Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1960

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3357
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Bijzondere bijstand. Weigering woonkostentoeslag. De ex-echtgenoot van eiseres betaalt de woonlasten, maar materieel draagt eiseres deze. Verweerder dient uit te gaan van de materieel door eiseres gedragen woonlasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats [woonplaats]

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/3357

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A.E.L.Th. Balkema),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats] te [woonplaats], verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om eiseres bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) toe te kennen in de vorm van een toeslag eigen woning (hierna: de woonkostentoeslag).

Bij besluit van 27 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden M. Verhoeven en M. Hendrikx.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Eiseres is vanaf 1998 samen met haar voormalig echtgenoot eigenaar geweest van de woning aan de [adres] te [woonplaats]. In 2010 is zij gescheiden. In het echtscheidingsconvenant is onder meer opgenomen dat de beide kinderen van eiseres hun hoofdverblijfplaats bij eiseres zullen hebben en dat de voormalig echtgenoot van eiseres haar maandelijks een bedrag van € 740 aan partneralimentatie en een bedrag van € 300 per kind aan kinderalimentatie zal voldoen, waarbij geldt dat deze bedragen zijn onderworpen aan de indexering als bedoeld in artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is in het convenant opgenomen dat de woning aan de [adres] in eigendom blijft van eiseres en haar voormalig echtgenoot gezamenlijk, dat eiseres het volledige gebruiksrecht heeft deze woning en dat zij alle aan de woning verbonden lasten op zich neemt, waarbij de fiscale renteaftrek geheel aan eiseres toekomt.

1.2

In afwijking van de afspraken in het convenant betaalt de voormalig echtgenoot van eiseres de hypotheekrente rechtsreeks aan de hypotheekverstrekker en onroerendezaakbelasting (OZB) aan de gemeente, onder verrekening van een bedrag van

€ 416 met de partneralimentatie.

1.3

In november 2014 is de oudste zoon van eiseres verhuisd naar het buitenland. Vanaf december 2014 ontvangt eiseres nog slechts kinderalimentatie voor één kind. Op 17 november 2014 heeft eiseres de woonkostentoeslag aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen en daartoe overwogen dat slechts de door eiseres rechtstreeks betaalde woonlasten in aanmerking worden genomen, dat eiseres zelf slechts een bedrag van

€ 14,41 per maand aan woonlasten betaalt en dat dit (veel) minder is dan de minimale huurgrens van € 226,98. Naar het oordeel van verweerder staat daarmee vast dat het verlenen van bijzondere bijstand niet noodzakelijk is in de zin van artikel 35 PW. Verweerder heeft toegelicht dat eiseres, om in aanmerking te kunnen komen voor de woonkostentoeslag, in ieder geval de hypotheekrente zelf dient te voldoen, zodat zij ook de fiscale voordelen kan ontvangen.

2. In beroep stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder de woonkostentoeslag niet had mogen weigeren, nu zij materieel gezien de woonlasten draagt.

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

3.1

Uit het beleid van verweerder met betrekking tot de woonkostentoeslag blijkt het volgende. Alvorens een besluit te nemen op een eerste aanvraag voor deze toeslag, wordt in beginsel door een preventiemedewerker een onderzoek ingesteld naar de schuldensituatie van de aanvrager en naar de noodzaak om de toeslag te verstrekken. Voorts wordt de toeslag slechts verstrekt voor zover de in aanmerking te nemen woonlasten hoger zijn dan de toepasselijke basishuur en er voldaan wordt aan de overige voorwaarden. Tenslotte wordt de toeslag slechts voor een beperkte periode verstrekt en wordt van de aanvrager gevergd dat deze actief zoekt naar goedkopere woonruimte.

3.2

Verweerder heeft geen onderzoek laten instellen door een preventiemedewerker, omdat de in aanmerking te nemen woonlasten naar het oordeel van verweerder lager zijn dan de basishuur en de toeslag derhalve hoe dan ook niet verstrekt kan worden.

De beroepsgrond die eiseres hier tegen richt, slaagt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van de woonlasten slechts de rechtstreeks betaalde kosten in aanmerking kunnen worden genomen. Dit standpunt vindt geen steun in het eigen beleid van verweerder en is ook niet redelijk. In de onderhavige procedure is tussen partijen niet in geschil dat eiseres materieel degene is die de woonlasten draagt. De rechtbank vermag niet in te zien waarom in die situatie doorslaggevend is of eiseres zelf ook degene is die zorg draagt voor het betalen van deze kosten.

3.3

Dat eiseres op deze manier geen fiscale voordelen ontvangt is op zichzelf juist, maar doet aan het voorgaande niet af. Uit het onderzoek van verweerder blijkt immers niet dat eiseres, wanneer zij rechtstreeks de hypotheekrente zou betalen en deze betalingen zou opvoeren als fiscale aftrekpost, in een zodanige financiële positie zou komen te verkeren dat het verstrekken van bijstand om die reden niet aan de orde is. Verweerder had hiernaar in ieder geval nader onderzoek moeten doen, bijvoorbeeld in het kader van het onderzoek door een preventiemedewerker. Daarbij is nog van belang dat eiseres ter zitting gemotiveerd het standpunt heeft ingenomen dat zij in het geheel geen fiscale voordelen zou hebben ontvangen, nu haar inkomen zodanig laag is dat zij geen belasting verschuldigd is.

3.3

Het standpunt van verweerder dat eiseres zelf deze kosten zou moeten gaan voldoen, gaat bovendien uit van de vooronderstelling dat het voor eiseres mogelijk is om de hypotheek op haar eigen naam te laten overschrijven. Mede gelet op de door eiseres in het geding gebrachte maximale hypotheekberekening, acht de rechtbank dit niet op voorhand aannemelijk.

3.4

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook ten onrechte verzuimd om de financiële toestand van eiseres en de noodzaak van het verschaffen van de woonkostentoeslag inhoudelijk te (laten) beoordelen. Het bestreden besluit is daarmee onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

4. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder beoordelen of en onder welke voorwaarden eiseres met ingang van december 2014 recht heeft op de woonkostentoeslag. Voor de vaststelling van de hoogte van de woonlasten zijn daarbij de afspraken in het echtscheidingsconvenant bepalend, zodat moet worden uitgegaan van de materieel door eiseres gedragen woonlasten. Ook dient verweerder bij de beoordeling onder meer te betrekken of het voor eiseres mogelijk was de hypotheekrente rechtstreeks te betalen aan de hypotheekverstrekker en of het opvoeren van de betaalde rente als aftrekpost in dat geval zou hebben geleid tot fiscale voordelen. Voor de in aanmerking te nemen inkomsten dient verweerder, evenzo als dit voor de woonlasten geldt, uit te gaan van de in het convenant vastgestelde partneralimentatie. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op 6 weken na verzending van deze tussenuitspraak.

5. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twee weken na de verzending van deze tussenuitspraak. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

6. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om binnen 6 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.W. Blok, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

Rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.