Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:2005

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-02-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
C/05/293693 / KG RK 15/1101
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Er bestaat geen aanleiding voor verwijzing van het wrakingsverzoek naar een andere rechtbank. Het verzoek tot wraking van de wrakingskamer is buiten behandeling gelaten, nu de rechtsgang hiermee op geen enkele wijze wordt gediend. Het wrakingsverzoek van de rechter is afgewezen. Het verzoek zag op de wijze waarop de rechter tijdens de zitting regie voerde. Rechters hebben een grote vrijheid bij de invulling van deze taak. De wijze waarop de rechter daaraan invulling heeft gegeven geeft geen blijk van vooringenomenheid. Tot slot wordt verzoeker een wrakingsverbod opgelegd, nu de wrakingsverzoeken van de rechter en de wrakingskamer geen gronden bevatten die op de persoon van de rechters zien en hij de afgelopen jaren reeds vele wrakingsverzoeken heeft ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: [zaaknummer]

Beschikking van 8 februari 2016

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker tot wraking,

tegen

mr. C.G. Peper, in zijn hoedanigheid van voorzieningenrechter,

verder te noemen: de rechter.

1 De procedure

1.1

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 26 november 2015 is het wrakingsverzoek mondeling gedaan. De rechter heeft niet in de wraking berust.

1.2

De zitting van de wrakingskamer stond aanvankelijk gepland op 14 december 2015 om 15.30 uur. Op verzoek van verzoeker, die aangaf die dag te zijn verhinderd, is de zaak aangehouden. In overleg met verzoeker en de rechter is een nieuwe zittingsdatum bepaald, te weten 7 januari 2016 om 16.00 uur. Op 5 januari 2016 heeft verzoeker, vanwege ziekte, wederom verzocht om aanhouding. Opnieuw is in overleg met verzoeker en de rechter een nieuwe zittingsdatum bepaald, te weten 1 februari 2016 om 15.30 uur. Tevens is aan verzoeker kenbaar gemaakt dat een volgend uitstelverzoek niet zal worden gehonoreerd.

1.3

Bij e-mailbericht van 1 februari 2016 (11:25 uur) heeft verzoeker wederom, wegens ziekte, verzocht om aanhouding. Indien de zaak niet wordt aangehouden, verzoekt hij om verwijzing van het wrakingsverzoek naar een andere rechtbank. Indien ook dit verzoek wordt afgewezen, stelt verzoeker te zijn gehouden tot wraking van de bij de wraking betrokken rechters.

1.4

Ter zitting van 1 februari 2016 is het aanhoudingsverzoek besproken. De rechter heeft verklaard geen aanleiding te zien in het aanhouden van het wrakingsverzoek. De wrakingskamer heeft kenbaar gemaakt bij beschikking te beslissen op het verzoek.

1.5

De wrakingskamer wijst het verzoek tot (verdere) aanhouding van het wrakingsverzoek af. Daartoe wordt overwogen dat verzoeker zijn verzoek om aanhouding niet met (medische) stukken heeft onderbouwd. Ook het eerdere aanhoudingsverzoek, dat tevens zou zijn ingegeven door ziekte, was niet met stukken onderbouwd. Daaruit kan dus niet volgen dat verzoeker nog steeds niet in staat zou zijn bij de zitting aanwezig te zijn. Deze onderbouwing mag wel van een aanhoudingsverzoek worden verwacht. Te meer, nu eerder om aanhouding was verzocht, de zittingsdatum in overleg met verzoeker was gepland en aan verzoeker al kenbaar was gemaakt dat een volgend verzoek niet zal worden gehonoreerd. Bovendien is het aanhoudingsverzoek – zonder kenbare reden – bijzonder laat ingediend.

1.5

Het (subsidiaire) verzoek tot verwijzing van het wrakingsverzoek naar een andere rechtbank wordt eveneens afgewezen. Bij wijze van uitzondering kan een dergelijk verzoek – in afwijking van de huidige wrakingsregelingen – worden toegewezen. In dat geval moeten concrete omstandigheden worden aangedragen waarom het verzoek in dit bijzondere geval moet worden toegewezen. Dergelijke omstandigheden zijn door verzoeker niet genoemd. De wrakingskamer ziet daarom geen aanleiding af te wijken van de huidige regelingen.

1.6

Verder gaat de wrakingskamer voorbij aan het (meer subsidiaire) verzoek tot wraking van de wrakingskamer. Verzoeker heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die betrekking hebben op de personen van de rechters van deze wrakingskamer. Dit is voor de wrakingskamer reden om dit verzoek buiten behandeling te laten omdat hierdoor de rechtsgang op geen enkele wijze wordt gediend.

1.7

Op 1 februari 2016 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld. Verzoeker was niet aanwezig. De rechter is verschenen. Hij heeft een verweerschrift overgelegd en ook nader verweer gevoerd.

2 Het wrakingsverzoek

2.1

Het verzoek tot wraking is gericht tegen de rechter als voorzieningenrechter in de in de kort geding procedure tussen verzoeker als eiser en [gedaagde] als gedaagde betreffende hun kinderen.

2.2

Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van 26 november 2015 aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat hij van de rechter geen gelegenheid kreeg om voorafgaande aan de inhoudelijke behandeling van de zaak, formele punten aan te voeren. Verder heeft de rechter een door verzoeker naar voren gebrachte getuige gevraagd de zitting te verlaten.

2.3

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. Hij heeft verklaard dat verzoeker hem vrijwel direct na aanvang van de zitting en kort daarna nogmaals onderbrak om formele punten naar voren te brengen. De rechter gaf beide keren aan dat hij zijn introductie van de zaak wilde afmaken en dat verzoeker daarna uitgebreid gelegenheid zou krijgen zijn vordering toe te lichten. Verzoeker verliet daarop de rechtszaal en kwam terug met zijn vriendin. De rechter verzocht de vriendin de rechtszaal te verlaten, omdat het een besloten zitting betrof en hij voor haar aanwezigheid geen toestemming had gegeven. De rechter verklaart dat hij werd gewraakt alvorens hij aan de inhoudelijke behandeling van de zaak kon toekomen. Hij verzoekt het wrakingsverzoek af te wijzen. Verder verzoekt hij om verzoeker een wrakingsverbod op te leggen, omdat hij zijn bevoegdheid om wrakingsverzoeken in te dienen misbruikt.

3 De beoordeling

3.1

Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996,484). Uit de artikelen 36 en 37 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of dat de vrees van een partij dat dat zo is, objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank het volgende.

3.2

De wrakingskamer stelt vast dat niet in geschil is dat verzoeker tweemaal heeft geprobeerd formele punten naar voren te brengen en dat de rechter hem daartoe op het door verzoeker gewenste moment geen gelegenheid heeft gegeven. Ook heeft de rechter een door verzoeker naar voren gebrachte persoon (verzoekers vriendin) verzocht de zitting te verlaten.

3.3

Naar het oordeel van de wrakingskamer getuigt vorenstaand handelen van de rechter niet van rechterlijke partijdigheid. De wrakingskamer stelt voorop dat het de taak van de rechter is om op de zitting de regie te voeren en de goede procesorde te bewaken. Dat betekent dat het aan de rechter is om, binnen de grenzen van de wet, het moment te bepalen waarop verzoeker gelegenheid krijgt om het woord te voeren. Rechters hebben een grote vrijheid bij de invulling van deze taak. De wijze waarop de rechter invulling heeft gegeven aan zijn taak is niet zodanig onbegrijpelijk dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven. Integendeel, de rechter heeft op een begrijpelijke wijze invulling gegeven aan zijn taak.

3.4

Nu verzoeker ook overigens geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de rechter blijk heeft gegeven van partijdigheid dan wel van vooringenomenheid dan wel dat de vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is, zal de wrakingskamer het verzoek afwijzen.

3.5

Op het verzoek van de rechter om verzoeker een wrakingsverbod op te leggen, overweegt de rechtbank als volgt.

3.6.

De wrakingskamer stelt vast dat de door verzoeker gedane wrakingsverzoeken van de rechter en van de wrakingskamer geen gronden bevatten die betrekking hebben op de persoon van de rechters. Dat leidt tot de conclusie dat verzoeker het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. De wrakingskamer zal daarom op grond van artikel 39, vierde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen. Daarbij heeft de wrakingskamer tevens in aanmerking genomen dat verzoeker, blijkens het door de rechter bij zijn verweerschrift aangehechte overzicht van door verzoeker ingediende wrakingsverzoeken, de afgelopen jaren reeds een grote hoeveelheid wrakingsverzoeken heeft ingediend. Die verzoeken zijn alle afgewezen, niet-ontvankelijk verklaard of niet in behandeling genomen.

4 De beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

Deze beschikking is gegeven door de mrs. H.PM. Kester-Bik (voorzitter), W.L.F. Prisse en M.P.C.J. van Bavel, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. T. de Munnik en in openbaar uitgesproken op 8 februari 2016.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.