkomt van haar eerdere beslissing op dit punt. Voor de berekening van de verrijking moet daarom worden uitgegaan van vorenbedoeld bedrag aan hypotheekrente. Gebleven wordt dan ook bij hetgeen eerder is overwogen en beslist. De vermeerderde vorderingen behoeven dan ook geen bespreking.

2.6.

In het laatste tussenvonnis waren [gedaagden] (ten aanzien van de in dat vonnis onder 3.1.V bedoelde vordering) opgedragen te bewijzen dat zij de in dat vonnis onder rechtsoverweging 4.9.a t/m k bedoelde bedragen aan Van Zee hebben terugbetaald.

Het gaat daarbij om:

( a) bedragen tot een totaal van € 9.000,-- die [gedaagden] in november en december 2007 van Van Zee hebben geleend en

( b) bedragen tot een totaal € 16.758,40 die [gedaagden] in de periode van 30 september 2008 t/m 24 december 2008 van Van Zee hebben geleend.

[gedaagden] hebben als getuigen doen horen [naam 1] (gedaagde sub 2) en zijn echtgenote, [naam 2] . Van Zee heeft afgezien van contra-enquête.

2.7.

Bij de waardering van het bewijs wordt vooropgesteld dat de verklaring van [naam 1] als partijgetuige is onderworpen aan de beperking van artikel 164 lid 2 Rv. De vraag is of die verklaring voldoende steun vindt in aanvullende bewijzen die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken. Wat betreft de aflossing van het onder 2.6.a geleende bedrag van € 9.000,-- heeft [naam 1] verklaard:

“Kort na de verkoop van het huis ( 23 oktober 2007; de rechtbank) is in totaal € 9.000,00 van Van Zee geleend (…). Die € 9.000,00 zijn bij mijn weten in één keer terugbetaald aan Van Zee. Op enig moment kwam er via de oma van Natasha ( [naam 2] ; de rechtbank) in Canada namelijk geld vrij. Natasha heeft toen een bedrag van ruim € 10.000,00 gekregen. Volgens mij hebben we dat geld contant gekregen, maar dat weet ik niet meer honderd procent zeker. Met dat geld is Van Zee terugbetaald. Als mij wordt gevraagd waarom we niet om een betaalbewijs hebben gevraagd, dan antwoord ik daarop dat Van Zee steeds zei dat dat nog zou komen. Er kwam echter nooit wat(…)”.

[naam 2] heeft op dit punt eveneens verklaard dat de lening van in totaal € 9.000,-- ineens is afbetaald met het geld dat zij van haar oma uit Canada had gekregen. Desgevraagd heeft [naam 2] evenwel niet kunnen aangeven hoe en waar het geld aan Van Zee is terugbetaald. De verklaring van [naam 2] is daarmee te weinig concreet om de verklaring van [naam 1] , die op dit punt eveneens niet erg concreet is, te ondersteunen. Daarbij komt nog dat de verklaringen van de getuigen in zoverre van elkaar verschillen, dat volgens [naam 1] om een betalingsbewijs is gevraagd en dat Van Zee heeft toegezegd dat dat nog zou komen, terwijl [naam 2] heeft verklaard dat zij en haar man niet in de situatie verkeerden om een betalingsbewijs aan Van Zee te vragen. Voor het overige zijn geen aanvullende bewijzen voorhanden die de verklaring van [naam 1] ondersteunen. [gedaagden] zijn al met al niet geslaagd in het bewijs op dit onderdeel. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat zij de leningen van in totaal € 9.000,-- niet aan Van Zee hebben terugbetaald.

2.8.

Wat betreft de aflossing van de in de periode van 30 september 2008 t/m 24 december 2008 geleende bedragen heeft de getuige [naam 1] verklaard:

“In het najaar van 2008 zaten we ook weer krap (…) en we hebben toen weer geld bij Van Zee geleend. Dat ging voornamelijk via mijn vrouw. Zij regelde de zaken. Deze leningen zijn in veel kleinere gedeeltes terugbetaald. Dat ging op het laatst om zo’n € 100,00 à € 200,00 per keer. We betaalden telkens zoveel als we konden missen. Die terugbetalingen gebeurden steeds overdag, als ik er niet was. Van Zee kwam met grote regelmaat overdag langs, ook om geld op te halen. Mijn vrouw betaalde hem dan dat wat er voorhanden was. We hebben in de loop der tijd met grote regelmaat spullen verkocht, zoals een trekker, paarden, een mestverspreider en een giertank. Met de opbrengsten daarvan is ook Van Zee terugbetaald”.

De getuige [naam 2] heeft hierover verklaard, voor zover van belang:

“Op 4 september 2008 ben ik bevallen van ons tweede kind. Kort na de bevalling kwamen er grote rekeningen op ons af (…). Van Zee was bereid ons telkens hiervoor geld te lenen. Het ging daarbij steeds om kortlopende kredieten om een krapte te overbruggen. Die kredieten zijn ook in diezelfde periode weer terugbetaald. U moet daarbij denken aan terugbetalingstermijnen van enkele weken. Ik hield dit allemaal bij in mijn hoofd. We hebben in die tijd veel spullen verkocht om aan geld te komen. Zo heb ik onze sauna verkocht, een antiek tuinprieel en een paar Friese stamboekpaarden. In het najaar van 2008 heb ik vooral veel sieraden verkocht (…). Ook heb ik in die tijd een horloge verkocht. Telkens als er geld was belde ik Van Zee, waarna hij het geld kwam ophalen. Ik weet zeker dat hij al zijn geld toen terug heeft gekregen”.

2.9.

Uit de verklaringen van de getuigen volgt dat [naam 1] niet uit eigen wetenschap kan verklaren over de (contant) aan Van Zee gedane betalingen. Hij heeft immers verklaard dat hij er nooit was als zijn vrouw aan Van Zee betaalde. Bovendien verschillen ook hier de verklaringen van de getuigen van elkaar. Volgens [naam 2] zijn de ‘kortlopende kredieten’ telkens kort na de ontvangst van het geld van Van Zee binnen enkele weken daarna terugbetaald, terwijl Verkou heeft verklaard dat de leningen in veel kleinere bedragen zijn terugbetaald. De verklaring van [naam 2] kan dan ook niet dienen als aanvullend bewijs. Dat aanvullend bewijs kan ook niet worden gevonden in de door [gedaagden] als producties 11 en 12 overgelegde bewijzen van de verkoop van drie paarden en sieraden in oktober 2008, reeds omdat daaruit nog niet volgt dat de daarmee gemoeide bedragen aan van Zee zijn betaald. Overige aanvullende bewijsstukken zijn niet voorhanden. [gedaagden] zijn dus evenmin geslaagd in het bewijs op dit onderdeel. Aangenomen moet worden dat zij de leningen van in totaal € 16.758,40 niet aan Van Zee hebben terugbetaald.

2.10.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en hetgeen in het laatste tussenvonnis in de rechtsoverwegingen 4.10 t/m 4.14 is overwogen, is de conclusie dat de vordering, in het laatste tussenvonnis onder 3.1.V, toewijsbaar is tot een bedrag van

(€ 32.701,62 - € 1.500,-- =) € 31.201,62. De daarover gevorderde wettelijke rente is onweersproken en toewijsbaar.

2.11.

De vorderingen in het laatste tussenvonnis onder 3.1.I en II moeten, gelet op hetgeen daarover in dat vonnis onder 4.2 t/m 4.4 is overwogen, worden afgewezen. De overige vorderingen zijn, gelet op de rechtsoverwegingen 4.5 t/m 4.8 in dat vonnis toewijsbaar en wel als volgt.

De vorderingen onder 3.1.III en IV

2.12.

Hier gaat het om schade in verband met ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagden] omdat zij voor niets hebben gewoond op kosten van Van Zee. Voor de berekening van die schade dient als uitgangspunt dat [gedaagden] (de koopovereenkomst met Van Zee weggedacht) een hypothecaire lening hadden moeten afsluiten van € 340.000,-- tegen een rentepercentage van 4,61%. Dat komt uit op rentelasten van € 15.674,-- per jaar (door de rechtbank in het laatste tussenvonnis abusievelijk berekend op € 16.135,--). Dat is € 1.306,17 per maand. Dat bedrag is als schade toewijsbaar vanaf 1 mei 2008. De vordering sub 3.1.III betreft de periode van 1 mei 2008 tot 1 november 2014 en is dus toewijsbaar tot een bedrag van (78 maanden x € 1.306,17 =) € 101.881,26. De daarover gevorderde wettelijke rente is eveneens toewijsbaar telkens vanaf het moment dat een maandtermijn betaald moest worden, zoals ook is gevorderd. De vordering onder 3.1.IV is toewijsbaar tot een bedrag van € 1.306,17 per maand vanaf 1 november 2014 en wel tot aan het moment dat [gedaagden] de koopsom van € 350.000,-- aan Van Zee hebben terugbetaald.

De vorderingen onder 3.1.VI en VII

2.13.

Deze vordering betreft een aantal door Van Zee betaalde lasten die verbonden zijn aan de eigendom van een onroerende zaak, te weten: de onroerende zaaksbelasting en waterschapslasten. Deze eigenaarslasten zijn voor rekening van [gedaagden] Berekend over de periode tot 1 december 2013 zijn deze lasten toewijsbaar tot het gevorderde bedrag van € 5.436,27. De eveneens door Van Zee betaalde premie voor de opstalverzekering is, zo volgt uit het laatste tussenvonnis, eveneens toewijsbaar en wel tot en met mei 2013. Dat komt neer op een bedrag van € 4.107,70, berekend als volgt. Uitgegaan wordt van de in productie negen bij de dagvaarding vermelde, onweersproken, premies gedurende de verschillende jaren. Over het jaar 2013 bedroeg de premie € 892,98, wat neerkomt op € 74,42 per maand. Vanaf juni 2013 heeft Van Zee deze premie niet meer betaald. In de tot en met december 2013 berekende vordering van Van Zee ad € 4.628,64 is dus ten onrechte begrepen een bedrag van zeven maanden x € 74,42, wat neerkomt op € 520,94. Het toe te wijzen bedrag op dit onderdeel komt dan uit op (€ 4.628,64 - € 520,94 =) € 4.107,70.

Het totaal van deze beide bedragen is € 9.543,97. Omdat Van Zee terzake hiervan evenwel € 9.538,42 heeft gevorderd, zal de vordering tot dat laatste bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente als gevorderd.

De vordering Van Zee [gedaagden] te veroordelen tot (terug)betaling aan haar van de onroerende zaaksbelasting en waterschapslasten sedert 1 januari 2014 moet worden afgewezen, reeds omdat Van Zee niet heeft gesteld en evenmin is gebleken dat zij vanaf die tijd deze lasten heeft betaald.

2.14.

Er is, anders dan [gedaagden] hebben verzocht, geen aanleiding de hierna in het dictum op te nemen veroordelingen niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.15.

Aangezien partijen in de conventie over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van deze procedure tussen hen worden gecompenseerd.

In reconventie

2.16.

Uit de rechtsoverwegingen 4.15 t/m 4.17 volgt dat de vordering van [gedaagden] tot opheffing van het beslag toewijsbaar is, omdat een grond voor het leggen van beslag op basis artikel 724 Rv (eigenbeslag) ontbrak, nu het beslag niet ten laste van Van Zee kwam te liggen, maar ten laste van [gedaagden] als eigenaars. Hetgeen overigens is gevorderd moet worden afgewezen.

2.17.

Aangezien partijen in de reconventie eveneens over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen ook de kosten van deze procedure tussen hen worden gecompenseerd.

3 De beslissing

De rechtbank

In conventie

3.1.

veroordeelt [gedaagden] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Van Zee te betalen een bedrag van € 101.881,26, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde maandtermijnen vanaf hun moment van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening,

3.2.

veroordeelt [gedaagden] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Van Zee te betalen een bedrag van € 1.306,17 per maand vanaf 1 november 2014 tot aan het moment dat [gedaagden] de koopsom van € 350.000,-- aan Van Zee hebben terugbetaald, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde maandtermijnen vanaf hun moment van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening,

3.3.

veroordeelt [gedaagden] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Van Zee te betalen een bedrag van € 31.201,62, te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf 1 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.4.

veroordeelt [gedaagden] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Van Zee te betalen een bedrag van € 9.538,42, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover telkens vanaf het moment van opeisbaarheid van de verschillende bedragen/termijnen tot aan de dag der algehele voldoening,

3.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

3.7.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie

3.8.

heft op het door Van Zee op 27 oktober 2014 ten laste van [gedaagden] gelegde conservatoire beslag op de in het proces-verbaal van beslaglegging van genoemde datum vermelde onroerende zaken,

3.9.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin, dat iedere partij haar eigen kisten draagt,

3.10.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2016.

Coll.: ED