Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1785

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 832
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet studiefinanciering 2000; herziening studiefinanciering, uitwonendenbeurs, artikel 1.5, wettelijk bewijsvermoeden; boete en lagere tegenbewijsdrempel.

Naar het oordeel van de rechtbank is het hanteren van een dergelijk wettelijk bewijsvermoeden bij het opleggen van een boete niet in strijd met artikel 6 van het Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hierbij is van belang dat voor de vaststelling van de overtreding van artikel 1.5 van de Wsf niet vereist is dat sprake is van opzet of grove schuld. Indien dit wel het geval zou zijn is een wettelijk bewijsvermoeden niet voldoende om de boete op te baseren. Het wettelijke bewijsvermoeden laat echter onverlet dat de studerende tegenbewijs mag leveren en aldus het wettelijke bewijsvermoeden kan ontzenuwen. Dat is het geval als in dat tegenbewijs genoeg aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de vaststelling dat de studerende in de betrokken periode wel woonde op het opgegeven adres. Indien de studerende met betrekking tot die periode of een deel daarvan daarin slaagt, kan de boete in zoverre niet worden gebaseerd op de herziening van de studiefinanciering. Dit tegenbewijs hoeft, anders dan bij de herziening, niet zodanig te zijn dat daarmee onomstotelijk wordt aangetoond dat de studerende gedurende (een deel van) de periode voorafgaande aan de vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf feitelijk wel woonde op het desbetreffende BRP-adres. Aangezien het hier om een boete gaat acht de rechtbank, mede in het licht van het bepaalde in artikel 6, tweede lid, EVRM een lagere tegenbewijsdrempel aangewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/832

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO) te Groningen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2014 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht van eiser op studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf) over de periode augustus 2012 tot en met september 2014 herzien en medegedeeld dat eiser een bedrag van € 5.090,63 te veel aan studiefinanciering heeft ontvangen.

Bij besluit van 13 november 2014 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 2.545,31 (50%).

Bij besluit van 2 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2015. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde E.H.A. van den Berg.

Het onderzoek is vervolgens heropend en de zaak is verwezen ter behandeling door de meervoudige kamer. Nadat partijen toestemming hebben verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser stond van 1 augustus 2008 tot 11 november 2014 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente [woonplaats] op het adres [adres] (hierna: het BRP-adres). Aan eiser is door verweerder per 1 augustus 2012 een uitwonendenbeurs toegekend.

2. Verweerder heeft op 22 september 2014 een onderzoek ingesteld naar de feitelijke woonsituatie van eiser. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport Misbruik uitwonendenbeurs van 22 september 2014 (het rapport). In het rapport staat onder andere dat de hoofdbewoonster van het BRP-adres bij het huisbezoek het volgende heeft verklaard:

“(…) Door familieomstandigheden is [naam] , mijn neefje, hier komen wonen. Op dit moment is [naam] een beetje zwervende. In het begin gebruikte hij de kamer linksachter en de laatste ongeveer twee jaar de kamer rechtsachter. Ik kan u op dit moment geen studiemateriaal en administratie tonen, dat heeft hij pas meegenomen. Het kinderspeelgoed en spullen op zijn kamer is van mijn kleinkind. Wij hebben geen huurcontract en [naam] draagt ook niet bij in de onkosten. Het is tenslotte ook familie. [naam] heeft hier nog wel kleding liggen in de kast van mijn zoon Raymond. Zij hebben beiden ook dezelfde maat. [naam] slaapt hier gemiddeld zes nachten. Hij loopt nu stage bij de gemeente [woonplaats] .”

In het rapport wordt geconcludeerd dat eiser feitelijk niet woonachtig is op het BRP-adres.

3. Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek heeft verweerder de primaire besluiten I en II genomen. Bij het primaire besluit I is het recht op studiefinanciering van eiser met ingang van 1 augustus 2012 herzien. Verweerder heeft dit bedrag daarbij omgezet in een schuld en heeft aan eiser medegedeeld dat de schuld met de nog te ontvangen studiefinanciering zal worden verrekend.

Ten aanzien van de herziening

4. In geschil is of verweerder het recht van eiser op studiefinanciering terecht heeft herzien.

5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder voor de periode van 1 augustus 2012 tot maart/april 2014 onterecht het recht op studiefinanciering heeft herzien, omdat hij in die periode wel op het BRP-adres woonde. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser stukken overgelegd van Bureau Jeugdzorg, ’s Heerenloo en de Raad voor de Kinderbescherming, volgens welke de jongere broer van eiser heeft verklaard dat eiser bij zijn tante woonde. Eiser stelt dat hij in maart/april 2014 weer thuis is gaan wonen om zijn broertje te ondersteunen. Volgens eiser heeft hij in de zomer van 2014 zijn persoonlijke spullen opgehaald uit het huis van de tante. Eiser stelt vanwege de situatie thuis te zijn vergeten verweerder in te lichten over zijn terugkeer naar huis.

6. Verweerder stelt dat niet in geschil is dat eiser ten tijde van de controle niet meer op het BRP-adres woonde en dat het nu op de weg van eiser ligt om te bewijzen dat hij daar wel feitelijk heeft gewoond. Nu volgens verweerder geen bewijs is overgelegd waaruit onomstotelijk blijkt dat eiser in de periode voorafgaand aan het huisbezoek wel woonde op het BRP-adres, mocht volgens verweerder de uitwonendenbeurs met terugwerkende kracht worden herzien.

7.1

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

7.2

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf.

Op grond van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de basisregistratie personen staat of staan ingeschreven.

Uit artikel 7.1, eerste lid en tweede lid, van de Wsf volgt dat verweerder een beslissing waarbij studiefinanciering is toegekend onder meer kan herzien indien de beslissing is gebaseerd op onjuiste gegevens.

Op grond van artikel 9.9, tweede lid, eerste volzin, van de Wsf vindt de herziening plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de basisregistratie personen. In de tweede volzin daarvan is bepaald dat indien de ouders van de studerende of een van hen na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de studerende, de herziening dan plaatsvindt met ingang van de dag van deze adreswijziging.

7.3

De rechtbank stelt voorop dat de herziening van de toegekende studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende een voor eiser belastend besluit is. Het is aan verweerder om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat verweerder aannemelijk dient te maken dat eiser niet heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser niet woont op het adres waaronder hij in het BRP staat ingeschreven, dan ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

7.4

Niet in geschil is dat eiser op de datum van het huisbezoek niet woonde op het BRP-adres. Dit betekent dat op die datum niet was voldaan aan het vereiste van artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a van de Wsf en verweerder in beginsel de aan eiser toegekende studiefinanciering diende te herzien. Ook is niet in geschil dat eiser sinds maart/april 2014 niet op het BRP-adres woonde. Dat betekent dat in de periode van maart/april 2014 tot en met september 2014 niet voldaan was aan het vereiste van artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf.

7.5

De herziening met ingang van 1 augustus 2012 is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn uitspraak van 7 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1626) heeft overwogen, is voor weerlegging van het daarin opgenomen wettelijke bewijsvermoeden vereist dat de studerende tegenbewijs levert waarmee onomstotelijk wordt aangetoond dat hij gedurende een deel van de periode voorafgaande aan de vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf feitelijk wel woonde op het betreffende BRP-adres. Slaagt de studerende in dat bewijs, dan moet verweerder, onder toepassing van de hardheidsclausule, afwijken van artikel 9.9, tweede lid van de Wsf en daarmee over die periode van herziening afzien.

Naar het oordeel van de rechtbank is noch met de verklaring van de hoofdbewoonster, noch met de door eiser overgelegde stukken onomstotelijk aangetoond dat, en gedurende welke periode, eiser op het BRP-adres woonde. Daarom hoefde er in dit geval voor verweerder geen aanleiding te zijn om af te wijken van het wettelijke vermoeden op grond van artikel 9.9, tweede lid van de Wsf. Verweerder is dan ook op goede gronden overgegaan tot herziening van het recht op studiefinanciering vanaf 1 augustus 2012.

7.6

Het beroep tegen de herziening van de studiefinanciering is dan ook ongegrond.

Ten aanzien van de boete:

8.1

In artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf is bepaald dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd indien de studerende het normbedrag voor een uitwonende studerende toegekend heeft gekregen, maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf. Het bedrag van de boete bedraagt ten hoogste 50% van het bedrag dat van de studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.

8.2

In het geval dat sprake is van een bestraffende sanctie dient de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden ten volle te oordelen over de vraag of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en over de feiten die aan de bestraffende sanctie ten grondslag zijn gelegd. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de CRvB van 30 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2799. Hierin is onder meer het volgende overwogen:

“4.3 Het opleggen van een bestuurlijke boete is een voor de belanghebbende belastend besluit. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 7 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1819, en 9 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4627, is het dan aan verweerder om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat betrokkene niet heeft voldaan aan de in artikel 1.5 van de Wsf neergelegde voorwaarden voor toekenning van een uitwonendenbeurs rust daarom op verweerder.

Bij een boeteoplegging houdt dit concreet in dat verweerder moet aantonen dat betrokkene niet woont op zijn GBA-adres. Niet voldoende is dat slechts aannemelijk is gemaakt dat betrokkene niet op zijn GBA-adres woonde. Weliswaar is in artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf de hoogte van de maximaal op te leggen boete gekoppeld aan (het bedrag van) de herziening, waarvoor een minder zware bewijslast geldt, maar deze bepaling doet geen afbreuk aan de bewijslast bij een bestraffende sanctie.”

Het is dus aan verweerder om aan te tonen dat eiser niet woont op het BRP-adres.

8.3

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder het bedrag van de boete heeft mogen vaststellen op € 2.545,31, zijnde 50% van het bedrag van € 5.090,63 dat van eiser wordt teruggevorderd als gevolg van de herziening. Meer in het bijzonder is de vraag of verweerder bij de vaststelling van de boete mocht uitgaan van het in het kader van de herziening gehanteerde wettelijke bewijsvermoeden dat de op enig moment vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf bestond vanaf het moment waarop de studerende zijn laatste adreswijziging in de BRP heeft ingeschreven. Dat gaat dus om de periode van augustus 2012 tot en met september 2014. Uit artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf volgt, gelet ook op hetgeen daarover in de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer 2010-11, 32 770, nr. 3, blz. 10) is geschreven, dat (ook) bij de vaststelling van de hoogte van een boete als de onderhavige het wettelijke bewijsvermoeden leidend is.

Naar het oordeel van de rechtbank is het hanteren van een dergelijk wettelijk bewijsvermoeden bij het opleggen van een boete niet in strijd met artikel 6 van het Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hierbij is van belang dat voor de vaststelling van de overtreding van artikel 1.5 van de Wsf niet vereist is dat sprake is van opzet of grove schuld. Indien dit wel het geval zou zijn is een wettelijk bewijsvermoeden niet voldoende om de boete op te baseren. Het wettelijke bewijsvermoeden laat echter onverlet dat de studerende tegenbewijs mag leveren en aldus het wettelijke bewijsvermoeden kan ontzenuwen. Dat is het geval als in dat tegenbewijs genoeg aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de vaststelling dat de studerende in de betrokken periode wel woonde op het opgegeven adres. Indien de studerende met betrekking tot die periode of een deel daarvan daarin slaagt, kan de boete in zoverre niet worden gebaseerd op de herziening van de studiefinanciering. Dit tegenbewijs hoeft, anders dan bij de herziening, niet zodanig te zijn dat daarmee onomstotelijk wordt aangetoond dat de studerende gedurende (een deel van) de periode voorafgaande aan de vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf feitelijk wel woonde op het desbetreffende BRP-adres. Aangezien het hier om een boete gaat acht de rechtbank, mede in het licht van het bepaalde in artikel 6, tweede lid, EVRM een lagere tegenbewijsdrempel aangewezen.

8.4

Verweerder heeft aan het boetebesluit het rapport van het huisbezoek van 22 september 2014 ten grondslag gelegd. Vaststaat dat eiser ten tijde van het onderzoek naar de feitelijke woonsituatie van eiser niet woonde op het BRP-adres en dat eiser derhalve niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf. Dit geldt ook voor de periode van maart/april 2014 tot en met september 2014, nu niet in geschil is dat eiser sinds maart/april 2014 niet op het BRP-adres woonde.

Wat de periode vanaf augustus 2012 betreft heeft eiser stukken in het geding gebracht die betrekking hebben op zijn jongere broer [broer] . Het betreft een rapport van Bureau Jeugdzorg van 29 oktober 2013, een verslag van een intakegesprek bij ’s Heerenloo van 7 januari 2014 en een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 april 2014, waarin wordt gesproken over de woonsituatie van eiser. Het verslag van Bureau Jeugdzorg is gebaseerd op een (eerste) analysegesprek van 29 oktober 2013. In dat verslag staat dat eiser al zes jaar bij zijn tante woont. Het intakeverslag van ’s Heerenloo vermeldt dat bij dat gesprek, waarbij [broer] en zijn moeder aanwezig waren, is verklaard dat eiser sinds ongeveer 6 jaar niet meer thuis, maar bij zijn oom en tante (zus van zijn vader) woont. In het verslag van de Raad voor de Kinderbescherming staat vermeld dat op 25 februari 2014 is gesproken met [broer] en met de moeder van [broer] . Bij de woon- en gezinssituatie staat daarin vermeld dat [broer] met zijn ouders en broer van 19 jaar in [woonplaats] woont en dat hij daarnaast een oudere broer van 21 jaar heeft die bij zijn tante woont. De rechtbank is van oordeel dat eiser met deze stukken het wettelijk bewijsvermoeden over de periode van augustus 2012 tot en met februari 2014 heeft ontzenuwd en aldus afdoende tegenbewijs heeft geleverd als bedoeld in 8.3.

Met de in het rapport van 22 september 2014 neergelegde bevindingen heeft verweerder, gelet op het geleverde tegenbewijs, niet aangetoond dat eiser in de periode van 1 augustus 2012 tot en met februari 2014, daadwerkelijk niet op het GBA-adres woonachtig is geweest. Uit het voorgaande volgt dat de boete ten onrechte mede is berekend over die periode.

8.5

Naar het oordeel van de rechtbank kan het eiser, voor wat de periode van maart tot en met september 2014 betreft, worden verweten dat hij niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, onder meer dat hij zijn adreswijziging niet tijdig heeft doorgegeven, is niet voldoende om aan te nemen dat de verwijtbaarheid ontbrak.

8.6

Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de boete, vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de boete vaststellen op 50% van hetgeen eiser heeft ontvangen aan studiefinanciering over de periode van maart 2014 tot en met september 2014.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht in die procedure vergoedt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin het besluit van 13 november 2013 inzake de boete is gehandhaafd;

herroept het besluit van 13 november 2013 en stelt de boete vast op 50% van de over de periode van 1 maart 2014 tot en met 30 september 2014 ontvangen studiefinanciering;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht groot € 45 aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mrs. H.J. Klein Egelink en J.J.W.P. van Gastel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.