Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1955

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
12-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3746
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering vuurwapenverlof aan een sportschutter die lid is van een vereniging die niet door de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie (KNSA) is gecertificeerd. De eisen voor certificering zijn niet in een wettelijke regeling opgenomen. De aan eiser gestelde beperkingen die voortvloeien uit de vereiste certificering van de schietvereniging waar hij de schietsport wil uitoefenen, zijn in strijd met het recht op vrijheid van vereniging. De rechtbank verklaart artikel 43, vijfde lid, van de RWM en artikel 43a, voor zover daaruit volgt dat een sportschutter lid moet zijn van een gecertificeerde schietvereniging, onverbindend wegens strijd met artikel 11 van het EVRM. De rechtbank volgt grotendeels een niet gepubliceerde uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 21 december 2015, AWB 15/5516.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/3746

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.J.F. van den Wijngaard),

en

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2014 (hierna: het primaire besluit) heeft de Korpschef van politie (hierna: de Korpschef) het door eiser gevraagde verlof voor het voorhanden hebben van wapens en munitie geweigerd.

Bij besluit van 22 mei 2015 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser ingestelde administratief beroep gegrond verklaard, het primaire besluit vernietigd en het gevraagde verlof wederom geweigerd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brieven van 16 juli 2015, 10 augustus 2015 en 11 januari 2016.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is, gevoegd met de beroepen van F.A. Lamers (zaaknummer 15/4429), O.H.J.M. Stienezen (zaaknummer 15/4482) en R.J. Oosterveer (zaaknummer 15/4878), behandeld ter zitting van 26 januari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van den Boom. Na de zitting is de behandeling van deze zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser is lid van schietvereniging [naam]. Op 21 juli 2014 heeft eiser een aanvraag voor het verkrijgen van een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie ten behoeve van de schietsport ingediend bij de Korpschef.

Bij het primaire besluit heeft de Korpschef het gevraagde verlof geweigerd, omdat geen sprake is van een redelijk belang bij de verlening van het verlof. De Korpschef heeft zich hierbij gebaseerd op artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) gelezen in verband met artikel 28 van de WWM en de artikelen 43 en 43a van de Regeling wapens en munitie (hierna: RWM). Bij het bestreden besluit heeft verweerder het hiertegen door eiser ingestelde administratief beroep gegrond verklaard, maar het gevraagde verlof wederom geweigerd op grond van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWM gelezen in samenhang met artikel 26, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de WWM, en de artikelen 43, vijfde lid, en artikel 43a, eerste lid, van de RWM.

2. Eiser kan zich met de weigering van het gevraagde verlof niet verenigen. Op hetgeen hij hiertegen heeft aangevoerd zal de rechtbank hierna ingaan.

3. De rechtbank stelt voorop dat voor het voorhanden hebben van wapens en munitie in beginsel verboden is. Een houder van een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie bevindt zich daarom in een uitzonderingspositie.

4. Bij uitspraken van 20 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2080) en 24 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2557) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), kort samengevat en voor zover hier van belang, geoordeeld dat de Circulaire Wapens en Munitie 2012 niet als wetsinterpreterende beleidsregel kan worden aangemerkt, omdat in de Circulaire Wapens en Munitie 2012 was opgenomen dat slechts sprake is van een redelijk belang, als bedoeld in artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWM, indien een sportschutter lid is van een bij de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie (hierna: KNSA) aangesloten schietvereniging en een geldige KNSA licentie heeft. Deze vereisten gaan, volgens de Afdeling, het criterium ‘redelijk belang’ te buiten. Dit geldt volgens de Afdeling te meer nu door deze vereisten de publiekrechtelijke bevoegdheid tot het houden van toezicht zonder wettelijke grondslag in feite wordt uitgeoefend door de KNSA, een privaatrechtelijke rechtspersoon. De Afdeling heeft tevens geoordeeld dat sprake is van strijd met artikel 11 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

5. Naar aanleiding van deze uitspraken van de Afdeling heeft verweerder de RWM en de Circulaire Wapens en Munitie (hierna: CWM) aangepast. Bij besluit van 25 juni 2014 – zoals gepubliceerd in de Staatscourant (jaargang 2014, nummer 18.098) en in werking getreden per 2 juli 2014 – is artikel 43a van de Rwm vastgesteld en is artikel 43 van de Rwm gewijzigd. Volgens verweerder is daarmee afdoende gereageerd op de uitspraken van de Afdeling van 20 november 2013 en 24 december 2013.

6. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.

Ingevolge het tweede lid mag de uitoefening van deze rechten aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de WWM is het verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is het eerste lid niet van toepassing op personen die houder zijn van een verlof als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, voor zover dit verlof reikt.

Ingevolge het vierde lid kan Onze Minister ten aanzien van de personen bedoeld in het tweede lid regels vaststellen met betrekking tot:

a. de medische geschiktheid en vaardigheid in het omgaan met wapens;

b. de vereiste kennis op het terrein van wapens; en

c. het aantal wapens dat zij ten hoogste voorhanden mogen hebben.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de WWM wordt een verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend door de korpschef.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, wordt een verlof verleend indien de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen.

Ingevolge artikel 43, vijfde lid, van de RWM wordt een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie, zoals bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de WWM, ten behoeve van de schietsport alleen verleend voor de wapens en munitie waarmee de sportschutter binnen het verband van zijn schietvereniging, welke voldoet aan de eisen als bedoeld in artikel 43a, een schietsportdiscipline beoefent.

Ingevolge artikel 43a, eerste lid, van de RWM kan een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie, zoals bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de WWM, worden verleend aan een schietvereniging, die door een door de Minister aangewezen organisatie is gecertificeerd.

7. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en zoals ter zitting nader is toegelicht, op het standpunt gesteld dat een sportschutter op grond van de artikelen 43 en 43a van de RWM alleen in aanmerking kan komen voor een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de WWM, indien de sportschutter lid is van een door de KNSA gecertificeerde schietvereniging. Indien de sportschutter geen lid is van een gecertificeerde vereniging, is sprake van een gevaar zoals bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de WWM.

8. Eiser heeft aangevoerd dat deze regels in strijd met artikel 11 van het EVRM zijn, omdat op grond van artikel 26, vierde lid, van de WWM in het geheel niet geëist mag worden dat iemand lid is van een vereniging, zoals nu het geval is op grond van artikel 43, vijfde lid, van de RWM. Daarnaast acht eiser de voorwaarden van de KNSA buitenwettelijk.

De rechtbank overweegt dat het recht op vrijheid van vereniging, zoals opgenomen in artikel 11 van het EVRM, mede het recht om zich niet te hoeven verenigen omvat. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.

De rechtbank stelt vast dat verweerder, op grond van artikel 26, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de WWM nadere eisen mag stellen aan sportschutters met betrekking tot de vaardigheid wapenkennis en medische geschiktheid. Uit artikel 43, vijfde lid, van de RWM volgt dat een sportschutter lid moet zijn van een schietvereniging om de schietsport uit te kunnen oefenen. Dit vormt een beperking van het recht op vrijheid van vereniging die bij wet is voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank kan het vereiste lidmaatschap van een schietvereniging het belang dienen om de controle van en het toezicht op de vuurwapenkennis en vuurwapenvaardigheid van een sportschutter te organiseren en te borgen. Gelet op de uitzonderingspositie die een sportschutter inneemt ten opzichte van personen die geen vuurwapen voorhanden mogen hebben en gelet op de gevaren en risico’s die in zijn algemeenheid aan het voorhanden hebben van vuurwapens zijn verbonden is de rechtbank van oordeel dat controle van en toezicht op sportschutters met betrekking tot de vereiste kennis en vaardigheden, gelet op de openbare orde en veiligheid, noodzakelijk kan worden geacht in een democratische samenleving en in het belang van de nationale of openbare veiligheid. Het lidmaatschap van een schietvereniging is naar het oordeel van de rechtbank een passend en proportioneel middel om dit toezicht en deze controle gestalte te geven. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het vereiste lidmaatschap van een schietvereniging om de schietsport te kunnen uitoefenen, de toets aan artikel 11, tweede lid, van het EVRM kan doorstaan. Het betoog van eiser faalt in zoverre.

9.1

De rechtbank constateert vervolgens dat verweerder aan de weigering van het verlof van eiser ten grondslag heeft gelegd dat hij geen lid is van een door de KNSA gecertificeerde organisatie. De rechtbank stelt vast dat de eisen voor certificering zijn neergelegd in het reglement van de KNSA en deels zijn terug te vinden in de CWM. Daarbij geldt, zoals ook door verweerder ter zitting is erkend, dat de in de CWM opgenomen beleidsregels de KNSA niet binden. De eisen voor certificering zijn niet in de RWM of een andere wettelijke regeling opgenomen. Dit betekent dat een privaatrechtelijke rechtspersoon, de KNSA, via de certificering van een vereniging eisen stelt, aan de voorwaarden waaronder iemand voor een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie in aanmerking kan komen. Daarmee is sprake van beperkingen aan het recht op vrijheid van vereniging die niet bij wet zijn voorzien.

9.2

De rechtbank stelt verder vast dat de door de KNSA aan certificering gestelde eisen zich niet beperken tot aspecten in het belang van openbare orde en veiligheid. In ieder geval treden de eisen die beogen “het goede imago” van de schietsport te dienen, naar het oordeel van de rechtbank, buiten de kaders van artikel 11, tweede lid, van het EVRM en artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWM. Gerefereerd wordt aan de voorwaarde dat de naam van een schietvereniging niet strijdig mag zijn met onder meer het imago van KNSA en de verplichting om het dragen van bepaalde kleding, waaronder camouflagekleding, te ontmoedigen.

9.3

Het vereiste dat een schietvereniging gecertificeerd dient te zijn is gezien het voorgaande op één lijn te stellen met de in voornoemde uitspraken van de Afdeling bekritiseerde situatie waarin licentie/lidmaatschap van de KNSA waren vereist om voor een vuurwapenverlof in aanmerking te komen. Verder acht de rechtbank van belang dat geen duidelijkheid bestaat over de wijze waarop een vereniging, die geen certificering van de KNSA verkrijgt, (bestuursrechtelijk) tegen een dergelijke weigering kan opkomen. De aan eiser gestelde beperkingen die voortvloeien uit de vereiste certificering van de schietvereniging waar hij de schietsport wil uitoefenen, zijn in strijd met het recht op vrijheid van vereniging, zoals opgenomen in artikel 11 EVRM.

9.4

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat artikel 43, vijfde lid, van de RWM en artikel 43a, voor zover daaruit volgt dat een sportschutter lid moet zijn van een gecertificeerde schietvereniging, onverbindend zijn wegens strijd met artikel 11 van het EVRM. Verweerder dient deze artikelen buiten toepassing te laten bij de beoordeling van de aanvraag van eiser om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij het verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie van eiser is geweigerd. Het betoog van eiser slaagt in zoverre.

10. Tot slot heeft eiser verzocht om vergoeding van immateriële schadevergoeding. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1143) volgt dat voor de beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade aansluiting wordt gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht. Ingevolge artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde, voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen dan wel benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat eiser door de vernietiging van het bestreden besluit, voor zover hierbij het verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie is geweigerd, reeds tegemoetgekomen wordt aan de gestelde schending van zijn eer of goede naam en daarnaast niet is gebleken dat verweerder het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die reden geven om van dit uitgangspunt af te wijken. De stelling van eiser dat hij in zijn eer en goede naam wordt aangetast doordat hij door de KNSA op een zwarte lijst is geplaatst is geen gevolg van het bestreden besluit van verweerder. Het verzoek om immateriële schadevergoeding zal derhalve worden afgewezen.

11. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat wordt vernietigd, in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal een nieuw besluit op het door eiser gevraagde verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie dienen te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De staatssecretaris krijgt hiervoor zestien weken de tijd, gelet op het bepaalde in artikel 7:24, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om een dwangsom aan deze uitspraak te verbinden, nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat verweerder niet aan deze uitspraak zal voldoen.

12. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een bedrag van in totaal (1.488 : 4 =) € 372 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1,5). De rechtbank merkt dit beroep en de onder het procesverloop genoemde beroepen aan als samenhangende zaken, aangezien de beroepsgronden in deze zaken identiek zijn. Ook dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het door eiser gevraagde verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie is geweigerd;

- draagt verweerder op binnen 16 weken na de datum van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 372;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 167 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I. Nikkels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.