Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1815

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-04-2016
Datum publicatie
01-04-2016
Zaaknummer
05/820042-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 30 maanden wegens overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet. Een ongeval op de A28 met dodelijke afloop. Daarnaast is aan meerdere personen (zwaar)lichamelijk letsel toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/820042-15

Datum uitspraak : 1 april 2016

Verstek

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 november 2015 en 18 maart 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 24 mei 2014 in de gemeente Putten als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig(bedrijfsauto, trekker met oplegger), gaande in de richting Hoevelaken, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A28 (links),

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl naast het door hem, verdachte gevolgde deel van die weg, (de Rijksweg A28 (links)) in zijn, verdachtes rijrichting gekeerde borden, betrekking hebbend op een wegafsluiting van die door hem, verdachte bereden weg (de Rijksweg A28 (links)) en/of daarbij behorende (gele)omleidingsborden en/of twee zogenaamde Drips (Dynamische Route-informatiepanelen) waren geplaatst, op welke Drips respectievelijk:

een afbeelding of een daarop lijkende afbeelding van het waarschuwingsbord J16 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Werk in uitvoering" en/of de tekst: "A28 dicht na Nijkerk Amersfoort volg A50-Apeldoorn" en/of

een afbeelding/en van de waarschuwingsborden J33 en J37 van voormelde bijlage, respectievelijk inhoudende: "File" en "Gevaar" en/of de tekst "Kans op" , werden getoond en/of

terwijl voor hem, verdachte uit op de rechter rijstrook van die door hem, verdachte bereden rijbaan van die weg (de Rijksweg A28 (links)), zich langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen bevonden, die ter waarschuwing voor het achteropkomende verkeer hun alarmverlichting in werking hadden gesteld,

met een snelheid van ongeveer 91 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar ingevolge artikel 22 aanhef onder a van voormeld reglement voor hem, verdachte aldaar geldende maximum snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden en/of

niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Rijksweg A28 (links)) en/of

in strijd met artikel 19 van voormeld reglement niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) op zodanige wijze heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger)tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Rijksweg A28 (links))

kon overzien en waarover deze vrij was en/of

met die snelheid of nagenoeg die snelheid de voor hem, verdachte zich op die weg (de Rijksweg A28 (links)) bevindende file is ingereden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met één of meer van die langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen en/of

waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) een aantal van die andere motorrijtuigen met elkaar in botsing en/of aanrijding is gekomen

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes schuld te wijten verkeersongeval/len heeft/hebben plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood en/of een ander/en (genaamd [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening genaamd van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 mei 2014 in de gemeente Putten als bestuurder van een motorrijtuig(bedrijfsauto, trekker met oplegger), gaande in de richting Hoevelaken, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A28 (links), terwijl naast het door hem, verdachte gevolgde deel van die weg, (de Rijksweg A28 (links)) in zijn, verdachtes rijrichting gekeerde borden, betrekking hebbend op een wegafsluiting van die door hem, verdachte bereden weg (de

Rijksweg A28 (links)) en/of daarbij behorende (gele)omleidingsborden en/of twee zogenaamde Drips (Dynamische Route-informatiepanelen) waren geplaatst, op welke Drips respectievelijk:

een afbeelding of een daarop lijkende afbeelding van het waarschuwingsbord J16 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Werk in uitvoering" en/of de tekst: "A28 dicht na Nijkerk Amersfoort volg A50-Apeldoorn" en/of

een afbeelding/en van de waarschuwingsborden J33 en J37 van voormelde bijlage, respectievelijk inhoudende: "File" en "Gevaar" en/of de tekst "Kans op" , werden getoond en/of

terwijl voor hem, verdachte uit op de rechter rijstrook van die door hem, verdachte bereden rijbaan van die weg (de Rijksweg A28 (links)), zich langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen bevonden, die ter waarschuwing voor het achteropkomende verkeer hun alarmverlichting in werking hadden gesteld,

met een snelheid van ongeveer 91 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar ingevolge artikel 22 aanhef onder a van voormeld reglement voor hem, verdachte aldaar geldende maximum snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden en/of

met die snelheid of nagenoeg die snelheid de voor hem, verdachte zich op die weg (de Rijksweg A28 (links)) bevindende file is ingereden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met één of meer van die langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen en/of

waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) een aantal van die andere motorrijtuigen met elkaar in botsing en/of aanrijding is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 24 mei 2014 heeft in de gemeente Putten op de Rijksweg A28 (links) een ongeval plaatsgevonden. Bij dat ongeval was verdachte betrokken.2 Hij bestuurde op dat moment een trekker met oplegger (hierna: vrachtwagen).3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit. Verdachte heeft voor langere tijd niet of onvoldoende opgelet, waardoor hij een file niet heeft opgemerkt. Daarbij reed hij harder dan was toegestaan. Verdachte reed op een rechte weg en had, ook naar eigen zeggen, goed zicht. Daarnaast was de file al even gaande. Andere bestuurders voerden alarmlichten en de verkeerssituatie was aangegeven met diverse verkeersborden. Daarom had verdachte de file eerder moeten opmerken.

Als gevolg van het ongeval is [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) overleden. Volgens de officier van justitie kan daarnaast worden bewezen dat [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5] ) zwaar lichamelijk letsel is toegebracht en dat [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) zodanig letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De beoordeling door de rechtbank

De vraag die allereerst beantwoord moet worden is of verdachte door zijn verkeersgedrag artikel 6 van de Wegenverkeersweg 1994 (hierna: WVW) heeft overtreden. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en ook naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Zoals hiervoor vermeld, staat vast dat op 24 mei 2014 een ongeval heeft plaatsgevonden waarbij verdachte betrokken is geweest.

De rechtbank overweegt verder als volgt.


Verdachte reed over de A28 vanuit de richting Harderwijk in de richting van Amersfoort (opmerking rechtbank: Hoevelaken ligt op deze route).4 Ter plaatse gold voor vrachtwagens een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur.5 Uit onderzoek aan de tachograaf uit de vrachtwagen van verdachte volgt echter dat verdachte de laatste 28,5 minuten voor het ongeval met een constante snelheid van 91 kilometer per uur heeft gereden.6 Ook verdachte heeft verklaard dat hij ongeveer 90 kilometer per uur reed.7

Het weer was zonnig en droog, het wegdek was droog.8

Ter hoogte van hectometer paal 38.6, op de plek waar het ongeval ongeveer plaatsvond, was sprake van filevorming.9 Automobilisten die bij deze file betrokken waren, zijn hierover gehoord. Zij hebben – zakelijk weergegeven – verklaard dat zij zagen dat auto’s voor hen afremden, dat zij zelf afremden en dat ze op de rechter rijbaan stapvoets hebben gereden en stil hebben gestaan.10

Verdachte is met zijn vrachtwagen ingereden op deze file.11 Hij heeft verklaard dat hij niet meer weet of hij heeft afgeremd.

Onderzoek aan de tachograaf wijst uit dat de vrachtwagen op een afstand van 107 meter voor de plek waar deze kwam stil te staan abrupt in 0,25 seconde in snelheid terugliep van 91 kilometer per uur naar 81 kilometer per uur. Geconcludeerd is dat deze vertragingswaarde zodanig hoog is dat deze onder normale omstandigheden niet zelf door de vrachtwagen kon worden ontwikkeld. Een dergelijke uitzonderlijke registratie duidt erop dat er een grote kracht van buitenaf op de vrachtwagen is uitgeoefend, een botsregistratie, tegengesteld aan de rijrichting van de vrachtwagen.12

Hieruit kan worden opgemaakt dat verdachte niet heeft gereageerd (door bijvoorbeeld te remmen of het gas los te laten), voordat de eerste botsing plaatsvond.13 Gesteld kan daarom worden dat verdachte met 91 kilometer per uur op de stilstaande of stapvoets rijdende file is ingereden.

In totaal waren zeven personenauto’s direct betrokken bij het ongeval.14 Dit betroffen een Ford, bestuurd door [slachtoffer 1] , een Volvo, bestuurd door [slachtoffer 5] , een Peugeot, bestuurd door [slachtoffer 2] , een Renault Twingo, bestuurd door [slachtoffer 3] , een Volkswagen, bestuurd door [getuige 1] , een Audi, bestuurd door [getuige 2] en een Opel, bestuurd door [getuige 3] .15De auto die achteraan in de file stond en als eerste door de vrachtwagen werd geraakt, betrof de Ford die werd bestuurd door [slachtoffer 1] .16 Aan de hand van de aangetroffen schade en sporen op de voertuigen uit de file, hebben verbalisanten vastgesteld in welke volgorde de overige personenauto’s van achteren naar voren zijn geraakt. Op grond daarvan hebben zij geconcludeerd dat de personenauto’s door de vrachtwagen van achteren naar voren zijn voortgeduwd en/of zijn weggeworpen, en daarbij telkens zijn geraakt door de achterliggende auto. Hierbij is de voorzijde van de vrachtwagen mogelijk ook in contact gekomen met de achterzijde van de Peugeot, bestuurd door [slachtoffer 2] .17

Verdachte heeft verklaard dat hij plotseling rode verlichting van achterlichten voor zich zag en zag dat op zijn rijstrook plotseling auto’s stil stonden.18 Voordat hij de remlichten op het laatste moment zag, heeft hij geen file gezien. Ook heeft hij onderweg geen verkeersborden gezien die aangaven dat er kans op file was. Hij kan zich niet herinneren of er enkele kilometers voor het verkeersongeval borden waren geplaatst die aangaven dat er wegwerkzaamheden waren.19

De rechtbank overweegt echter dat langs de weg die verdachte volgde, borden stonden die betrekking hadden op een wegafsluiting van de door verdachte bereden weg, de A28. Op alle vaste wegbewijzering boven en naast de rijbaan is de richting Utrecht en Amersfoort afgeplakt geweest. Dit is gebeurd vanaf (en inclusief) de borden tussen Zwolle en knooppunt Hattemerbroek. Vervolgens zijn de vaste borden bij Harderwijk en Nijkerk ook afgeplakt geweest en stonden langs het weggedeelte voor de plaats van het ongeval ook meerdere gele omleidingsborden geplaatst.20 Dit laatste was onder andere het geval bij hectometerpaal 39.9 en 39.0.21
Daarnaast waren langs de route die verdachte volgde DRIPS geplaatst. Tussen Nunspeet en Harderwijk stond een DRIP waarop de afbeeldingen inhoudende ‘File’ en ‘Gevaar’ en de tekst ‘Kans op’ stonden vermeld.22 Langs dezelfde weg, ten zuiden van de IJsselbrug bij Zwolle stond een DRIP met daarop de afbeelding inhoudende ‘Werk in uitvoering’ en de tekst ‘A28 dicht na Nijkerk Amersfoort volg A50-Apeldoorn’.23

Deze borden zijn wel gezien door diverse medeweggebruikers. Zo heeft getuige [getuige 3] verklaard dat hij waarschuwingsborden heeft zien staan met de tekst ‘Let op, filevorming’.24 Ook getuige [getuige 2] wist dat er een file stond, omdat hij dit had gezien op de matrixborden (opmerking rechtbank: ook genoemd DRIPS).25 Getuige [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij vlak voor het viaduct een bord heeft gezien met ‘Kans op file’.26

Daarnaast hebben medeweggebruikers de alarmlichten ontstoken, wat ook maakte dat andere achterliggende automobilisten zagen dat sprake was van filevorming. [getuige 3] , die van de zeven betrokken auto’s het verst voor in de file reed, heeft verklaard dat hij remde en de alarmlichten van zijn auto heeft aangezet om andere weggebruikers te waarschuwen. Hij zag dat de auto achter hem ook remde en de alarmlichten aan deed. Toen ze daarna rustig doorreden met een snelheid van 30 kilometer per uur, doofde hij zijn alarmlichten en zag hij dat de bestuurder van de auto achter hem dat ook deed.27 [getuige 2] , die in de file achter [getuige 3] reed, heeft gezien dat de auto’s voor hem de alarmlichten hadden ontstoken. Hij heeft verklaard dat hij al een poosje stil stond in de file, toen hij een harde klap hoorde en zijn auto voelde schuiven naar de vluchtstrook.28 Ook [slachtoffer 2] , die wat meer achterin de file reed, heeft de alarmlichten ontstoken.29 De file werd eveneens opgemerkt door [slachtoffer 5] , die achter [slachtoffer 2] in de file stond.30

Verdachte heeft verklaard dat de A28 een rechte weg betreft, zonder bochten obstakels en dat hij goed zicht had.31 Daarnaast heeft hij verklaard dat hij, van beroep internationaal vrachtwagenchauffeur, sinds zeventien jaar iedere week door Nederland rijdt, altijd over deze weg.32

De rechtbank overweegt dat ondanks dit alles, verdachte gedurende een langere periode belangrijke verkeersborden en DRIPS langs de kant van de weg heeft gemist, terwijl andere weggebruikers deze wel hebben gezien en daarop hebben gereageerd. Verdachte had deze borden kunnen en moeten opmerken. De verkeersborden vragen alle om extra oplettendheid bij weggebruikers en maken dat weggebruikers meer dan gebruikelijk rekening moeten houden met wisselende snelheden. Zelfs op de borden met internationaal algemeen bekende termen als ‘file’ en algemeen bekende symbolen voor wegwerkzaamheden, gevaar en een kans op file, heeft verdachte geen acht geslagen. Zeker van een internationaal vrachtwagenchauffeur met zeventien jaar ervaring mag worden verwacht dat hij de inhoud van deze termen en symbolen kent, zich te allen tijde bewust is van de mogelijke aanwezigheid van deze borden en er (dus) rekening mee houdt dat een verkeerssituatie kan zijn gewijzigd.

Verdachte heeft gedurende een langere periode voor het ongeval met een constante, te hoge, snelheid gereden en heeft de file pas zo laat opgemerkt, dat hij helemaal niet heeft afgeremd. Daarmee heeft hij de snelheid van de vrachtwagen niet zodanig geregeld dat hij in staat was om dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien. Dit terwijl de file, zoals volgt uit de eerder aangehaalde verklaringen van [getuige 3] en [getuige 2] , al enige tijd gaande was én door de in file staande weggebruikers gebruik werd gemaakt van de alarmlichten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarom ook niet, in elk geval in onvoldoende mate, gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte. Verdachte had deze file kunnen en moeten opmerken, te meer nu het een lang recht stuk wegdek betrof en de weersomstandigheden gunstig waren (licht en droog). Van dit alles kan verdachte een extra verwijt worden gemaakt nu hij, beroepschauffeur, een vrachtwagen bestuurde; een zwaar voertuig dat in geval van een aanrijding aanzienlijk meer schade kan veroorzaken.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag, waardoor verdachte een ongeval heeft veroorzaakt. Volgens de rechtbank is aldus sprake van grove schuld als bedoeld in artikel 6 WVW.

Voor een veroordeling op grond van dit artikel moet daarnaast worden bewezen dat een ander ten gevolge van het ongeval is gedood, dat door dit ongeval bij een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht of dat door het ongeval bij een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. De rechtbank daarover als volgt.

Door dit ongeval is [slachtoffer 1] gedood. Zij heeft door de aanrijding trauma aan de schedel opgelopen, waardoor zij is komen te overlijden.33 Ook haar ongeboren, achttien weken oude, kind is daarbij overleden, zo bleek uit de schriftelijke slachtofferverklaring van haar echtgenoot.

Verder bleek [slachtoffer 5] , die in de auto vóór [slachtoffer 1] reed, in februari 2015 te verblijven in een revalidatiekliniek waar zij nog dagelijks revalideerde. Zij was op dat moment sinds het ongeval niet meer aan het werk geweest.34 Dat maakt dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

[slachtoffer 3] heeft door het ongeval een hersenschudding opgelopen, waarvan de geschatte duur van genezing twee maanden betrof.35 In februari 2015 bleek dat zij sinds het ongeval nog niet aan het werk was geweest en dat zij nog bezig was met revalidatie voor verwondingen die zij tijdens het ongeval had opgelopen.36 Door de aard en ernst van haar letsel is aldus tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaan.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.

Tot slot overweegt de rechtbank als volgt.

[slachtoffer 2] , die de Peugeot bestuurde, heeft in februari 2015 aangegeven dat zij toen nog twee keer per week fysiotherapie had, omdat zij nog last ondervindt aan haar been en daardoor ook last ondervindt in het dagelijks leven. Uit het dossier volgt verder echter niet wat voor letsel [slachtoffer 2] heeft opgelopen, of en in welke mate er aldus sprake is van tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden. Om die reden kan volgens de rechtbank niet worden gesproken als letsel zoals bedoeld in artikel 6 WVW.

[getuige 2] heeft in februari 2015 verklaard dat zijn dochter, [slachtoffer 4] , die tijdens het ongeval bij hem in de auto zat, gedurende vijf maanden een kinderpsychiater heeft bezocht, omdat zij aan het ongeval angsten had overgehouden en niet alleen durfde te slapen. In februari 2015 ging het veel beter met haar. De rechtbank is van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende (medische) informatie bevindt om ten aanzien van [slachtoffer 4] te spreken van letsel als bedoeld in artikel 6 WVW.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Primair

hij op of omstreeks 24 mei 2014 in de gemeente Putten als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger), gaande in de richting Hoevelaken, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A28 (links),

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl naast het door hem, verdachte gevolgde deel van die weg, (de Rijksweg A28 (links)) in zijn, verdachtes rijrichting gekeerde borden, betrekking hebbend op een wegafsluiting van die door hem, verdachte bereden weg (de Rijksweg A28 (links)) en/of daarbij behorende (gele) omleidingsborden en/of twee zogenaamde Drips (Dynamische Route-informatiepanelen) waren geplaatst, op welke Drips respectievelijk:

een afbeelding of een daarop lijkende afbeelding van het waarschuwingsbord J16 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Werk in uitvoering" en/of de tekst: "A28 dicht na Nijkerk Amersfoort volg A50-Apeldoorn" en/of

een afbeelding/en van de waarschuwingsborden J33 en J37 van voormelde bijlage, respectievelijk inhoudende: "File" en "Gevaar" en/of de tekst "Kans op" , werden getoond en/of

terwijl voor hem, verdachte, uit op de rechter rijstrook van die door hem, verdachte, bereden rijbaan van die weg (de Rijksweg A28 (links)), zich langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen bevonden, die ter waarschuwing voor het achteropkomende verkeer hun alarmverlichting in werking hadden gesteld,

met een snelheid van ongeveer 91 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar ingevolge artikel 22 aanhef onder a van voormeld reglement voor hem, verdachte aldaar geldende maximum snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden en/of

niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Rijksweg A28 (links)) en/of

in strijd met artikel 19 van voormeld reglement niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) op zodanige wijze heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Rijksweg A28 (links)) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

met die snelheid of nagenoeg die snelheid op de voor hem, verdachte zich op die weg (de Rijksweg A28 (links)) bevindende file is ingereden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met één of meer van die langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen en/of

waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) een aantal van die andere motorrijtuigen met elkaar in botsing en/of aanrijding is gekomen

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes schuld te wijten verkeersongeval/len heeft/hebben plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood en/of een ander/en (genaamd [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening genaamd van de normale bezigheden is ontstaan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en ontzegging voor de rijbevoegdheid voor de duur van 30 maanden. De officier van justitie heeft bij zijn eis rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting die zien op dit soort zaken, de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Volgens de officier van justitie doet een andere strafmodaliteit geen recht aan de ernst van de fout en de gevolgen. Het is duidelijk dat verdachte deze gevolgen niet gewild heeft, maar richting verdachte en de maatschappij moet door middel van deze straf duidelijk worden gemaakt dat verdachte zich niet heeft gehouden aan de verkeersregels. Daarnaast is de straf bedoeld als vergelding voor het leed dat hij anderen heeft aangedaan.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 1 februari 2016.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte, ten tijde van het delict 63 jaar, heeft op de A28 een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij is met zijn vrachtwagen met een snelheid van 91 kilometer per uur, zonder te remmen, op een file met stilstaande en langzaam rijdende auto’s ingereden. Daardoor is een kettingbotsing ontstaan waarbij zeven auto’s direct betrokken waren.

Verdachte reed in een (zwaar) beladen vrachtwagen. De automobiliste in de auto voor hem, maakte geen schijn van kans toen hij haar auto raakte. Zij, [slachtoffer 1] , is dan ook ten gevolge van het ongeval overleden. Daarnaast heeft [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel opgelopen en heeft [slachtoffer 3] zodanig lichamelijk letsel opgelopen, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Doordat verdachte zich niet heeft gehouden aan de verkeersregels, hebben [slachtoffer 1] en haar nog ongeboren kind het leven verloren en heeft hij de nabestaanden van [slachtoffer 1] vreselijk en onherstelbaar verdriet veroorzaakt. Zij zullen verder moeten leven met het gemis van hun dierbaren. Ook bij [slachtoffer 5] en haar naasten, [slachtoffer 3] en alle overige betrokkenen van het ongeval heeft hij ernstig leed veroorzaakt. De ingrijpende, onherstelbare gevolgen die het ongeval voor de nabestaanden van [slachtoffer 1] en voor [slachtoffer 5] heeft gehad, zijn ter terechtzitting tot uitdrukking gebracht in aangrijpende slachtofferverklaringen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank in de eerste plaats rekening gehouden met het feit dat verdachte gedurende een langere tijd met een constante snelheid van 91 kilometer per uur heeft gereden terwijl hij ter plaatse maar 80 kilometer per uur mocht. De rechtbank rekent het verdachte echter met name aan dat hij de file - én de waarschuwingsborden voor de kans op een file - in het geheel niet heeft gezien terwijl daar alle gelegenheid toe was. Hij had deze borden kunnen en moeten zien en heeft dus voor een langere tijd niet of onvoldoende opgelet. Dit maakt dat de rechtbank vindt dat sprake is van grove schuld bij verdachte aan het ontstaan van een verkeersongeval.

Er is aldus sprake van een grove verkeersfout, met zeer ernstige gevolgen. De rechtbank rekent verdachte, die ten tijde van het ongeval 17 jaar ervaring had als internationaal vrachtwagenchauffeur (ook in Nederland), het voorgaande zwaar aan en neemt bij het bepalen van de strafmaat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt gezien de LOVS-oriëntatiepunten. Nu verdachte in Portugal woont én vanwege de ernst van het verwijt en de zeer ingrijpende gevolgen ligt een werkstraf niet in de rede.

Daarnaast acht de rechtbank gelet op de aard en ernst van de feiten een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden. De rechtbank ziet in dat ook verdachte de gevolgen van zijn handelen niet heeft gewild. Zij zal echter niet afwijken van het uitgangspunt om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen, nu de effecten van de ontzegging van de rijbevoegdheid – die enkel in Nederland en niet in Portugal geldt – buitengewoon gering zullen zijn.

Alles in samenhang bezien, neemt de rechtbank als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, zoals door de officier van justitie is geëist. De zaak is echter pas op 6 november 2015, anderhalf jaar na het ongeval, voor het eerst door het openbaar ministerie aangebracht ter terechtzitting, terwijl dit tijdsverloop niet kan worden verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank geconstateerd dat verdachte, ondanks dat hij gedurende een lange periode veel in Nederland in de vrachtwagen heeft gereden, niet eerder is veroordeeld voor Wegenverkeerswet-feiten, en ook niet voor andersoortige feiten. Daarom zal zij een deel van deze straf, groot vier maanden, voorwaardelijk opleggen. De proeftijd wordt bepaald op 2 jaren. Daarnaast acht de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 30 maanden, zoals is geëist door de officier van justitie, op zijn plaats.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het primair bewezenverklaarde feit. Gevorderd is aanvankelijk een bedrag van € 1.175.324,--. De vordering is ter terechtzitting geminderd met € 200.000,--, wat maakt dat de vordering nu luidt: € 975.324,--.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting is voor het strafgeding, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Volgens de officier van justitie staat vast dat [slachtoffer 5] schade heeft geleden. Het onderzoek naar welke schade zij ten gevolge van het ongeval heeft geleden, is evenwel te complex voor het strafproces.

De beoordeling door de rechtbank

Terechtzitting heeft [slachtoffer 5] gesteld dat zij kort voor de zitting met de verzekeringsmaatschappij een (finale) regeling zou hebben getroffen, waarbij een bedrag van € 200.000,-- aan haar zou worden uitgekeerd. Stukken omtrent de aard, inhoud en strekking van die regeling zijn niet overgelegd. Niet vastgesteld kan daarom worden of en zo ja in welke mate de benadeelde partij in dit strafgeding nog een vordering op de verdachte geldend kan maken. Dat maakt dat de behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

De algemene voorwaarde

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

De rechtbank:

ontzegt verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 30 (dertig) maanden.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] .

De rechtbank:

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei (voorzitter), mr. W.A. Holland en mr. M.G.J. Post, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 april 2016.

mr. W.A. Holland is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de politie eenheid Oost-Nederland, district Noordwest Veluwe, team Ermelo-Putten opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2014070616-1, gesloten op 16 februari 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 2 en 3 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 117 en 118, zevende en negende alinea.

3 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 27, bovenaan (p. 5 van 49 VOA).

4 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 27 (p. 5 van 49 VOA).

5 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, achterkant van p. 26 (p. 4 van 49 VOA).

6 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 28 (p. 7 van 49 VOA) en het proces-verbaal tachograafdata onderzoek, p. 85.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 118, zevende alinea.

8 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 30 (p. 11 van 49 VOA).

9 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, achterkant van p. 26 (p. 4 van 49 VOA).

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 126 en 127, bovenaan en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 135 en het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 5] , p. 139 en het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , p. 142.

11 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, achterkant van p. 26 (p. 4 van 49 VOA) en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 118, negende alinea.

12 Het proces-verbaal van tacograafdata onderzoek, p. 85.

13 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 28 (p. 7 van 49 VOA).

14 Het proces-verbaal van VerkeersOngevalsAnalyse, achterkant van p. 26 (p. 4 van 49 VOA) en p. 47 (p. 45 van 49 VOA).

15 Het proces-verbaal van VerkeersOngevalsAnalyse, p. 27 (p. 4 van 49 VOA) en achterkant van p. 27 (p. 6 van 49) en proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 4 t/m 6.

16 Het proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 2, onderaan en p. 4, midden en het proces-verbaal van VerkeersOngevalsAnalyse, 47 (p. 45 van 49 VOA).

17 Het proces-verbaal van VerkeersOngevalsAnalyse, 47 (p. 45 van 49 VOA).

18 Het proces-verbaal van verdachte, p. 118, zevende alinea.

19 Het proces-verbaal van verdachte, p. 119, tweede, derde en vierde alinea.

20 Bijlage II proces-verbaal verkeersmaatregelen, achterkant van p. 55 (p. 6 van 10 van de bijlage) en achterkant van p. 53 (p. 3 van 10 van de bijlage) en p. 54 (p. 4 van 10 van de bijlage) en p. 56 (p. 8 van 10 van de bijlage), achterkant van p. 56 (p. 9 van 10 van de bijlage) en p. 57 (p. 10 van 10 van de bijlage).

21 Bijlage II proces-verbaal verkeersmaatregelen, p. 54 (p. 4 van 10 van de bijlage) en p. 55 (p. 6 van 10 van de bijlage).

22 Bijlage II proces-verbaal verkeersmaatregelen, achterkant van p. 56 (p. 9 van 10 van de bijlage).

23 Bijlage II proces-verbaal verkeersmaatregelen, achterkant van p. 55 (p. 7 van 10), onderaan en p. 56 (p. 8 van 10), onderaan.

24 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 126.

25 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 134.

26 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , p. 142, een na laatste zin.

27 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 126 en 127, bovenaan.

28 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 134.

29 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , p. 142.

30 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 5] , p. 139.

31 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 123, vierde alinea.

32 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 122, onderaan.

33 Het proces-verbaal van lijkschouw overledene, p. 106.

34 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 113, onderaan.

35 De geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 3] d.d. 16 april 2014, p. 102.

36 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 113, derde alinea van onderen.