Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1969

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
05/720249-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een 20-jarige man uit Arnhem veroordeeld tot een jeugddetentie van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk voor poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/720249-15

Datum uitspraak : 5 april 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende [adres] , [woonplaats]

Raadsman: mr. H.M. Mourik, advocaat te Aalten.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 22 maart 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de nacht van 5 op 6 september 2015 in de gemeente Doetinchem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]

opzettelijk van het leven te beroven, met een (stanley)mes, althans met een scherp/puntig voorwerp op die [slachtoffer] is toegelopen en/of (vervolgens) op korte afstand, althans binnen het bereik van het lichaam van die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal (met kracht)

- met dat (stanley)mes, althans met dat scherpe/puntige voorwerp die [slachtoffer] in diens
hals(streek)/keel heeft gestoken en/of gesneden en/of

- met dat (stanley)mes, althans met dat scherpe/puntige voorwerp die [slachtoffer] in diens
(linker)onderarm en/of gezicht en/of hand(en) en/of buik(streek) en/of elders in diens lichaam
heeft gestoken en/of gesneden en/of

- ( een) zwaaiende en/of snijdende beweging(en) in de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(zaak 1)

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de nacht van 5 op 6 september 2015 in de gemeente Doetinchem , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een (stanley)mes, althans met een scherp/puntig voorwerp op die [slachtoffer] is toegelopen en/of (vervolgens) op korte afstand, althans binnen het bereik van het lichaam van die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal (met kracht)

- met dat (stanley)mes, althans met dat scherpe/puntige voorwerp die [slachtoffer] in diens
hals(streek)/keel heeft gestoken en/of gesneden en/of

- met dat (stanley)mes, althans met dat scherpe/puntige voorwerp die [slachtoffer] in diens
(linker)onderarm en/of gezicht en/of hand(en) en/of buik(streek) en/of elders in diens lichaam
heeft gestoken en/of gesneden en/of

- ( een) zwaaiende en/of snijdende beweging(en) in de richting van het (boven)lichaam van die
[slachtoffer] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(zaak 1)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij in of omstreeks de nacht van 5 op 6 september 2015 in de gemeente Doetinchem, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door opzettelijk meermalen, althans eenmaal (met kracht)

- met een (stanley)mes, althans met een scherp/puntig voorwerp die [slachtoffer] in diens
hals(streek)/keel te steken en/of te snijden en/of

- met dat (stanley)mes, althans met dat scherpe/puntige voorwerp die [slachtoffer] in diens
(linker)onderarm en/of (voor)hoofd en/of gezicht en/of pols(en) en/of hand(en) te steken en/of
te snijden.

(zaak 1)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 5 september 2015 omstreeks 23.30 uur is aangever met zijn broertje, en zijn vrienden [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] naar het kermisterrein bij het gemeentehuis in Doetinchem gegaan. Toen zijn broertje en [naam 2] even weg waren, kwamen er drie personen aan lopen, twee mannen en een meisje. Terwijl ze passeerden zei aangever tegen het meisje: “je kunt beter bij mij blijven”.2 Er ontstond een gevecht.3 Daarbij raakte aangever gewond.4 Uit een geneeskundige verklaring komt naar voren dat aangever een winkelhaak op zijn voorhoofd links had, een snee in zijn linker onderarm en ondiepe wondjes in zijn hals, en rechterpols.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft zij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft betoogd dat niet kan worden bewezen dat verdachte een mes in zijn bezit heeft gehad. Ook zijn er geen aanwijzingen dat het afbreekmesje dat is aangetroffen van hem was. Volgens de raadsman kan het letsel bij aangever zijn toegebracht op de wijze zoals verdachte heeft verklaard, te weten door de ritssluiting van zijn jas. Subsidiair meent de raadsman dat hoogstens sprake zou kunnen zijn van een eenvoudige mishandeling.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal eerst beoordelen wat er heeft plaatsgevonden in de nacht van 5 op 6 september 2015.

Aangever heeft daarover verklaard dat toen hij tegen het meisje zei: “je kunt beter bij mij blijven”, één van de jongens zich omdraaide en tegen hem begon te schelden. Hij zag dat deze jongen een mes pakte uit zijn rechter kontzak van zijn broek of de rechterzak van zijn bodywarmer of vest. Hij hield een stanleymes in zijn rechterhand vast. Aangever zag dat het snijgedeelte van het mes aan de duimzijde van de hand van de jongen zat. De jongen maakte een zwaaibeweging met zijn rechterarm in de richting van aangever ter hoogte van zijn schouder. Aangever stond ongeveer één meter van de jongen af. Hij heeft geprobeerd de steekbewegingen af te weren. Aangever heeft gehoord dat bij het steken een mesje is afgebroken en op de grond viel.6

Volgens getuige [naam 1] draaide een jongen zich om toen aangever voor de grap tegen het meisje zei dat ze beter bij hem kon blijven. De jongen draaide zich om en liep naar aangever toe. De jongen begon tegen aangever te schelden, greep naar zijn kontzak en haalde er een stanleymes uit. [naam 1] hoorde duidelijk een rits-geluid toen de jongen het stanleymes in zijn rechterhand had. Hij zag dat er een soort mesje uit het stanleymes kwam. Aangever probeerde de zwaaibewegingen van de jongen met het stanleymes te ontwijken. [naam 1] zag dat de jongen aangever boven zijn linker oog raakte en dat er direct bloed uit de snee kwam. Aangever sloeg de jongen één of twee keer in het gezicht. Zijn vuist kwam tegen het stanleymes aan waardoor het mesje afbrak. De jongen schoof het mesje verder uit, waarop er dus weer een klein mesje uitstak. Daarmee raakte de jongen aangever twee keer op zijn keel met een harde zwaai . [naam 1] zag dat de jongen met het stanleymes op de linker onderarm van aangever zwaaide. Later bleek dat aangever op die plek een behoorlijke snee had.7

Ook getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de ene jongen, de kleinste van de twee en die naar hij hoorde [verdachte] heette, op aangever afstapte. De jongen begon tegen aangever te schelden en pakte een stanleymes uit zijn zak. Hij maakte zwaaibewegingen in de richting van aangever. Terwijl hij met zijn hand in de richting van aangever wees, zag [getuige 1] dat hij met zijn duim het snijgedeelte eruit schoof. Aangever probeerde zichzelf te verdedigen door een hand voor zijn gezicht te houden. Met zijn andere hand probeerde hij de jongen van zich af te houden. [getuige 1] heeft gezien dat de jongen een zwaaibeweging maakte in de richting van het hoofd van aangever en dat aangever daarbij net boven zijn wenkbrauw werd geraakt. Boven de wenkbrauw zat een diepe snee van ongeveer twee centimeter lang. [getuige 1] heeft gehoord dat een stukje van het mes op de grond viel toen deze afbrak. Dit gebeurde direct nadat de jongen een stekende beweging in de richting van de buik van aangever maakte.8

Getuige [getuige 2] heeft over het voorval verklaard dat ze met [naam 4] en [verdachte] (verdachte) in de stad Doetinchem liep. Bij de kermis tegenover het gemeentehuis kwamen ze drie jongens tegen van wie ze er één kende als [naam 5] of [naam 6] . Dit is een tweeling en ze kan beiden niet uit elkaar houden. [naam 5] of [naam 6] riep tegen haar dat ze beter met hem mee kon gaan. [verdachte] draaide zich om en vroeg of hij niet kon zien dat ze een vriendje had. Er begon een gevecht. Ze weet dat verdachte er iets bij trok, maar heeft niet gezien wat het was. Hij haalde dat uit zijn broekzak en zwaaide ermee in de richting van het gezicht van [naam 5] / [naam 6] . Volgens [getuige 2] heeft verdachte [naam 5] / [naam 6] ook geraakt. Ze zag bloed op zijn gezicht.9

Verdachte heeft verklaard met aangever te hebben gevochten.

De rechtbank is van oordeel dat uit de voormelde bewijsmiddelen onmiskenbaar naar voren komt dat verdachte een stanleymes uit zijn broekzak heeft gehaald. De getuige [naam 1] heeft verklaard dat hij heeft gehoord dat verdachte het mesje omhoog schoof en hij en [getuige 1] hebben ook gezien dat het snijgedeelte van het stanleymes was uitgeschoven. Uit de verklaringen van de getuigen komt verder naar voren dat verdachte met het stanleymes in de richting van aangevers hoofd, hals en buik heeft gezwaaid dan wel gestoken. Verdachte heeft aangever daarbij op meerdere plaatsen geraakt, waardoor snijwonden zijn ontstaan in zijn gezicht, hals, armen en/of handen, mogelijk mede als gevolg van het feit dat aangever de zwaaiende bewegingen heeft geprobeerd af te weren. Dat verdachte geen mes, maar een aansteker in zijn handen zou hebben gehad en dat de verwondingen zouden kunnen zijn ontstaan door de ritssluiting van zijn jas is naar het oordeel van de rechtbank onaannemelijk.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is hoe de gedragingen van verdachte moeten worden gekwalificeerd.

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen en overweegt daartoe als volgt:

Volgens vaste jurisprudentie is sprake van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door zijn gedragingen, gelet op hun uiterlijke verschijningsvorm, een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven heeft geroepen. De rechtbank acht hierbij van belang dat uit de bewijsmiddelen naar voren komt dat verdachte een stanleymes uit zijn zak heeft gehaald en daarmee, terwijl hij op korte afstand van aangever stond, heeft gezwaaid in de richting van de buik, hals en het hoofd van aangever. Aangever heeft daarbij letsel opgelopen, te weten een winkelhaak op zijn voorhoofd links, een snee in zijn linker onderarm en ondiepe wondjes in zijn hals, en rechterpols.10 Algemeen bekend is dat een stanleymes vlijmscherp kan zijn. Ook is het algemeen bekend dat in de buik, in de halsstreek en in het hoofd veel vitale organen en (slag)aders zitten. In het geval met een (stanley)mes op korte afstand in de richting van de buik, de halsstreek en het hoofd van een persoon wordt gezwaaid, bestaat op grond van algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans dat daardoor zodanig letsel ontstaat, dat het slachtoffer overlijdt. Verdachte heeft gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever ten gevolge van zijn handelen zou kunnen overlijden, zodat sprake is van (in ieder geval) voorwaardelijk opzet.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in of omstreeks de nacht van 5 op 6 september 2015 in de gemeente Doetinchem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een (stanley)mes, althans met een scherp/puntig voorwerp op die [slachtoffer] is toegelopen en/of (vervolgens) op korte afstand, althans binnen het bereik van het lichaam van die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal (met kracht)

- met dat (stanley)mes, althans met dat scherpe/puntige voorwerp die [slachtoffer] in diens
hals(streek)/keel heeft gestoken en/of gesneden en/of

- met dat (stanley)mes, althans met dat scherpe/puntige voorwerp die [slachtoffer] in diens
(linker)onderarm en/of gezicht en/of hand(en) en/of buik(streek) en/of elders in diens lichaam
heeft gestoken en/of gesneden en/of

- (een) zwaaiende en/of snijdende beweging(en) in de richting van het (boven)lichaam van die
[slachtoffer] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op: poging tot doodslag.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het jeugdstrafrecht zal worden toegepast en dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat aan verdachte bijzondere voorwaarden zullen worden opgelegd zoals geadviseerd in het rapport van de jeugdreclassering van 18 maart 2016.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring mocht komen, verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft verzocht het advies van de jeugdreclassering te volgen en aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast kan een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd onder algemene- en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de jeugdreclassering. De raadsman heeft hierbij onder meer naar voren gebracht dat een detentie gecontra-indiceerd is, omdat sprake is van een positieve ontwikkeling, verdachte met de behandeling is gestart, contacten voor begeleid wonen zijn gelegd en er lijnen zijn uitgezet voor schuldhulpverlening.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 8 februari 2016;

- een voorlichtingsrapportage van de afdeling jeugdreclassering van Jeugdbescherming Gelderland van 18 maart 2016.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Hij heeft, terwijl er festiviteiten in de stad waren, agressief gehandeld toen aangever een op zichzelf genomen onschuldige opmerking maakte in de richting van het meisje. Terwijl de personen die bij verdachte waren hem ervan probeerden te weerhouden geweld te gebruiken, is verdachte doorgegaan. Hij heeft een stanleymes getrokken en daarmee gezwaaid in de richting van aangever en hem op meerdere lichaamsdelen verwond. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Dat aangever niet dodelijk is geraakt, is puur geluk. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen en het letsel dat hij daarmee heeft veroorzaakt heeft genomen en, terwijl er veel belastende verklaringen tegen hem zijn afgelegd - ook door getuige [getuige 2] -, blijft ontkennen dat hij een mes in zijn hand heeft gehad.

De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen het rapport van de jeugdreclassering van 18 maart 2016. Daaruit komt onder meer naar voren dat verdachte vaak impulsief reageert en de consequenties van zijn gedrag onvoldoende kan overzien. Hij beschikt nog niet over de vaardigheden die nodig zijn om verantwoordelijkheid te kunnen nemen en handelt niet zoals - gemiddeld genomen- van iemand van zijn leeftijd mag worden verwacht. Volgens de jeugdreclassering is verdachte gebaat bij een pedagogische en opvoedkundige aanpak die ook aandacht heeft voor het gezin waar hij deel van uitmaakt. Om die reden wordt geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank ziet aanleiding overeenkomstig het advies van de jeugdreclassering het jeugdstrafrecht toe te passen. Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een vrijheidsbenemende straf die in duur beperkt blijft tot het voorarrest. Zij acht de door de officier van justitie gevorderde jeugddetentie van 10 maanden passend en geboden. Om te voorkomen dat verdachte opnieuw in de fout gaat zal de rechtbank daarvan 4 maanden in voorwaardelijk vorm opleggen. De rechtbank zal daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd in het rapport van de jeugdreclassering van 18 maart 2016. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat een (onvoorwaardelijke) detentie gecontra-indiceerd is, overweegt de rechtbank dat de behandeling zich nog in een beginfase bevindt, dat er nog geen sprake van een vorm van begeleid wonen is en dat ook nog geen schuldhulpverleningstraject is opgezet. De gevolgen van een detentie zijn in die zin beperkt.

8 Inbeslaggenomen goederen

Het in beslag genomen afbreekmesje, waarvan aannemelijk is dat het aan verdachte toebehoorde, wordt onttrokken aan het verkeer, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan en het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

9. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het ten laste gelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van
€ 2.200,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

  • -

    Shirt € 75,-

  • -

    Broek € 75,-

  • -

    Schoenen € 200,-

  • -

    Jas € 600,-

  • -

    Immateriële schade € 1.250,-

Totaal € 2.200,-

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van een bedrag van € 1.850,- voor de jas en de immateriële schade. Nu de overige posten niet zijn onderbouwd meent zij dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij dan wel afwijzing van de vordering bepleit. Hij meent dat de vordering te gecompliceerd is voor behandeling in het strafproces. De raadsman heeft hiertoe betoogd dat voor de gestelde posten geen bewijsstukken zijn overgelegd en dat de gestelde psychische schade onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van
€ 1.750,- schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 september 2015 te worden toegewezen.

Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

  • -

    Jas € 600,-

  • -

    Overige kleding/schoenen € 150,-

  • -

    Immateriële schade € 1.000,-

Totaal € 1.750,-

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de shirt, broek en schoenen geen bewijsmiddelen zijn overgelegd en dat zij voor deze posten alsmede voor de immateriële schade een bedrag naar redelijkheid en billijkheid heeft geschat.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij zal niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

10 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 36b, 36c, 36f, 45, 77c, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

  • -

    veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van 10 (tien) maanden;

  • -

    bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

  • -

    stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich binnen vijf dagen na de beëindiging van de (onvoorwaardelijke) jeugddetentie zal melden bij de afdeling jeugdreclassering van Jeugdbescherming Gelderland en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- zich onder behandeling zal stellen in het kader van het behandeladvies van de Polikliniek Jeugd of een soortgelijke instelling, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen die hem gedurende de behandeling door of namens voormelde instelling zullen worden gegeven;

- meewerkt aan een traject begeleid (zelfstandig) wonen bij een nader te bepalen instelling;

 geeft opdracht aan de afdeling jeugdreclassering van Jeugdbescherming Gelderland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

  • -

    beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven afbreekmesje;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 1.750,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 1.750,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 27 dagen jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. Gielissen (voorzitter), mr. C.J.M. van Apeldoorn en mr. M.W. Stoet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 april 2016.

Mr. Stoet is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/720249-15

Uitspraak d.d.: 5 april 2016

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van 5 april 2016.

Tegenwoordig:

mr. Gielissen , rechter,

mr. , officier van justitie,

en mr. Luijckx , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte,

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te Zutphen,

wonende [adres] , [woonplaats] ,

is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De raadsman, mr. H.M. Mourik is wel / niet verschenen.

De rechter spreekt het vonnis uit

en wijst verdachte op de mogelijkheid om binnen veertien dagen na heden hoger beroep tegen dit vonnis in te stellen.

Waarvan proces-verbaal,

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015436239, gesloten op 4 januari 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 512-513.

3 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 542.

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 514.

5 Geneeskundige verklaring, p. 528.

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 513-514.

7 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] , p. 553.

8 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 555-556.

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 541-542.

10 Geneeskundige verklaring, p.528 en deskundigenrapport letsel interpretatie p. 577b.