Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1966

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-04-2016
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
05/840851-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een 53-jarige man uit Lochem veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf wegens poging tot zware mishandeling en poging tot doodslag van twee schippers. Aan de slachtoffers moet de man een schadevergoeding van € 2.533,21 respectievelijk € 4.228,22 betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840851-15

Datum uitspraak : 8 april 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[Verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende [adres] .

Raadsman: mr. F.A.J.M. Peeters, advocaat te Winterswijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

25 maart 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij in of omstreeks 7 augustus 2015 tot en met 8 augustus 2015 te Eefde, gemeente Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een (honkbal)knuppel, althans een zwaar en/of hard (houten)

voorwerp en/of een (zware) zaklamp (Maglite) in/tegen het gezicht/hoofd en/of tegen de schouder, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij in of omstreeks 7 augustus 2015 tot en met 8 augustus 2015 te Eefde, gemeente Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met een (honkbal)knuppel, althans een zwaar en/of hard (houten) voorwerp en/of een (zware) zaklamp (Maglite) in/tegen het gezicht/hoofd en/of

tegen de schouder, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij in of omstreeks 7 augustus 2015 tot en met 8 augustus 2015 te Eefde, gemeente Lochem, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen met een (honkbal)knuppel, althans een zwaar en/of hard (houten) voorwerp en/of een (zware) zaklamp (Maglite) in/tegen het gezicht/hoofd en/of tegen de schouder, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] te slaan;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij in of omstreeks 7 augustus 2015 tot en met 8 augustus 2015 te Eefde, gemeente Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een (honkbal)knuppel, althans een zwaar en/of hard (houten)

voorwerp en/of een (zware) zaklamp (Maglite) in/tegen het gezicht/hoofd en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij in of omstreeks 7 augustus 2015 tot en met 8 augustus 2015 te Eefde, gemeente Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met een (honkbal)knuppel, althans een zwaar en/of hard (houten) voorwerp en/of een (zware) zaklamp (Maglite) in/tegen het gezicht/hoofd en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij in of omstreeks 7 augustus 2015 tot en met 8 augustus 2015 te Eefde, gemeente Lochem, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door meermalen met een (honkbal)knuppel, althans een zwaar en/of hard (houten) voorwerp en/of een (zware) zaklamp (Maglite) in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] te slaan;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Feit 1 en 2

Aanleiding onderzoek

Op 7 augustus 2015 omstreeks 23:57 uur werd er bij de politie melding gedaan van een ruzie met een schipper over een aggregaat in de milieuzone aan het Kanaalpad te Eefde, waarbij een persoon buiten westen was geraakt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Ter zake van feit 1 primair is vrijspraak gevorderd. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en nader toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten. Mede gelet op de ernst van de verwondingen van aangevers kan poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling niet worden bewezen, ook niet via de constructie van voorwaardelijk opzet. Ter zake van feit 1 en 2 meer subsidiair is geen verweer gevoerd. Tot slot heeft de raadsman ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, nu verdachte uit noodweer dan wel noodweerexces heeft gehandeld.

Beoordeling door de rechtbank

Bewijsmiddelen feit 1 en 2

Gelet op de samenhang tussen feit 1 en feit 2 zal de rechtbank de van belang zijnde bewijsmiddelen gezamenlijk behandelen, waarbij elk bewijsmiddel slechts is gebruikt ten aanzien van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Aangever [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 7 augustus 2015 met zijn schip ( [naam schip] ) was aangemeerd aan het Kanaalpad in Eefde. Hij had het aggregaat op zijn boot aanstaan. ’s Middags kwam er steeds een man van de camping bij hem langs, die hem lastig viel en tegen zijn schip aan sloeg omdat hij wilde dat aangever het aggregaat uitzette. ’s Avonds kwam de man opnieuw meerdere keren langs en sloeg daarbij met een hard voorwerp tegen zijn schip. Het aggregaat was toen nog aan. Daar het bonken door bleef gaan, is aangever uit bed opgestaan, heeft hij zijn zoon opgehaald die in een ander vertrek sliep en zijn ze beiden, gekleed in hun onderbroek en rubberen slippers, aan wal gegaan. Aangever zag dat de man inmiddels terug was gelopen, van de boot af, richting de camping. Dat is ongeveer 50-70 meter. Vervolgens werden aangever en zijn zoon in het gezicht geschenen met een zaklamp. Op het moment dat aangever de zaklamp van de vrouw probeerde af te pakken, zag hij dat de man een honkbalknuppel in zijn hand had. Aangever herkende de honkbalknuppel vanwege de smalle zijde die wijd uitloopt en denkt dat de honkbalknuppel van hout was. Aangever heeft van achteren een klap op zijn hoofd en op zijn schouder gekregen en denkt dat dit is gebeurd met de honkbalknuppel. Hij kon bijna niets meer zien vanwege het bloed dat in zijn gezicht liep. Wel zag hij dat zijn zoon op de grond lag. Aangever had veel pijn en zat onder het bloed. De eerste ambulance heeft hij naar zijn zoon gestuurd, die bewusteloos was geraakt. Als gevolg van de klappen heeft aangever een hersenschudding, een grote wond op zijn gezicht en een verstuikte schouder opgelopen. Volgens aangever begon de man direct te slaan.2

Op 8 augustus 2015 omstreeks 00:04 uur zagen verbalisanten op het Kanaalpad in Eefde, gemeente Lochem, op de weg een man liggen die helemaal onder het bloed zat. De man lag stil en had zijn ogen dicht. Zijn rechteroog was erg opgezwollen. In eerste instantie was de man niet aanspreekbaar. Voorts zagen verbalisanten aan de waterzijde van de weg een tweede, oudere man, eveneens onder het bloed. De oudere man hield een doekje of verband tegen zijn voorhoofd boven zijn linkeroog, dat helemaal doordrenkt was met bloed. Tevens zagen verbalisanten dat er veel bloed lag midden op de weg waar de jongere man lag. Van de oudere man, die Duits sprak, hoorden verbalisant dat hij was geslagen met een honkbalknuppel door een man en een vrouw, waarbij hij wees naar het campingterrein. Op het terrein kwamen een man een vrouw verbalisanten tegemoet. Verbalisanten hoorden dat de man zei dat hij beide mannen had geslagen met een Maglite zaklamp, waarna zij de bij de man aangetroffen Maglite in beslag hebben genomen. De oudere man gaf later op te zijn aangever [slachtoffer 1] en vertelde dat de jongere man, [slachtoffer 2] , zijn zoon was. De slachtoffers zijn per ambulance naar het ziekenhuis in Zutphen gevoerd.3

Uit een letselrapportage van GGD Noord- en Oost-Gelderland van 4 september 2015 betreffende [slachtoffer 1] , blijkt dat aangever heeft aangegeven dat hij met een honkbalknuppel is geslagen op onder andere zijn hoofd en zijn linker arm/schouder. Hij heeft daarbij pijn aan het hoofd en pijn en een functiebeperking aan de linkerarm- en schouder opgelopen. Blijkens aanvullende informatie van neuroloog [naam 1] had aangever een fors bloedende hoofdwond, die op de spoedeisende hulp is gehecht (lengte 37 mm). Door de neuroloog is geconcludeerd dat bij aangever sprake is van licht traumatisch hoofd/hersenletsel (categorie 1) en lichte bloedarmoede door bloedverlies.

Door de GGD is het letsel van aangever als volgt beoordeeld: er is sprake van gehechte huidverwondingen linksboven op het hoofd en een forse bloeduitstorting in de linker bovenarm. Dit letsel kan passen bij de aangegeven toedracht. Genezing zal waarschijnlijk 2 tot 3 weken duren. Het is aannemelijk dat er op het hoofd een zichtbaar litteken zal achterblijven.4

Uit een letselrapportage van GGD Noord- en Oost-Gelderland van 4 september 2015 betreffende [slachtoffer 2] , blijkt dat aangever heeft aangegeven dat hij met een honkbalknuppel tegen zijn hoofd is geslagen. Hij is daarbij gevallen en enige tijd bewusteloos geweest. Hij heeft daarbij meerdere verwondingen opgelopen. Ten tijde van het opstellen van de rapportage heeft aangever pijn aan het hoofd. Blijkens aanvullende informatie van neuroloog [naam 1] is aangever opgenomen op de afdeling neurologie vanwege een hoofdtrauma. Vanaf binnenkomst in het ziekenhuis weet hij weer wat er is gebeurd.

Door de neuroloog is geconcludeerd dat bij aangever sprake is van hersenschudding (licht traumatisch hoofdletsel (categorie 2), breuk rechter oogkas en neus en mogelijke geleidingsdoofheid rechts. Door de GGD is het letsel van aangever als volgt beoordeeld: er is sprake van meerdere oppervlakkige huidverwondingen met korstvorming met name rechts in het gelaat en op beide knieën, van bloeduitstortingen met zwelling rond beide ogen, een hersenschudding en meerdere botbreuken in de oogkas, een breuk in het neusbeen en een breuk in de schedel. De beschreven verwondingen kunnen passen bij de aangegeven toedracht. Genezing zal waarschijnlijk 2-3 maanden duren.5 Voorts heeft aangever sinds het feit last van (deels onherstelbaar) reuk- smaak- en gehoorverlies aan zijn rechteroor. Zijn oor is volledig volgelopen met bloed, hetgeen nog operatief moet worden verwijderd.6

Door verbalisanten werd bij verdachte een Maglite zaklamp met 4D cell aangetroffen met een gewicht van 1.029 gram, inclusief batterijen.7 Uit een bijgevoegde foto van de Maglite volgt dat deze zaklamp bij de lichtbundel wijd uiteenloopt.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij een zaklamp, een zware Maglite met een lengte van 30-40 centimeter, in zijn linkerhand had en dat hij aangever [slachtoffer 2] daarmee éénmaal, waarschijnlijk tegen de zijkant van zijn hoofd, met links heeft geslagen. Vervolgens zag verdachte dat [slachtoffer 2] met zijn hoofd op de grond viel. Hierna heeft hij aangever [slachtoffer 1] met de Maglite in zijn hand van bovenaf op het hoofd geslagen. Bij zijn weten heeft hij [slachtoffer 1] zeker één keer met de Maglite in de hand geslagen.8

Bewijsoverwegingen feit 1 en 2

Op grond van voormelde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte beide aangevers heeft geslagen.

Gelet op het feit dat bij aangever [slachtoffer 1] op verschillende locaties letsel is geconstateerd, zowel boven op zijn hoofd als op zijn linkerarm- en schouder, stelt de rechtbank vast dat verdachte aangever drie maal heeft geslagen.

Ook ten aanzien van [slachtoffer 2] concludeert de rechtbank dat verdachte aangever meerdere malen moet hebben geslagen, nu aangever op diverse plaatsen in het gezicht, te weten bij zijn rechteroogkas, zijn neus èn zijn schedel, botbreuken heeft opgelopen.

Het verweer dat het letsel aan het hoofd en het gezicht van [slachtoffer 2] (hoofdzakelijk) is ontstaan doordat hij na de klap met zijn gezicht op het wegdek is gevallen, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Verdachte verklaarde ter zitting [slachtoffer 2] links op het hoofd te hebben geslagen. [slachtoffer 2] had echter zwellingen rond beide ogen, meerdere botbreuken in de oogkas, een breuk in het neusbeen en een breuk in de schedel. Gezien de ernst van het letsel en de verschillende plaatsen op het gezicht, met name de zwellingen rond beide ogen, acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat al dit letsel is ontstaan door één klap met een hard voorwerp en daarnaast een val op de grond. Dit wordt ondersteund door de letselrapportage waarin wordt aangegeven dat het letsel kan passen bij de aangegeven toedracht.

Hoewel aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte hen heeft geslagen met een honkbalknuppel, acht de rechtbank dit onvoldoende aannemelijk geworden. Kort na het voorval is de politie ter plaatse gekomen. Verdachte had toen een Maglite in de hand. Er is toen geen honkbalknuppel aangetroffen en deze is evenmin gevonden bij de latere huiszoeking. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij heeft geslagen met de bij hem door de politie aangetroffen Maglite zaklamp. Zijn echtgenote die bij het voorval aanwezig was, heeft dit bevestigd. De Maglite is 30-40 cm lang en loopt evenals een honkbalknuppel wijd uitéén. Het is niet uit te sluiten dat aangever [slachtoffer 1] de Maglite heeft aangezien voor een honkbalknuppel. Daarbij overweegt de rechtbank dat het zicht van aangever [slachtoffer 1] , gezien het nachtelijk uur en de schamele verlichting beperkt was en dat aangever [slachtoffer 2] zich de toedracht niet kan herinneren. Dat na forensisch onderzoek geen bloedsporen zijn aangetroffen doet daaraan niet af. Het is onbekend wat de waarschijnlijkheid is dat er bloedsporen zouden achterblijven op de Maglite indien daarmee geslagen zou zijn. Evenmin is bekend of verdachte tussen de melding bij de politie en de inbeslagname door de politie de gelegenheid heeft gehad de Maglite schoon te maken en daarmee eventuele sporen uit te wissen.

De rechtbank heeft vervolgens te beoordelen hoe deze feiten moeten worden gekwalificeerd.

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank als volgt. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer 1] , ook niet in voorwaardelijke vorm, toen hij hem met de Maglite in zijn hand sloeg. Ook uit de locaties waar verdachte aangever heeft geslagen, te weten éénmaal boven op het hoofd en twee maal tegen het bovenlichaam, kan niet worden opgemaakt dat het slaan van verdachte met een Maglite tot de dood van aangever had kunnen leiden. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door aangever opzettelijk en met kracht met een zware Maglite zaklamp in de hand van bovenaf op zijn hoofd en op zijn arm en schouder te slaan, op zijn minst genomen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Een Maglite met een gewicht van ruim een kilo is een zwaar langwerpig voorwerp. De algemene ervaringsregels leren dat hiermee, bij krachtig slaan op het hoofd, breuken in neus, oogkas of schedel kunnen ontstaan die als meer dan licht letsel te kwalificeren zijn. Verdachte kon dit weten en heeft toch die kans voor lief genomen door zo te slaan.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank dient te beoordelen of verdachte, toen hij aangever [slachtoffer 2] met een zware Maglite in de hand tegen de zijkant van zijn hoofd en in het gezicht sloeg, opzet heeft gehad om aangever van het leven te beroven c.q. dodelijk letsel toe te brengen.

Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat de opzet van verdachte erop gericht was om aangever van het leven te beroven, toen hij hem meermaals met de Maglite sloeg. Vervolgens is de vraag of verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van aangever heeft gehad. Hiervan is sprake wanneer verdachte bewust, willens en wetens, de aanmerkelijk kans aanvaardt dat het door hem niet-primair gewilde gevolg intreedt. In dit geval betekent dit dat de kans op de dood bij het slaan van een zware Maglite tegen de zijkant van het hoofd en vol in het gezicht aanmerkelijk moet zijn geweest, dat verdachte zich bewust was van die aanmerkelijke kans en dat verdachte ondanks dat bewustzijn tóch heeft geslagen en daarmee het risico dat [slachtoffer 2] hierdoor zou overlijden bewust heeft aanvaard, dus op de koop heeft toegenomen.

Verdachte heeft aangever van relatief korte afstand, meermaals en met dusdanige kracht met een zware Maglite zaklamp tegen de zijkant van het hoofd en midden in het gezicht geraakt, dat aangever als gevolg hiervan bloeduitstortingen met zwellingen rond beide ogen, een hersenschudding en meerdere botbreuken in de oogkas, een breuk in het neusbeen en een breuk in de schedel heeft opgelopen, bewusteloos is geraakt en flink wat bloed heeft verloren. Verdachte had aangever dodelijk kunnen verwonden gezien de kwetsbaarheid van en de vitale lichaamsfuncties in het getroffen gebied; het hoofd van het slachtoffer, gezien zijn slagrichting en gezien de kracht en het voorwerp waarmee hij heeft geslagen. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat het meermaals krachtig en gericht slaan met een zware Maglite een grote kans op de dood met zich brengt. Dat mag bij een ieder als bekend worden verondersteld en dus ook bij verdachte. Door met die wetenschap tóch meermaals met een Maglite in de hand uit te halen naar het hoofd en het gezicht van aangever, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] ten gevolge van die klappen zou komen te overlijden. Verdachte heeft daarom voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 2] gehad.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Subsidiair

hij in de periode van of omstreeks 7 augustus 2015 tot en met 8 augustus 2015 te Eefde, gemeente Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met een (honkbal)knuppel, althans een zwaar en/of hard (houten) voorwerp en/of een (zware) zaklamp (Maglite) in/tegen het gezicht/hoofd en/of tegen de schouder, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

Primair

hij in de periode van of omstreeks 7 augustus 2015 tot en met 8 augustus 2015 te Eefde, gemeente Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een (honkbal)knuppel, althans een zwaar en/of hard (houten) voorwerp en/of een (zware) zaklamp (Maglite) in/tegen het gezicht/hoofd en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

Poging tot doodslag.

5 De strafbaarheid van het feit

De verdediging heeft zich ten aanzien van beide feiten primair op het standpunt gesteld dat verdachte uit noodweer heeft gehandeld, reden waarom hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank dient bij het beoordelen van het noodweerverweer eerst vast te stellen of sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding danwel van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Daartoe is van belang dat de feitelijke toedracht rondom het slaan wordt vastgesteld. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij is opgestaan omdat het bonken tegen het schip doorging. Hij is met zijn zoon aan land gegaan – beiden in onderbroek en op rubberen schoenen - en zag dat aangever was teruggelopen richting de camping. Dat is ongeveer 50 à 70 m.9 Zij zijn snel lopend naar deze personen gegaan die stil stonden bij de inrit van de camping. Zijn zoon was iets sneller dan aangever.10 Dat [slachtoffer 1] daarop met een zaklamp in het gezicht is geschenen door de echtgenote van verdachte en dat het nodig was de zaklamp vast te pakken acht de rechtbank niet aannemelijk. Aangevers hebben verdachte en zijn vrouw over enkele tientallen meters in het zicht gehad en dat valt niet te rijmen met het plotseling in de ogen schijnen van aangever [slachtoffer 1] .

De rechtbank volgt mede daarom verdachte in zijn verklaring dat de mannen hem en zijn echtgenote hadden ingehaald en dat hij de mannen toen heeft gezegd dat zij weg moesten gaan. Hij ziet dan dat “de knecht” (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) een trappende beweging naar hem maakt. Daarop heeft verdachte een trap teruggegeven en [slachtoffer 2] geraakt bij de knie. Verdachte zei opnieuw dat ze weg moesten gaan maar zag dat [slachtoffer 2] hem probeerde vast te pakken bij zijn vest. Daarom heeft verdachte hem met de zaklamp geslagen.11

De rechtbank vindt voor deze lezing ondersteuning in de verklaring van de echtgenote van verdachte. De echtgenote is diezelfde nacht om 01:10 uur – kort na het voorval - gehoord door de politie. Haar verklaring is weliswaar niet exact hetzelfde als die van haar echtgenote maar vertoont voldoende overeenkomsten op essentiële onderdelen. Zoals dat de mannen voor hen stonden, dat één van de mannen haar man schopte, dat haar man terugschopte en de knie raakte van één van de mannen en dat de man daarop met beide handen haar man wilde grijpen.

Ten aanzien van feit 2: [slachtoffer 2] .

Van een ogenblikkelijke aanranding kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo’n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 Wetboek van Strafrecht. Er is ’s nachts voor verdachte en zijn echtgenote een dreigende situatie ontstaan toen de twee mannen op hen af kwamen, [slachtoffer 2] een schopbeweging maakte en verdachte wilde vastpakken. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende vast komen te staan dat sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Daarbij betrekt de rechtbank dat de twee mannen op verdachte en zijn vrouw af kwamen lopen, [slachtoffer 2] een trappende beweging heeft gemaakt naar verdachte en verdachte probeerde vast te pakken. Nu sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding, mocht verdachte zichzelf en zijn echtgenote in beginsel verdedigen.

De rechtbank zoekt hiermee aansluiting bij de uitspraak van de Hoge Raad van 22 maart 2016.12

Vervolgens dient te worden beoordeeld of het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel in redelijke verhouding staat tot de ernst van de dreigende aanranding. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte het niet heeft gelaten bij één slag maar dat hij meermaals heeft geslagen tegen het hoofd van [slachtoffer 2] terwijl hij een Maglite in de handen had. Verdachte heeft daarmee het meest kwetsbare deel van het lichaam van [slachtoffer 2] meermalen hard geraakt. Gelet op voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat van verdachte in redelijkheid had mogen worden gevergd dat hij zich op een minder ingrijpende wijze tegen de hierboven beschreven aanranding zou hebben verdedigd. Verdachte hield immers een meer dan 1 kilogram zware Maglite zaklamp in zijn hand en was daarmee in het voordeel. Hij had aangever [slachtoffer 2] met de Maglite kunnen bedreigen of hen hiermee op minder kwetsbare lichaamsdelen zoals de armen of benen kunnen tikken. Verdachte heeft met zijn handelen de grenzen van de noodzakelijke zelfverdediging ver overschreden en fors disproportioneel gehandeld.

Ten aanzien van feit 1: [slachtoffer 1]

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft geslagen omdat die zijn echtgenote bij de trui of de keel vastpakte. De rechtbank volgt deze lezing niet nu de echtgenote van verdachte dit niet heeft verklaard. De echtgenote van verdachte heeft verklaard dat zij ziet dat de man (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) in elkaar zakt. Zij ziet dan dat de andere man haar man wilde pakken. Om dit te voorkomen ging zij tussen beiden staan. Zij zag en voelde toen dat de man haar bij haar arm pakte. Zij zag dat haar man boos was en met zijn Maglite de man sloeg.13

Het enkele vastpakken van de arm van de echtgenote van verdachte door [slachtoffer 1] is onvoldoende om te spreken van een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 Wetboek van Strafrecht van verdachte of van zijn echtgenote. De rechtbank is van oordeel dat er ook geen sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke aanranding. Uit de verklaring van de echtgenote blijkt niet dat zij zich daadwerkelijk bedreigd voelde door [slachtoffer 1] . Daarnaast weegt de rechtbank zwaar mee dat [slachtoffer 2] inmiddels bewusteloos op de grond lag en verdachte, voorzien van Maglite, en zijn echtgenote op dat moment in de meerderheid waren.

De rechtbank verwerpt daarom voor beide feiten het beroep op noodweer. De bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt nu hij als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, door voornoemde aanranding veroorzaakt, de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

Verdachte heeft over zijn gemoedstoestand bij het slaan van aangevers bij de politie verklaard dat al zijn frustraties over de overlast die binnenvaartschippers de laatste vijf jaar op zijn camping hadden veroorzaakt, die avond tot uiting zijn gekomen. Voorst heeft hij bij de politie verklaard dat hij bang was dat [slachtoffer 1] zijn vrouw zou molesteren. Verder heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij heel boos werd toen [slachtoffer 1] naar zijn vrouw greep.

Uit de zojuist genoemde jurisprudentie volgt dat de eisen die aan de hevige gemoedsbeweging worden gesteld zwaar zijn. Op grond van vorenstaande uitlatingen stelt de rechtbank vast dat verdachte boos was vanwege de aanranding. Dat is op zich zelf een gemoedsbeweging maar deze valt niet als “hevig” aan te merken.

Gezien verdachtes verklaring over zijn opgebouwde frustraties in de afgelopen jaren over het gedrag van binnenschippers acht de rechtbank het aannemelijk dat een eventuele gemoedsbeweging voornamelijk daarvan het gevolg is geweest. Er is dan sprake van een uiting van een gemoedsbeweging die zich in de loop der jaren heeft opgebouwd en daarmee dus niet een hevige gemoedsbeweging die het onmiddellijke gevolg is van de aanranding door [slachtoffer 2] . Het beroep op noodweerexces wordt daarom eveneens verworpen.

Nu het beroep op noodweerexces faalt en ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte aldus strafbaar.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en het onder 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met aftrek en een proeftijd van 3 jaar.

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman verzocht om bewezenverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel. Subsidiair is een werkstraf bepleit. Volgens de raadsman is sprake van een zeer bijzonder feitencomplex met veel verzachtende omstandigheden. Tot slot heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte een nagenoeg blanco strafblad heeft.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- een verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 26 januari 2016; en

- een verdachte betreffend advies van de reclassering, gedateerd 21 maart 2016.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een levensdelict en aan een poging tot zware mishandeling. Dit zijn zeer ernstige feiten waarvoor alleen een gevangenisstraf passend is.

Verdachte ondervond sinds enige jaren met regelmaat (geluids)overlast van binnenschippers die aanmeerden vlak bij zijn camping, welk conflict de avond van 7 op 8 augustus 2015 is geëscaleerd toen aangevers hun schipaggregaat aan hadden staan. De rechtbank acht het voorstelbaar dat de frustraties van verdachte over de (geluids)overlast zich door de jaren heen hebben opgestapeld. Ook acht de rechtbank het gerechtvaardigd dat verdachte zichzelf heeft beschermd tegen één van beide aangevers, die de confrontatie met hem opzocht. Verdachte is hier echter veel te ver in gegaan door de aangever die ongewapend was, met een zware Maglite meermaals tegen het hoofd te slaan. Verdachte heeft daarna ook de andere aangever geslagen met de Maglite terwijl hiertoe onvoldoende aanleiding was.

Aangever [slachtoffer 2] is als gevolg van de slagen op zijn hoofd enige tijd buiten kennis geweest en heeft ernstig en deels blijvend letsel opgelopen. Verder hebben aangevers ten gevolge van het door verdachte toegebrachte letsel enige tijd hun werkzaamheden niet kunnen uitoefenen.

Door zijn handelen heeft verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangevers en het grootste bezit van [slachtoffer 2] , zijn leven, op het spel gezet. Verdachte mag van geluk spreken dat het letsel van [slachtoffer 2] niet fataal is geweest en dat het letsel van [slachtoffer 1] relatief beperkt is gebleven.

Daar staat tegenover dat de rechtbank bij de strafmaat rekening dient te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ten gunste van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte een nagenoeg blanco strafblad heeft en dat sprake is van een eenmalig geweldsincident. Voorts wordt het recidiverisico door de reclassering als laag ingeschat, mede omdat verdachte inmiddels is verhuisd naar een andere plaats en de camping heeft verkocht zodat voortzetting van het reclasseringstoezicht en/of een behandelverplichting niet (langer) noodzakelijk wordt geacht.

Alles overwegend, acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Deze straf zal mogelijk gevolgen hebben voor de baan van verdachte, maar de rechtbank is van oordeel dat hieraan voorbij gegaan dient te worden gelet op de ernst van de feiten.

9. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Ter zake van het onder 1 ten laste gelegde heeft benadeelde partij [slachtoffer 1] een totaalbedrag van € 15.931,21 gevorderd, waarvan € 13.398 bestaat uit gederfde inkomsten over de periode van 18 augustus 2015 tot 28 augustus 2015, € 1.783,21 aan medische kosten en € 750,- aan immateriële schade.

Benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft ter zake van het onder 2 tenlastegelegde een totaalbedrag van € 4.228,22 gevorderd, waarvan € 728,22 bestaat uit medische kosten en € 3.500,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht beide vorderingen volledig toe te wijzen, daar deze voldoende zijn onderbouwd en aannemelijk is dat de gevorderde schade is veroorzaakt door de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Voorts is verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Voorts biedt de bepleite vrijspraak voor het onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde geen ruimte voor toewijzing van de vorderingen. Gelet hierop dienen beide benadeelde partijen volledig niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.

Beoordeling van de rechtbank

Vast is komen te staan dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als gevolg van het onder 1 subsidiair en het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade hebben geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht verantwoordelijk is.

De door beide benadeelde partijen gevorderde medische kosten en immateriële schade acht de rechtbank voldoende onderbouwd en alleszins redelijk zodat deze kosten voor volledige vergoeding in aanmerking komen, te vermeerderen met de verzochte wettelijke rente.

Wat de door [slachtoffer 1] gevorderde gederfde inkomsten betreft, is de rechtbank van oordeel dat behandeling van dit deel van de vordering, gelet op de complexiteit hiervan nader onderzoek vergt, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding zal opleveren. Gelet hierop zal de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Dit deel van de vordering kan daarom alleen worden aangebracht bij de civiele rechter.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank tevens aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen.

10 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 2.533,21 (tweeduizend vijfhonderd drieëndertig euro en eenentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 2.533,21 (tweeduizend vijfhonderd drieëndertig euro en eenentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom, 35 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 primair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 4.228,22 (vierduizend tweehonderdachtentwintig euro en tweeëntwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 4.228,22 (vierduizend tweehonderdachtentwintig euro en tweeëntwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom, 52 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kropman (voorzitter), mr. Van Hoof en mr. Post, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 april 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost- Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015386390, gesloten op 28 oktober 2015, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 28-29.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 36-37.

4 Letselrapportage, afgegeven door [naam 2] , forensisch arts KNMG, p. 72-73.

5 Letselrapportage, afgegeven door [naam 2] , forensisch arts KNMG, p. 79-80.

6 Duitstalige informatie afkomstig van HNO Zentrum Nordrhein van 15 maart 2016.

7 Proces-verbaal sporenonderzoek, PL 0600-2015386390-16 van 12 augustus 2015, p. 2 (niet genummerd).

8 Verklaringen van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

9 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 29.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 43.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 125.

12 ECLI:NL:HR:2016:456, rechtsoverweging 3.4.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 47.