Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1743

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3641
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Niet gedaan zijn van de vereiste aangifte indien na correcties een winst uit onderneming naar een negatief bedrag resteert en daarmee een verschuldigde belasting van nihil. Omkering en verzwaring van de bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1003
FutD 2016-1148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/3641

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 31 maart 2016

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.021 negatief. Het ondernemingsverlies is vastgesteld op € 26.021. Tevens is bij beschikking € 234 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 juni 2015 de aanslag, de verliesbeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2016.

Namens eiser zijn verschenen [gemachtigde] en [A] . Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is vanaf begin 2007 tot eind 2010 in de bestanden van de Belastingdienst opgenomen als ondernemer voor de heffing van inkomsten- en omzetbelasting en als inhoudingsplichtige voor de loonheffingen. Aanvankelijk was dat onder de naam “ [B] ” en vanaf het jaar 2009 onder de handelsnaam “ [C] ”. De onderneming richt zich voornamelijk op de verkoop van relatiegeschenken en promotiemateriaal in de vorm van boekjes.

2. Op 21 september 2010 zijn [D] B.V. en [E] B.V. opgericht. Vanaf de oprichting heeft eiser zijn activiteiten voor rekening van beide vennootschappen voortgezet.

3. In de aangifte IB/PVV 2008 heeft eiser een verlies uit onderneming vermeld van € 28.075. Over het belastingjaar 2009 heeft eiser geen aangifte gedaan. Ter zake van het jaar 2008 heeft verweerder een navorderingsaanslag opgelegd. Voor het jaar 2009 is ambtshalve een aanslag vastgesteld.

4. Op 17 juli 2012 heeft eiser aangifte IB/PVV voor het jaar 2010 gedaan, waarin een winst uit onderneming van € 307.295 negatief is opgenomen. Deze aangifte resulteerde in een nihil bedrag aan te betalen belasting.

5. Er heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden naar de aangiften inkomstenbelasting, omzetbelasting en loonbelasting voor het jaar 2008. In het verslag van het boekenonderzoek d.d. 18 april 2013 staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…)

2010

Het jaar 2010 is niet inhoudelijk gecontroleerd.

(…).”

6. Bij brieven van 20 augustus 2013, 13 september 2013 en 3 oktober 2013 heeft verweerder vragen gesteld over de aangifte IB/PVV voor het jaar 2010. In de brief van 20 augustus 2013 is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“(…)

Inkomen uit werk en woning (box 1)

Winst uit onderneming: kosten

U trekt een bedrag van € 298.647 af van de winst voor “de som van de bedrijfslasten”. Om te kunnen beoordelen of u recht heeft op aftrek van deze kosten, verzoek ik u mij – van onderstaande kosten – een specificatie en berekening te verstrekken met bewijsstukken.

  • -

    Kosten van grond- en hulpstoffen (inkoopprijs van de verkopen) € 86.402;

  • -

    Lonen en salarissen € 60.773;

  • -

    Afschrijving van andere vaste bedrijfsmiddelen € 12.428;

  • -

    Autokosten € 74.274;

  • -

    Huisvestingskosten € 31.235;

  • -

    Verkoopkosten € 4.560;

  • -

    Andere kosten € 19.294.

(…).”

7. Op 25 oktober 2013 heeft verweerder bij brief zijn voornemen tot afwijking van de aangifte kenbaar gemaakt.

8. Op 5 november 2013 heeft verweerder van eiser een aantal stukken ontvangen. Het betreft:

  • -

    de winst- en verliesrekening van [C] van 1/1/2010 – 30/9/2010;

  • -

    kopieën van inkoopfacturen;

  • -

    een overzichtslijst van de materiële vaste activa per 30/9/2010;

  • -

    kopieën van facturen die zien op leasekosten;

  • -

    een kopie factuur welke ziet op de huur van een bedrijfspand.

9. Na een telefonische aankondiging heeft verweerder bij brief van 5 februari 2014 een boekenonderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV 2010 en de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010.

10. Tijdens een telefoongesprek op 17 februari 2014 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld niet te willen meewerken aan een boekenonderzoek totdat een rechter heeft geoordeeld over de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2008 en 2009.

11. Bij brief van 19 februari 2014 heeft verweerder eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld mee te werken aan het boekenonderzoek. Eiser heeft daarop niet gereageerd.

12. Bij brief van 27 maart 2014 heeft verweerder meegedeeld dat de definitieve aanslag IB/PVV zal worden vastgesteld onder acceptatie van de volgende kosten:

13. De definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 is conform de brief van 27 maart 2014 op 29 april 2014 vastgesteld. De winst uit onderneming is daarbij vastgesteld op € 26.021 negatief. Het te betalen bedrag aan belasting bedroeg nihil.

Geschil

14. In geschil is de juistheid van de aanslag IB/PVV 2010 en de verliesbeschikking.

15. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte alleen de meegezonden facturen heeft geaccepteerd en niet de overige posten, zoals personeels- en afschrijvingskosten. Eiser heeft niet van verweerder vernomen dat de gegeven informatie onvoldoende was. Bovendien zou de administratie van het jaar 2010 aan de hand van een boekenonderzoek door verweerder beoordeeld zijn, althans heeft verweerder het vertrouwen gewekt dat het jaar 2010 al beoordeeld was.

16. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de jaren 2008, 2009 en 2010 de vereiste aangifte niet is gedaan. Dat blijkt voor 2010 uit de omvangrijke correcties die ten opzichte van de aangifte zijn doorgevoerd. Eiser zou slechts mondjesmaat en steeds met grote vertraging informatie hebben verstrekt en er zijn weinig bewijsstukken overgelegd. Hierdoor vermoedt verweerder dat de administratie van de onderneming niet op orde is en geen betrouwbare grondslag voor de winstberekening vormt. Verweerder heeft rekening gehouden met de kosten waarvan eiser bewijsstukken kon verstrekken. Volgens verweerder is met de vaststelling van het inkomen sprake van een redelijke schatting. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de correctie van het aangegeven verlies aannemelijk is.

Beoordeling van het geschil

Vereiste aangifte

17. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast (zie HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).

18. De rechtbank stelt voorop dat op eiser, die aftrek van kosten claimt, de bewijslast rust aannemelijk te maken dat hij aan de daaraan gestelde voorwaarden voldoet. Uit de in het geding gebrachte stukken (een uitdraai van de winst- en verliesrekening, een aantal kopieën van facturen, een aantal loonstrookjes en een uitdraai van een afschrijvingsstaat) kan, zonder een nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat een totaalbedrag van € 268.300 daadwerkelijk voor aftrek in aanmerking komt. Aan het argument van eiser dat het ondoenlijk is om alle facturen te kopiëren wordt voorbijgegaan, te meer het op de weg van eiser ligt om in aftrek gebrachte bedragen te onderbouwen en uit de toelichting van eiser ter zitting is gebleken dat het slechts om drie ordners met stukken ging. Verweerder heeft niet betwist dat er inventaris en computerapparatuur in de onderneming van eiser aanwezig was en uit de uitdraai volgt dat er een bestendige lijn van afschrijven is gevolgd. Wat betreft de afschrijvingskosten op materiële vaste activa, die onderdeel uitmaken van de hiervoor genoemde kosten, zou eventueel kunnen worden aangenomen dat een bedrag van € 12.428 voor aftrek in aanmerking komt. Met betrekking tot de facturen die eiser wel in het geding heeft gebracht, geldt dat verweerder de aftrek van deze kosten in de aanslagfase reeds heeft toegestaan. Zou rekening worden gehouden met de afschrijvingskosten op de materiële vaste activa, dan heeft eiser een aftrek van € 255.872 niet aannemelijk gemaakt. Gelet op het voorgaande is, of nu rekening wordt gehouden met de afschrijvingskosten op de materiële vaste activa of niet, sprake van een inhoudelijk gebrek in de aangifte.

19. De volgende vraag is of dit gebrek in de aangifte kan leiden tot de conclusie dat de vereiste aangifte niet is gedaan. De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval zowel in de aangifte als in de aanslag sprake is van een te betalen bedrag aan belasting van nihil. Van een situatie waarbij de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting is in dit geval dan ook geen sprake. Indien echter de aangifte was gevolgd, dan had dit geleid tot een verliesbeschikking van € 307.295 in plaats van de bij de aanslag genomen verliesbeschikking van € 26.021. Door middel van verliesverrekening had eiser vervolgens kunnen bewerkstelligen dat er in andere jaren aanmerkelijk minder belasting verschuldigd zou zijn dan de werkelijk verschuldigde belasting. Eiser die als ondernemer aftrekposten heeft opgevoerd welke hij op geen enkele wijze heeft weten te onderbouwen, wordt geacht zich ten tijde van het doen van de aangifte bewust te zijn geweest dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou kunnen worden geheven. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan.

20. Aangezien de vereiste aangifte niet is gedaan schrijven de artikelen 25, derde lid, en 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dwingend voor dat - ook met betrekking tot geschilpunten ten aanzien waarvan de bewijslast al op de belastingplichtige rust - het bezwaar respectievelijk het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de desbetreffende belastingaanslag onjuist is (vergelijk Hoge Raad 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:417).

Redelijke schatting

21. Deze zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast laat evenwel onverlet dat verweerder gehouden is bij het ambtshalve vaststellen van de aanslag (uitspraak op bezwaar) uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen uit werk en woning van eiser. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag (uitspraak op bezwaar) naar willekeur wordt vastgesteld door verweerder (vergelijk Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013: BX7184). In dat kader rust op een inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vergelijk Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401). Wanneer verweerder daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van eiser, wanneer hij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (vergelijk Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

22. De schatting door verweerder dient, zoals hiervoor overwogen, de redelijkheidstoets te kunnen doorstaan. Onvermijdelijk is evenwel dat het schatten van het inkomen door verweerder enige ruwheid met zich brengt. Aangezien eiser ter zake van de door hem in aftrek gebrachte kosten verweerder niet van een onderbouwing daarvan voorziet, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder, door het belastbare inkomen uit werk en woning vast te stellen zonder rekening te houden met deze kosten, willekeurig te werk is gegaan.

23. Eiser dient dan ook overtuigend aan te tonen dat het belastbare inkomen uit werk en woning te hoog is vastgesteld door verweerder. Hierin is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Met betrekking tot een bedrag van € 255.872 heeft eiser in het geheel geen inzicht gegeven in hoe deze kosten zijn samengesteld noch daarvan een (met schriftelijke bescheiden gestaafde) onderbouwing gegeven. Met betrekking tot de afschrijvingskosten voor immateriële activa wordt overwogen dat eiser niet kan volstaan met het aannemelijk maken van deze kosten. Eiser heeft met betrekking tot deze kosten eveneens geen bewijsstukken overgelegd. Het is dan ook niet gebleken dat de desbetreffende kosten in aftrek moeten worden toegelaten. Eiser heeft verder niets concreets aangevoerd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat hij overtuigend heeft aangetoond dat het belastbare inkomen uit werk en woning te hoog is vastgesteld.

Opgewekt vertrouwen

24. Anders dan eiser meent, kan uit de omstandigheid dat begin 2013 een boekenonderzoek heeft plaatsgevonden en over het jaar 2010 naheffingsaanslagen voor de loonbelasting en de omzetbelasting zijn opgelegd, niet worden afgeleid dat verweerder de administratie van het jaar 2010 wat betreft de IB/PVV heeft beoordeeld. Het boekenonderzoek was in eerste instantie gericht op de IB/PVV 2008 en de omzet- en loonbelasting 2008. In het verslag van het boekenonderzoek (brief van 18 april 2013 als geciteerd onder 5. hiervoor) is nadrukkelijk opgenomen dat het jaar 2010 inhoudelijk niet is beoordeeld. Nadien heeft verweerder bij brieven van 20 augustus 2013, 13 september 2013 en 3 oktober 2013, verzocht om informatie en bewijsstukken van de in aftrek gebrachte kosten. Vervolgens heeft verweerder eerst telefonisch en daarna bij brief van 5 februari 2014 eiser meegedeeld dat hij een boekenonderzoek wilde starten naar de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV 2010. Gelet op het hiervoor overwogene heeft eiser uit het opleggen van naheffingsaanslagen voor de loonbelasting en de omzetbelasting over 2010 dan ook niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat de administratie van het jaar 2010 wat betreft de IB/PVV ook is beoordeeld.

25. De conclusie is dan ook dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

Proceskosten

26. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. M.J.C. Pieterse, rechter, in tegenwoordigheid van
M. Brouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 31 maart 2016

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.