Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1814

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
295671
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Parate executie. Misbruik van recht? Rechtsgeldige opzegging van hypothecaire geldlening. Onjuiste informatie verstrekt bij aangaan hypotheek. Woning verhuurd in strijd met huurbeding. Weigering mee te werken aan taxatie woning. Recht van parate executie kan niet worden gedwarsboomd met een beroep op schending van bancaire zorgplicht. Vordering tot verbod op het veilen van de woning afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/295671 / KG ZA 16-9

Vonnis in kort geding van 25 februari 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. H.F.C. Hoogendoorn te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABN AMRO HYPOTHEKEN GROEP B.V.,

onder meer handelend onder de naam WoonNexxt Hypotheken,

gevestigd te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. P. van der Mersch te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de bank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de producties van de bank

- de wijziging van eis

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de pleitnota van de bank.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft in verband met de aankoop van het appartement aan de [adres 1] te [woonplaats 1] (hierna ook: de woning) op 26 januari 2009 € 165.000,00 van de bank geleend en ter meerdere zekerheid voor de terugbetaling daarvan een eerste recht van hypotheek aan de bank gegeven op voormelde woning. Een en ander is vastgelegd in een notariële akte van die datum.

2.2.

[eiseres] woont in een huurwoning aan de [adres 2] te [woonplaats 1] . Zij is op

6 november 2008 eigenaresse geworden van de woning (appartement) aan de [adres 3] te [woonplaats 1] , waarvoor ze bij een andere bank een financiering heeft afgesloten. Op 10 december 2008 heeft [eiseres] bij de bank hypotheek aangevraagd voor de woning. Daarin heeft [eiseres] aangegeven dat het pand aan de [adres 1] te [woonplaats 1] bestemd is voor eigen bewoning.

2.3.

In de onder 2.1 genoemde hypotheekakte is onder meer opgenomen dat het onderpand (de woning) dient voor zelfbewoning door de schuldenaar en/of hypotheekgever en dat het onderpand niet dan met schriftelijke toestemming van de bank geheel of gedeeltelijk mag worden verhuurd of verpacht.

2.4.

In de op de rechtsverhouding tussen de bank en [eiseres] van toepassing zijnde ‘Algemene Bepalingen voor geldleningen van 19 maart 2007’ (hierna: Algemene Bepalingen) is onder meer het volgende opgenomen:

Artikel 10

Instandhouding van het onderpand

(…)

2. Het onderpand mag op generlei wijze worden misbruikt. Zonder schriftelijke toestemming van de geldgever

mag het onderpand (…) al of niet tegen vergoeding in (mede)gebruik of (mede)genot worden afgestaan anders

dan voor korte duur (…).

7. De geldgever heeft het recht te allen tijde het onderpand door een door hem aan te wijzen persoon te doen

opnemen en zich te overtuigen of iets in strijd met dit artikel is geschied of nagelaten. De schuldenaar is

verplicht aan de geldgever en/of zijn gevolmachtigden vrije toegang tot het onderpand te verlenen en/of te

doen verlenen en er zorg voor te dragen dat al hetgeen waarop de geldgever op grond van het bepaalde in dit

artikel recht heeft wordt uitgevoerd. (…)

Artikel 13

Verhuur

1. De schuldenaar mag het onderpand zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de geldgever niet

geheel of gedeeltelijk verhuren of verpachten; (…).

Artikel 16

Opeisbaarheid

1. Onverminderd het bepaalde in de akte en deze algemene bepalingen is de lening van de zijde van de geldgever

niet opzegbaar.

2. De schuld is echter onmiddellijk opeisbaar:

(…)

B. indien de schuldenaar:

(…)

e. bij de aanvraag van de lening onvoldoende of onjuiste gegevens heeft verstrekt, zodanig dat de geldgever

bij kennis daarvan de lening niet of niet op de overeengekomen voorwaarden zou hebben verstrekt;

(…)

2.5.

[eiseres] heeft de woning vanaf 2012 of 2013 tot en met juli 2015 verhuurd aan studenten.

2.6.

Bij brief van 21 januari 2014 heeft de bank onder meer het volgende aan [eiseres] bericht:

U heeft voor de aankoop van het pand [adres 1] [woonplaats 1] op 26 januari 2009 een hypothecaire geldlening afgesloten bij Florius ten bedrage van € 165.000,--.

Wij hebben echter duidelijke aanwijzingen dat u niet overeenkomstig de Algemene Bepalingen van Geldlening die op uw lening van toepassing zijn, het pand zelf gebruikt. Om die reden willen wij de waarde van het onderpand actualiseren door deze opnieuw te laten taxeren. Binnenkort zal een door ons ingeschakelde taxateur contact met u opnemen voor het maken van een taxatie afspraak.

2.7.

Vervolgens hebben [eiseres] en de bank verder met elkaar gecorrespondeerd. [eiseres] heeft geweigerd de door de bank ingeschakelde makelaar [naam 2] Makelaardij B.V. toe te laten tot de woning.

2.8.

Bij brief van 23 mei 2014 heeft de bank de aan [eiseres] verstrekte geldlening opgezegd. Voorts heeft de bank [eiseres] onder meer gesommeerd binnen acht dagen schriftelijk te bevestigen dat zij binnen dertig dagen zal overgaan tot volledige aflossing van het verschuldigde bedrag, bij gebreke waarvan de bank zich bevoegd acht over te gaan tot openbare verkoop van haar onderpand.

2.9.

Bij brief van 18 december 2014 aan [eiseres] heeft HypoCasso B.V. namens WoonNexxt Hypotheken de verstrekte geldlening (nogmaals) opgezegd en opgeëist.

2.10.

Daarna is er veelvuldig tussen partijen gecorrespondeerd. Er is gepoogd om tot een minnelijke afwikkeling te komen, maar dat heeft tot niets geleid. de bank heeft vervolgens te kennen gegeven tot veiling van de woning over te gaan. De laatstelijk – tegen 19 januari 2016 – aangezegde executoriale veiling is in afwachting van dit kort geding opgeschort.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na wijziging van eis, dat de bank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt verboden om gedurende de looptijd van een nog te entameren bodemprocedure, in welke bodemprocedure [eiseres] de opzegging van de hypothecaire geldlening door de bank wil gaan aanvechten, of binnen een in goede justitie te bepalen andere tijdspanne, de woning op grond van artikel 3:268 BW executoriaal te (doen) verkopen, althans het executoriale verkooptraject in te zetten, onder de bepaling dat [eiseres] aan zulk een veroordeling alleen rechten zal kunnen (blijven) ontlenen indien:

a. telkens per het einde van de maand de verschijnende rentetermijnen van de hypothecaire

geldlening volledig en op tijd zullen zijn voldaan,

b. er geen derden aanwezig zijn of zullen zijn die beslag op de woning leggen en vervolgens

op grond van artikel 545 Rv bij de voorzieningenrechter een verzoek indienen tot het

stellen van een termijn aan de bank als eerste hypotheekhouder waarbinnen de bank tot

verkoop of tot indiening van een verzoek tot onderhandse verkoop dient over te gaan,

c. [eiseres] niet in staat van faillissement wordt verklaard of op haar de wettelijke

schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard,

d. er in de tussentijd geen nieuwe tekortkomingen zullen ontstaan, in strijd met de offerte,

hypotheekakte en algemene bankvoorwaarden van de bank,

e. [eiseres] primair binnen zes maanden, dan wel subsidiair binnen drie weken, na een in

deze procedure te wijzen vonnis, de dagvaarding in genoemde bodemprocedure aan de

bank laat betekenen, in welke dagvaarding de eerst dienende roldatum van de

bodemprocedure niet verder dan 18 dagen na de betekeningsdatum van de dagvaarding in

de bodemprocedure zal mogen liggen,

f. [eiseres] voldoet aan andere in goede justitie te bepalen voorwaarden.

Voorts vordert [eiseres] dat de bank wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van dit kort geding, onder de bepaling dat indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van een in deze te wijzen vonnis zullen zijn voldaan, daarover wettelijke rente in rekening mag worden gebracht.

3.2.

[eiseres] legt – kort gezegd – het volgende aan haar vordering ten grondslag. Opzegging van de hypothecaire geldlening is onder de gegeven omstandigheden onrechtmatig, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De gronden die de bank heeft aangevoerd voor opzegging van de hypothecaire geldlening kunnen die opzegging niet rechtvaardigen. Daarnaast heeft de bank haar zorgplicht geschonden. Ten slotte geldt dat de bank de executiebevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend, namelijk om aan te tonen dat [eiseres] hypotheekfraude heeft gepleegd. Door onder deze omstandigheden de veiling toch door te willen zetten, maakt de bank misbruik van recht.

3.3.

De bank voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van [eiseres] en is door de bank als zodanig ook niet weersproken.

4.2.

In een executiegeschil als het onderhavige, waarin het recht van parate executie zoals neergelegd in artikel 3:268 lid 1 BW in het geschil is, kan staking van de uitvoering worden bevolen, indien niet aannemelijk is dat aan de vereisten voor het uitoefenen van het recht van parate executie is voldaan. Daarnaast is eveneens grond voor staking indien wordt geoordeeld dat de executant het recht uitoefent met geen ander doel dan het schaden van geëxecuteerde, of met een ander doel dan waarvoor het is verleend of indien de executant

– mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot executie over te gaan (artikel 3:13 BW).

4.3.

Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat uit het bepaalde in artikel 3:268 lid 1 BW volgt, dat een hypotheekhouder bevoegd is om tot parate executie over te gaan, indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt. Nu in dit kort geding geen geschil bestaat over de rechtsgeldigheid van het gevestigde hypotheekrecht als zodanig, komt de vraag of de bank als hypotheekhouder bevoegd is de woning van [eiseres] op grond van het bepaalde in artikel 3:268 lid 1 BW openbaar te (doen) verkopen, dan ook primair neer op de beoordeling van de vraag of de bancaire relatie met [eiseres] , en in het verlengde daarvan de hypothecaire geldlening, rechtsgeldig is opgezegd door de bank. Indien dat het geval is, kan de bank de volledige lening opeisen en is [eiseres] in verzuim als zij daaraan niet voldoet. Van een rechtsgeldige opzegging is geen sprake indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW).

4.4.

Blijkens haar brief van 23 mei 2014 heeft de bank de volgende gronden aan de opzegging van de hypothecaire geldlening ten grondslag gelegd:

1. [eiseres] heeft bij het aangaan van de hypothecaire geldlening onjuiste informatie

verstrekt,

2. [eiseres] heeft de woning in strijd met het huurbeding verhuurd aan derden,

3. [eiseres] heeft geweigerd medewerking te verlenen aan taxatie van de woning.

4.5.

Met betrekking tot de eerste opzeggingsgrond overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In de door [eiseres] op 10 december 2008 ondertekende hypotheekaanvraag (productie 3 van de bank) is onder meer opgenomen dat [eiseres] woonachtig is aan de [adres 2] te [woonplaats 1] , dat haar huidige woning een koopwoning betreft en dat haar huidige woning reeds is verkocht. Ook heeft zij aangegeven dat het pand aan de [adres 1] te [woonplaats 1] bestemd is voor eigen bewoning.

4.6.

Vast staat echter dat de woning aan de [adres 2] te [woonplaats 1] een huurwoning betreft, dat [eiseres] kort voor het moment van ondertekening van de hypotheekaanvraag, op 6 november 2008, eigenaresse is geworden van de woning (appartement) aan de [adres 3] te [woonplaats 1] en dat deze woning op dat moment nog niet was verkocht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had [eiseres] een en ander moeten melden bij de hypotheekaanvraag (zie ook artikel 16 lid 2 sub B.e van de Algemene Bepalingen). Dit geldt ook voor het feit dat [eiseres] niet voornemens was het pand aan de [adres 1] te [woonplaats 1] zelf te gaan bewonen. Dit leidt de voorzieningenrechter af uit het feit dat [eiseres] op het moment van de hypotheekaanvraag voor de [adres 1] te [woonplaats 1] gehuurd woonde aan de [adres 2] te [woonplaats 1] , waar zij tot nu toe is blijven wonen, en dat zij vlak daarvoor ook al een ander appartement had gekocht. Verder betrekt de voorzieningenrechter hierbij dat [eiseres] erkent dat zij de woning in ieder geval voor een bepaalde periode heeft verhuurd aan derden (zie ook hierna onder 4.8). [eiseres] kan zich in dit verband niet verschuilen achter haar tussenpersoon Broekman, nu zij zelf de hypotheekaanvraag heeft ondertekend. Als daarin foutieve informatie is opgenomen komt dat voor haar rekening en risico.

4.7.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leidt het voorgaande ertoe dat ervan kan worden uitgegaan dat de bank deze hypothecaire geldlening nooit had verstrekt indien [eiseres] de juiste informatie had verstrekt. Dat zou immers neerkomen op commerciële verhuur. In dit verband heeft de bank ter zitting ook onweersproken gesteld dat haar label WoonNexxt Hypotheken alleen zelfstandige woonruimte financiert, bestemd voor eigen bewoning. Zij houdt zich binnen de bank niet bezig met commercieel vastgoed. Daarvoor gelden ook andere inkomenscriteria en voorwaarden, bijvoorbeeld ten aanzien van het percentage van de verkoopprijs waarvoor financiering kan worden verkregen.

4.8.

Met betrekking tot de tweede opzeggingsgrond geldt dat [eiseres] erkent dat zij in ieder geval vanaf 2012 of 2013 tot en met juli 2015 de woning heeft verhuurd aan studenten. Dat is op zichzelf al in strijd met het huurbeding. De feiten duiden er echter op dat [eiseres] ook nooit de bedoeling heeft gehad de woning persoonlijk te betrekken, maar dat zij van begin af aan de woning kamersgewijs wilde verhuren aan derden. De voorzieningenrechter leidt dit in de eerste plaats af uit het feit dat [eiseres] op het moment van de hypotheekaanvraag voor de [adres 1] te [woonplaats 1] gehuurd woonde aan de [adres 2] te [woonplaats 1] en dat zij vlak daarvoor ook al een ander appartement had gekocht. Verder wijst de voorzieningenrechter op de volgende constructie van splitsing. De voormalige bovenwoning aan de [adres 1] te [woonplaats 1] is aangekocht door mevrouw Bos op 26 januari 2009. Op diezelfde dag is deze woning via een ondersplitsing gesplitst in twee nieuwe appartementsrechten, te weten nummer [nummer] (eerste verdieping) en nummer [nummer 2] (tweede verdieping). Bij de gemeente [woonplaats 1] is toen geen omgevingsvergunning aangevraagd voor een verbouwing. Eveneens op 26 januari 2009 is nummer [nummer 2] doorgeleverd aan [eiseres] en nummer [nummer] aan haar schoonzus Maasen. Volgens taxateur [naam 2] Makelaardij B.V. (zie producties 32 en 33 van de bank) is er na deze verkopen feitelijk niets veranderd. Op de eerste verdieping bevond zich een keuken en een toilet en op de tweede verdieping bevond zich een badkamer. Pas later, nadat nummer [nummer] in november 2011 per openbare executieveiling was verkocht, is het tot een fysieke splitsing van de twee appartementen gekomen en is er verbouwd. Een degelijk niet gesplitst pand in handen van twee eigenaren is in wezen alleen geschikt voor kamersgewijze verhuur, met gedeelde faciliteiten. Dat [eiseres] de bedoeling had de woning zelf te gaan betrekken is in het licht van het voorgaande onaannemelijk, te meer nu [eiseres] zelf heeft aangegeven dat er van verbouwing geen sprake is geweest, maar dat het slechts ging om ‘opknappen en een likje verf’, en zij een e-mailbericht van [naam 1] Makelaardij van 2 februari 2016 in het geding heeft gebracht, waaruit volgt dat de woning kennelijk nog steeds geen eigen meters heeft voor gas, water en licht.

4.9.

De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de stelling van [eiseres] dat zij voor het verhuren van de woning aan derden telefonisch toestemming heeft verkregen van de bank. Deze stelling heeft zij op geen enkele wijze nader onderbouwd. Het ligt ook niet in de rede dat de bank telefonisch akkoord zou zijn gegaan met verhuur, gelet op artikel 13 van de Algemene Bepalingen, waarin is opgenomen dat de schuldenaar het onderpand zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de geldgever niet geheel of gedeeltelijk mag verhuren of verpachten. Overigens bevat de hypotheekakte een soortgelijke bepaling.

4.10.

Met betrekking tot de derde opzeggingsgrond overweegt de voorzieningenrechter het volgende. [eiseres] erkent dat zij heeft geweigerd mee te werken aan taxatie van de woning. Reeds daarmee handelt zij in strijd met artikel 10 lid 7 van de Algemene Bepalingen. De bank heeft op grond van deze bepaling het recht te allen tijde het onderpand door een door haar aan te wijzen persoon te doen opnemen en zich te overtuigen of iets in strijd met dit artikel is geschied of nagelaten en [eiseres] is verplicht aan de bank vrije toegang tot het onderpand te verlenen en/of te doen verlenen en er zorg voor te dragen dat al hetgeen waarop de bank op grond van het bepaalde in genoemd artikel recht heeft wordt uitgevoerd. Dat [eiseres] ernstige bezwaren had tegen de door de bank ingeschakelde taxateur, [naam 2] Makelaardij B.V., maakt dit niet anders. Zij had deze taxateur moeten toelaten tot de woning, met name nu de bank, zoals hiervoor is gebleken, terechte aanwijzingen had dat [eiseres] de woning niet zelf overeenkomstig de Algemene Bepalingen gebruikte. Het stond [eiseres] vrij om vervolgens een contra taxatie te laten uitvoeren.

4.11.

Alles overziend komt de voorzieningenrechter vooralsnog tot de slotsom dat de opzegging van de bancaire relatie en het opeisen van de hypothecaire geldlening, gelet op de omstandigheden van het geval, op goede gronden en dus rechtsgeldig is geschied. De situatie dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is hier niet aan de orde. Nu [eiseres] tot op heden niet is overgegaan tot terugbetaling van het volledige bedrag van die geldlening, is zij in verzuim met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt. Op grond van het bepaalde in artikel 3:368 lid 1 BW is de bank dan ook gerechtigd om gebruik te maken van het aan haar toekomende recht van parate executie. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt tevens mee dat de door [eiseres] aangevoerde gronden niet de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de bank misbruik maakt van het recht van parate executie. Daarbij neemt de voorzieningenrechter nog in ogenschouw dat opzegging inmiddels ruim anderhalf jaar geleden heeft plaatsgevonden, dat de bank nog steeds niet in staat is gesteld de woning te taxeren en dat pogingen om de woning onderhands te verkopen tot op heden niets hebben opgeleverd. Voorts is het op zichzelf best mogelijk dat er bij de bank een gevoel van onvrede heerst nu zij er niet in is geslaagd de echtgenoot van [eiseres] , die de bank kennelijk als bedenker beschouwde, strafrechtelijk vervolgd te krijgen in verband met beweerdelijke hypotheekfraude, maar zonder nadere toelichting van [eiseres] , die ontbreekt, maakt dat niet dat de bank haar executiebevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Zoals hiervoor reeds is gebleken zijn er voldoende opzeggingsgronden aanwezig.

4.12.

De stelling van [eiseres] ten slotte, dat de bank de executie moet opschorten totdat de bodemrechter heeft geoordeeld over de vraag of de bank haar zorgplicht jegens haar heeft geschonden, wordt verworpen. Het recht van parate executie kan niet worden gedwarsboomd met een beroep op schending van de bancaire zorgplicht. De kans van slagen van een dergelijke vordering dient bij de beoordeling te worden betrokken. Vooralsnog heeft [eiseres] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een procedure op grond van schending van de zorgplicht kans van slagen heeft. De bank hoeft de uitkomst van een dergelijke procedure dan ook niet af te wachten. Dit geldt te meer, nu [eiseres] , door een verbod op openbare verkoop te vorderen voor de duur van een nog te entameren bodemprocedure, feitelijk inzet op uitstel voor onbepaalde tijd. Dat gaat, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, te ver.

4.13.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.

4.14.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de bank worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.435,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de bank tot op heden begroot op € 1.435,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2016.