Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1807

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
288823
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht, onbetaalde factuur. Vraag of gedaagde voor de werkzaamheden in geschil opdracht heeft gegeven en of eiseres die werkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd. Eiseres krijgt bewijsopdracht ten aanzien van beide kwesties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/945
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/288823 / HA ZA 15-497 / 1201

Vonnis van 16 maart 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GGN NOORD-OOST NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Almelo,

eiseres,

advocaat mr. J.J.G. Pieper te Enschede,

tegen

naamloze vennootschap

POELMANN VAN DEN BROEK N.V.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

advocaat mr. C.W. Houtman te Nijmegen.

Partijen zullen hierna GGN en Poelmann van den Broek genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 november 2015

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 5 februari 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

GGN is een deurwaarderskantoor.

2.2.

Poelmann van den Broek is een advocatenkantoor.

2.3.

Leather Design International B.V. (hierna: Leather Design) is huurder van het bedrijfspand van de cliënte van Poelmann van den Broek.

2.4.

Op 20 april 2010 verzoekt Poelmann van den Broek namens haar cliënte aan GGN onderzoek te doen naar de verhaalsmogelijkheden betreffende Leather Design bij haar bedrijfspand.

2.5.

GGN reageert op 22 april 2010 met een brief waarin zij onder meer het volgende schrijft:

“Onze deurwaarder heeft het adres bezocht maar heeft niemand in persoon aangetroffen.

Wel is er geconstateerd dat er binnen in de schuren geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden en er enkel een soort piepschuim lag.”

2.6.

Op 14 juli 2010 verkrijgt Poelmann van den Broek voor haar cliënte een ontruimingsvonnis jegens Leather Design voor het bedrijfspand. Op 16 juli 2010 stuurt Poelmann van den Broek een grosse van het vonnis aan GGN met het verzoek om deze te betekenen.

2.7.

Op 22 juli 2010 stuurt GGN een e-mail aan Poelmann van den Broek met daarin onder meer de volgende inhoud:

“Nomaals wil u wijzen op het feit dat onze deurwaarder de inboedel nogmaals heeft bekeken en geconstateerd dat er niets van waarde aanwezig is.

Wij zien helaas verder geen verhaal.

Tevens kan ik u melden dat wij zullen overgaan tot betekening van het vonnis d.d. 14 juli 2010.”

2.8.

Op 23 juli 2010 stuurt GGN een brief aan Poelmann van den Broek waarin zij de opdracht (nogmaals) bevestigd en daaraan het nummer 10794004 geeft. Hierin schrijft GGN onder meer:

Alle opdrachten worden aanvaard en uitgevoerd overeenkomstig deze voorwaarden, gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven. De voorwaarden worden u op verzoek toegezonden.”

2.9.

Het ontruimingsvonnis wordt op 5 augustus 2010 aan Leather Design betekend.

2.10.

Op 13 september 2010 start GGN met de ontruiming van het bedrijfspand.

2.11.

Op 21 september 2010 zoekt Poelmann van den Broek telefonisch contact met GGN. Naar aanleiding van het telefonisch contact stuurt Poelmann van den Broek op 23 september 2010 een e-mail aan GGN met daarin onder meer het volgende:

Ik bevestig dat uw collega heeft aangegeven dat de ontruiming inmiddels voltooid is en dat daarbij schade is ontstaan aan twee roldeuren van het pand.

Ik heb uw collega aangegeven dat cliënte en ik gezien het voorgaande en gezien de wijze waarop de uitvoering van de werkzaamheden tot nu toe zijn uitgevoerd, zéér ontstemd zijn. Cliënte beraadt zich dan ook of zij naar aanleiding van het voorgaande stappen zal ondernemen.

In verband met het voorgaande heb ik uw collega verzocht mij in ieder geval aan te geven hoeveel de kosten van de ontruiming (ongeveer) bedragen. Uw collega zou daar diezelfde dag bij mij op terug komen, hetgeen niet is gebeurd. Graag verneem ik derhalve alsnog van u.”

2.12.

Op 2 november 2010 stuurt Poelmann van den Broek een e-mail aan GGN met daarin onder meer het volgende:

“Graag verneem ik alsnog z.s.m. van u of u (…) weet welk verhuisbedrijf zij voor de ontruiming heeft ingeschakeld.”

2.13.

Op 5 november 2010 antwoordt GGN met een e-mail met onder meer de volgende inhoud:

Wij zijn thans nog bezig met onderzoek naar de huidige verblijfplaats van het bedrijf Leather Design. In de KvK staat nog steeds het ontruimde adres vermeld. Het verhuisbedrijf dat is ingeschakeld is het bedrijf dat wij altijd gebruiken: ABC Den Hartog Verhuizingen. Den Hartog heeft niets naar een ander adres gebracht. Volgens Den Hartog was het alleen maar troep en is alles vernietigd. Niets wijst er tot nu toe op dat Leather Design haar activiteiten heeft voortgezet. Wij hebben wel een adres van haar bestuurder (…). Gezien het feit dat het een B.V. betreft zien wij hier weinig mogelijkheden. Wellicht is het een mogelijkheid om faillissement aan te vragen.”

2.14.

Op dezelfde dag antwoordt Poelmann van den Broek met een e-mail met onder meer de volgende inhoud:

U heeft mij gezegd dat het verhuisbedrijf op verzoek van Leather Design de inventaris verhuisd heeft. Ik neem derhalve aan dat Leather Design het verhuisbedrijf daar opdracht toe gegeven heeft en dat Leather Design de factuur van het verhuisbedrijf betaald heeft. In het geval dat niet zo is, verneem ik dat graag. In ieder geval zal mijn cliente niet voor de kosten van die verhuizing opdraaien.”

2.15.

Op 8 november 2010 stuurt GGN een brief aan Poelmann van den Broek met onder meer de volgende inhoud:

U stelt in uw e-mailbericht dat op verzoek van Leather Design International de inventaris is verhuisd en dat Leather Design International daartoe opdracht heeft gegeven. Dit is niet het geval geweest.

Bij vonnis van de Rechtbank Arnhem, sector Kanton te Tiel d.d. 14 juli 2010 is aan uw cliënte, in conventie, toegewezen dat zij, indien en zodra Leather Design International verzuimde dit zelf te doen, kon overgaan tot ontruiming van het door Leather Design International gehuurde pand, alles op kosten van Leather Design International.

Daar waar u ons op enig moment opdracht heeft gegeven om de ontruiming te regelen, zullen de hieraan verbonden kosten dan ook in eerste instantie aan u in rekening worden gebracht. Uiteraard zullen wij deze kosten – conform hetgeen in het vonnis is toegewezen – uiteindelijk op Leather Design International trachten te verhalen, echter deze kosten dienen eerst door u te worden voldaan.”

2.16.

Op 18 november 2010 reageert Poelmann van den Broek met een e-mail met daarin onder meer het volgende:

“Ik vrees dat hier sprake is van een misverstand. U heeft mij destijds verteld dat Leather Design nadat de ontruiming door de deurwaarder in gang was gezet, alsnog (vrijwillig) een aantal zaken zelf heeft verwijderd en dat zij daarvoor zelf een verhuisbedrijf heeft ingeschakeld. U heeft mij verder verteld dat u na zou gaan welk verhuisbedrijf dat was en of dat verhuisbedrijf aan zou kunnen geven waarnaar zij de betreffende zaken heeft verhuisd. Ik heb daaromtrent niet meer van u vernomen. Ik doelde daar op in mijn e-mail van 5 november 2010. Ik doelde er in die e-mail voorts op dat cliente voor die kosten niet op zal draaien.”

2.17.

Op 4 september 2014 stuurt GGN een factuur van 3 september 2014 aan Poelmann van Den Broek inzake het dossier Van den Bosch/Leather Design met mapnummer 10794004. Hierop staat onder meer het volgende:

Nota ontruimers collega € 36.480,54

Totaal kosten € 44.571,88

2.18.

Op 24 oktober 2014 stuurt Poelmann van den Broek een brief aan GGN met daarin onder meer de volgende inhoud:

Uit de factuur leid ik af dat een aanzienlijk deel van het bedrag zou bestaan uit ontruimingskosten. Deze zouden maar liefst € 36.480,54 (exclusief btw) bedragen. Van deze kosten heb ik een zeer summiere specificatie ontvangen. Daaruit moet ik afleiden dat over een periode van 13 september tot en met 21 september 2010 werkzaamheden zijn verricht. Daarnaast zouden er transportkosten zijn gemaakt. Voorts constateer ik dat er sprake is van een post voor zaterdagtoeslag. (…)

Mijn voormalige kantoorgenote [naam 1] heeft destijds het onderhavige dossier in behandeling gehad.

(…)

Bovendien is destijds zonder overleg met [naam 1] of cliënte door uw bedrijf een verhuisbedrijf ingeschakeld om de inboedel in het te ontruimen pand af te voeren. [naam 1] noch cliënte is daarover geïnformeerd. Dat terwijl cliënte zelf aan de deurwaarder aangeboden heeft om de achtergelaten spullen af te voeren. Zij werd echter voor een voldongen feit gesteld doordat zij achteraf het bericht kreeg dat de ontruiming reeds had plaatsgevonden (met alle kosten van dien).

Met betrekking tot de ontruiming merk ik verder nog het volgende op. Bij brief d.d. 22 april 2010 heeft [naam 2] bericht dat uw deurwaarder het adres heeft bezocht en geconstateerd dat er binnen de schuren geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Zij heeft voorts bericht dat er enkel een soort piepschuim lag. Het is dan ook op zijn zachtst gezegd zeer verrassend te noemen dat de verhuisploeg dusdanig lang bezig zou zijn geweest om het pand te ontruimen en inventaris af te voeren. Namens cliënte betwist ik dan ook dat die werkzaamheden zijn verricht.”

2.19.

Op 28 oktober 2014 reageert GGN met een brief met onder meer de volgende inhoud:

De verschotten zijn de kosten die de deurwaarder heeft moeten maken om de ontruiming te bewerkstelligen. Dat uw kantoor niet op de hoogte was van deze kosten is uit de lucht gegrepen. Er is notabene tijdens de ontruiming bijna dagelijks contact geweest over de voorgang en ook over de verschotten. In diverse telefoongesprekken tussen de heer [naam 3], mevrouw [naam 4] van GGN en mevrouw [naam 1] is diverse keren de hoeveelheid van de werkzaamheden en de hoogte kosten ter sprake gekomen. Wanneer mevrouw [naam 1] specificaties had willen zien dan had het op haar pad gelegen om deze te vragen. Dit heeft zij echter nimmer verzocht. Pas nadat de ontruiming is voltooid heeft zij hierom gevraagd. Tijdens de ontruiming zijn ontruimingskosten zelfs onderwerp van discussie geweest (…).”

2.20.

Op 29 oktober 2014 stuurt GGN nog een factuur aan Poelmann van den Broek inzake het dossier Van den Bosch/Leather Design met mapnummer 10692089. Hierop staat onder meer het volgende:

Door u te voldoen € 681,13

2.21.

In het dossier zit een verklaring van mevrouw [naam 1], ten tijde van de ontruiming werkzaam bij Poelmann van den Broek, van 3 december 2014. Hierin staat onder meer:

Ook tijdens de ontruiming heb ik diverse malen telefonische contact gezocht met de heer [naam 3] om de voortgang van de ontruiming te bespreken. De heer [naam 3] heeft daarin nooit het initiatief genomen. Over de kosten van de ontruiming is daarbij nooit gesproken (behalve dat de huurder daarvoor geen verhaal zou bieden, zie de vorige alinea).”

3 Het geschil

3.1.

GGN vordert dat Poelmann van den Broek bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld tot betaling van € 47.964,77, vermeerderd met de overeengekomen rente van 1,00% per maand over € 45.253,41 en de proceskosten.

3.2.

GGN legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in opdracht en voor rekening van Poelmann van den Broek werkzaamheden heeft verricht, zoals omschreven in de facturen, welke facturen Poelmann van den Broek onbetaald heeft gelaten.

3.3.

Poelmann van den Broek voert verweer. Zij voert aan dat de vordering moet worden afgewezen omdat er werkzaamheden zijn uitgevoerd waarvoor geen opdracht is gegeven en geenszins vaststaat dat alle opgevoerde kosten daadwerkelijk gemaakt zijn en waar die kosten niet gemaakt zijn dus ook niet bij Poelmann en van den Broek in rekening kunnen worden gebracht. Voorts brengt Poelmann van den Broek naar voren dat zij schade heeft geleden als gevolg van het door GGN toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. Die schade bestaat hierin dat het Poelmann van den Broek vier jaar na dato niet mogelijk is om haar cliënte de ondeugdelijk gespecificeerde verschottennota in rekening te brengen. De schade komt voor verrekening in aanmerking. Verder heeft Poelmann van den Broek aangevoerd dat de algemene voorwaarden vernietigbaar zijn, nu GGN deze nooit ter hand heeft gesteld.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat het geschil tussen partijen enkel ziet op de post “Nota ontruimers collega” op de factuur van 4 september 2010 ter hoogte van € 36.480,54. Het overige deel van de factuur van 4 september 2010 en de factuur van 29 oktober 2014 worden door Poelmann van den Broek niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist zodat dit gedeelte van de gevorderde hoofdsom voor toewijzing gereed ligt.

4.2.

De vordering kan worden toegewezen indien voor de werkzaamheden onder de omschrijving “Nota ontruimers collega” een opdracht is gegeven door Poelmann van den Broek en de gefactureerde werkzaamheden daadwerkelijk zijn uitgevoerd. De rechtbank zal deze twee punten nu afzonderlijk beoordelen.

Werkzaamheden vallen niet onder opdracht

4.3.

GGN voert ter onderbouwing van haar stelling dat aan al haar werkzaamheden onder de omschrijving “nota ontruimers collega” een opdracht van Poelmann van den Broek ten grondslag ligt het volgende aan. GGN stelt dat zij de werkzaamheden en de daarmee gepaard gaande kosten van ontruiming telefonisch meermalen met Poelmann van den Broek heeft besproken. Reeds bij aanvang van de ontruiming op 13 september 2010 is door de deurwaarder ter plaatse aangegeven dat het een hele bende is en de ontruiming naar schatting een week zou gaan duren, met alle kosten van dien. GGN stelt zich op het standpunt dat zij correct voor de door haar opgedragen ontruiming heeft zorggedragen, waarbij inderdaad geen overleg is geweest over de in te schakelen derde ten aanzien van de af te voeren inboedel nu hieromtrent geen voorbehoud danwel opmerking door Poelmann van den Broek was gemaakt. Poelmann van den Broek heeft aangedrongen op een spoedige ontruiming. Daarbij heeft Poelmann van den Broek op de derde dag van de ontruiming aangegeven de kosten te willen beperken en derhalve het telefoonnummer van haar cliënte doorgegeven zodat de deurwaarder met die cliënte hierover kon overleggen. GGN heeft ter comparitie nog aangevoerd dat zij op grond van de ambtshandeling ontruiming alle roerende zaken, waaronder ook afval, bij een ontruiming uit een bedrijfspand dient te verwijderen en ook dient af te voeren.

4.4.

Poelmann van den Broek voert ter onderbouwing van haar verweer dat een deel van de werkzaamheden niet onder de aan GGN verstrekte ontruimingsopdracht vallen aan dat zij aan GGN heeft aangegeven dat zij zelf assistentie wilde verlenen bij de ontruiming door de roerende zaken (waaronder het afval) die uit het bedrijfspand waren gehaald zelf af te voeren. Dit zou haar door GGN zijn geweigerd met als reden dat die werkzaamheden allemaal onder de ambtshandeling ontruiming vallen, zodat alleen een deurwaarder die werkzaamheden mag uitvoeren.

4.5.

De rechtbank verwerpt de stelling van GGN dat zij verplicht was de roerende zaken af te voeren, omdat die werkzaamheden onder de ambtshandeling vallen. Artikel 556 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt weliswaar dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder, echter uit het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 1928 (NJ 1928, 215) volgt dat de deurwaarder in de regel en afgezien van bijzondere omstandigheden mag en moet volstaan de inboedel te laten brengen buiten de woning, gewoonlijk dus naar de aangrenzende openbare weg of straat. Dit betekent dat vanaf dat moment de goederen onder de zorgplicht van de geëxecuteerde vallen, de gewezen huurder in dit geval.

4.6.

Het voorgaande sluit niet uit dat tussen partijen is overeengekomen dat GGN de roerende zaken uit het bedrijfspand zou afvoeren. Voor de vraag wat partijen zijn overeengekomen is immers bepalend, naast de taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst, de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981/635).

4.7.

GGN zal gelet op de gemotiveerde betwisting door Poelmann van den Broek zoals hiervoor uiteengezet, haar stelling dat haar de werkzaamheden die zij heeft gefactureerd onder de omschrijving “nota ontruimers collega” door Poelmann van den Broek zijn opgedragen, moeten bewijzen. Daartoe zal een bewijsopdracht worden gegeven.

Werkzaamheden zijn niet uitgevoerd

4.8.

Poelmann van den Broek heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat een deel van de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd, zodat betaling niet aan de orde is.

4.9.

GGN heeft ter onderbouwing van de hoeveelheid gemaakte uren ter comparitie aangevoerd dat het een ontruiming op een groot bedrijventerrein betrof. Daarbij is een grote hoeveelheid afval, namelijk 40.060 kilo, uit het bedrijfspand gehaald en naar het afvalterrein gebracht. De hoeveelheid afval is gewogen bij het afvalterrein. In de eerste drie dagen heeft Leather Design de spullen die zij wilde houden zelf met een vrachtwagen vervoerd. Dat staat ook in het proces-verbaal en de exploten die per dag zijn opgemaakt. Daarin staat ook wat Leather Design heeft gedaan en op welke dag wat is ontruimd. Er is ook een heftruck gehuurd, want er waren ook veel zware spullen aanwezig. De vrachtwagens konden niet in het bedrijfspand komen, waardoor de ontruiming veel (loop)tijd in beslag nam. De goederen moesten immers vanuit het bedrijfspand naar de vrachtwagens worden gebracht. Er zijn daadwerkelijk 386 manuren ingezet.

4.10.

Poelmann van den Broek betwist dat de werkzaamheden die zijn opgenomen onder de post “nota ontruimers collega” daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Zij stelt dat uit de verschottennota aangaande de ontruiming door de firma ABC Den Hartog Verhuizingen blijkt dat het verhuisbedrijf gedurende acht dagen 990 mᵌ afval met een totaalgewicht van 40.060 kilo heeft ontruimd. Ter onderbouwing van haar betwisting van die hoeveelheid uren overlegt Poelmann van den Broek een taxatierapport waaruit blijkt dat het pand een opslagruimte kent van 1000 m². Dat daaruit 990 mᵌ afval kan zijn verwijderd is volgens Poelmann en van den Broek onvoorstelbaar. Bovendien is GGN in april 2010 ook al bij het bedrijfspand geweest en is door GGN toen enkel piepschuim in het pand gezien.

4.11.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat Poelmann van den Broek gemotiveerd heeft betwist dat GGN de werkzaamheden die op de factuur staan vermeld onder de omschrijving “nota ontruimers collega” daadwerkelijk heeft verricht. Nu op GGN de last rust te bewijzen dat de gefactureerde werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en zij bewijs heeft aangeboden van haar stelling zal zij tot dit bewijs worden toegelaten.

Wanprestatie en verrekening

4.12.

Ter onderbouwing van haar verweer dat zij een verrekenbare tegenvordering uit hoofde van wanprestatie heeft, heeft Poelmann van den Broek gesteld dat GGN bij de uitvoering van haar werkzaamheden heeft gehandeld in strijd met haar eigen gedragsregels zoals vastgelegd in de Verordening Beroeps- en Gedragsregels Gerechtsdeurwaarder en daardoor is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. GGN heeft onnodige kosten gemaakt door het afval te laten verwijderen in het kader van de ontruiming, roldeuren beschadigd, niet gewaarschuwd voor het oplopen van de kosten, geen specificaties verzonden en pas vier jaar na dato gefactureerd.

4.13.

De rechtbank stelt vast dat Poelmann van den Broek geen reconventionele vordering heeft ingesteld uit hoofde van wanprestatie, noch op enige andere grond. Nu GGN heeft betwist dat Poelmann van den Broek een vordering op haar heeft, kan de rechtbank niet op eenvoudige wijze vaststellen of het verweer van Poelmann van den Broek, dat zij thans nog een beroep op verrekening kan doen, gegrond is. Met toepassing van artikel 6:136 BW zal de rechtbank daarom voorbij gaan aan het door Poelmann van den Broek gedane beroep op verrekening.

Algemene voorwaarden

4.14.

Poelmann van den Broek heeft bestreden dat zij 1% rente per maand verschuldigd is over het openstaande bedrag. Zij beroept zich op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden, omdat GGN deze niet aan haar ter hand heeft gesteld.

4.15.

GGN heeft ter comparitie gesteld dat partijen al heel lang zaken met elkaar doen en dat daarmee de stelling van Poelmann van den Broek dat deze nooit ter hand zijn gesteld ongeloofwaardig is. Desgevraagd heeft GGN echter niet kunnen aangeven wanneer deze algemene voorwaarden ter hand zijn gesteld.

4.16.

De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van artikel 6:233 onderdeel b BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien de weerpartij geen redelijke mogelijkheid is geboden om van de voorwaarden kennis te nemen. De gebruiker heeft aan de wederpartij de in artikel 233 onder b bedoelde mogelijkheid geboden, indien hij de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand heeft gesteld zoals bedoeld in artikel 6:234 BW. Een redelijke en op de praktijk afgestemde uitleg brengt evenwel mee dat de wederpartij zich niet op de vernietigbaarheid van een beding in algemene voorwaarden kan beroepen wanner hij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met dat beding bekend was of geacht kon worden daarmee bekend te zijn. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het geval dat regelmatig gelijksoortige overeenkomsten tussen partijen worden gesloten, terwijl de algemene voorwaarden bij het sluiten van een eerdere overeenkomst aan de wederpartij ter hand zijn gesteld.

4.17.

Nu GGN heeft nagelaten te stellen wanneer de algemene voorwaarden ter hand zijn gesteld heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht, zodat de rechtbank niet toekomt aan een bewijsopdracht aan GGN ter zake. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep van Poelmann van den Broek op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden slaagt. Dit betekent dat de clausule waarin door GGN een rente van 1% per maand wordt bedongen niet van toepassing is.

4.18.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan, in afwachting van de uitkomst van de bewijslevering.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt GGN op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat

a. a) de gefactureerde werkzaamheden onder de omschrijving “nota ontruimers collega” haar door Poelmann van den Broek zijn opgedragen en

b) die werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht,

5.2.

bepaalt dat, voor zover GGN dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. A.C.J. Klaver in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 maart 2016 voor het opgeven door GGN van de getuigen en van hun respectieve verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de donderdagen in de maanden april tot en met juni 2016, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.4.

verwijst voor het geval GGN op die roldatum heeft medegedeeld geen getuigenbewijs te willen leveren of geen getuigen of verhinderdata heeft opgegeven de zaak naar de achtste rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor vonnis of, maar alleen indien GGN daarom op de onder 5.3. bedoelde roldatum heeft verzocht, naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van GGN, waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kan leveren,

5.5.

bepaalt voorts dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn en, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat, tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,

5.6.

bepaalt dat de partijen alle schriftelijke (bewijs)stukken die zij nog in het geding willen brengen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toegezonden moeten hebben,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016.