Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1715

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
05/780070-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:8716, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:2271, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een Apeldoornse moeder is veroordeeld voor moord op zoon en dochter. De vrouw wordt een gevangenisstraf van 9 jaar en tbs met dwangverpleging opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2016, afl. 3, p. 136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

team strafrecht

zittingsplaats Zutphen

parketnummer : 05/780070-13

datum uitspraak : 24 maart 2016

tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte 1],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de PI Zwolle, afdeling penitentiair psychiatrisch centrum.

Raadsman: mr. A.H.T. de Haas, advocaat te Harderwijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

10 december 2013, 7 maart 2014, 21 maart 2014, 16 mei 2014, 25 juli 2014, 14 oktober 2014,

6 januari 2015, 24 maart 2015, 22 april 2015, 16 juni 2015, 10 juli 2015, 1 september 2015,

24 november 2015, 16 februari 2016, 18 februari 2016 en 1 maart 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 02 oktober 2013, te Apeldoorn, (telkens) opzettelijk en met voorbedachten rade haar kind(eren) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte (telkens) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de keel en/of hals van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (door)gesneden en/of een of meerdere malen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met een mes gestoken en/of gesneden, althans getroffen en/of die [slachtoffer 2] in de borst, althans in het lichaam heeft gestoken, althans getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] zijn/is overleden.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Aanleiding onderzoek

Op 2 oktober 2013 heeft de politie in een woning aan de [adres 1] in Apeldoorn de levenloze lichamen van twee kinderen gevonden. Ook werd in de woning een gewonde vrouw, verdachte, aangetroffen. Zij bleek de moeder van de kinderen te zijn.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord op haar twee kinderen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de verklaringen van verdachte, afgelegd tijdens het eerste politieverhoor op 3 oktober 2013, buiten beschouwing te laten omdat op zijn minst kan worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid en dus bruikbaarheid van die verklaringen omdat verdachte op dat moment, door de invloed van medicatie, niet helder was.

Voorts heeft de verdediging bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van moord omdat de daarvoor vereiste voorbedachte raad niet kan worden bewezen, gelet op de aanwezigheid van zogeheten contra-indicaties voor voorbedachte raad. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte voldoende tijd voor reflectie heeft gehad.

Ook vanwege het ontbreken van opzet zou verdachte moeten worden vrijgesproken. Het is zeer aannemelijk dat zij in hoge mate door bijwerkingen van paroxetine niet weloverwogen heeft kunnen handelen. Gelet op de bevindingen van de geraadpleegde deskundigen is aannemelijk dat bij verdachte sprake is geweest van een toxische psychose, al dan niet gepaard gaand met acathisie, een serotoninesyndroom of een delier.

Beoordeling door de rechtbank

De situatie in de woning

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij op 2 oktober 2013 bij de woning aan de [adres 1] in Apeldoorn was. Agenten hebben de voordeur met behulp van een bonk geopend. Verbalisant zag een vrouw op de bank liggen. Zij had diverse snijverwondingen op haar linkeronderarm, maar ademde nog wel. Bij haar hoofd lag een mes, waar bloed aan zat. In de kinderslaapkamer op de begane grond zag verbalisant een aangepast kinderbed staan. In het bed lag een jongetje, op de rug, met het hoofd achterover. Verbalisant zag dat de jongen lijkwit was en niet meer ademde. Er is gezocht naar een meisje dat ook nog in de woning aanwezig moest zijn. Agent [verbalisant 2] zag in de woonkamer een aantal dekens liggen. Hij gaf aan dat het meisje onder de deken lag en dat haar keel was doorgesneden. Verbalisant zag het meisje op de grond liggen, met een doek half over haar gezicht. Verbalisant zag dat ze niet meer ademde en lijkwit zag.2

Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij in de slaapkamer op de begane grond een bed zag met daarin een persoon onder de dekens. Onder een klein handdoekje zag verbalisant een vorm van een hoofd. Hij heeft het handdoekje opgetild en zag dat het gezicht van een jongetje was afgedekt. Er zat een flinke horizontale snee in de nek van het jongetje. Beide ogen van het jongetje waren dicht en hij had een zeer bleke huid.

In de woonkamer zag verbalisant een speelkleed, deels bedekt met een ander kleed. Aan het eind van dit kleed lag een klein handdoekje. Verbalisant heeft het handdoekje opgetild en zag het gezicht van een meisje. Ook zij had een horizontale snee op haar keel. Het meisje was zeer bleek.3

Verklaringen verdachte

Verdachte heeft verklaard op 2 oktober 2013 een grote hoeveelheid tabletten paroxetine te hebben ingenomen en een 8 à 10-tal pufs Midazolam. Uit onderzoek dat het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft uitgevoerd naar op 2 oktober 2013 om 14:54 uur bij verdachte afgenomen bloed, blijkt dat de concentratie paroxetine op dat moment 0,26 mg/l was. De gebruikelijke therapeutische concentraties van paroxetine in bloed liggen in het algemeen tussen de 0,07 en 0,20 mg/l. Prof. Loonen heeft ter zitting van 18 februari 2016 verklaard dat deze overdosis na ongeveer 50 uur geëlimineerd zou moeten zijn. De verhoren die in die periode hebben plaatsgevonden zijn volgens prof. Loonen niet zo betrouwbaar, omdat er veel cognitieve defecten zijn te verwachten. De rechtbank stelt vast dat het eerste verhoor bij de politie op 3 oktober 2013, en dus binnen deze tijdspanne van 50 uur, heeft plaatsgevonden. Daarom zal de rechtbank de verklaringen van verdachte, afgelegd tijdens dit eerste verhoor, niet voor het bewijs gebruiken. De daarna door verdachte afgelegde verklaringen zullen wel bij de beoordeling worden betrokken.

Verdachte heeft verklaard dat zij op een zeker moment naar de keuken is gegaan en een zelfslijpend mes, in de bijbehorende hoes, uit de la in de keuken heeft gepakt.4 Zij nam het mes mee en liep langs de eettafel naar het kleed in de woonkamer waar [slachtoffer 2] zat te spelen. Toen ze bij [slachtoffer 2] en het kleed kwam, heeft ze de hoes van het mes gehaald en heeft ze [slachtoffer 2] van het leven beroofd. Verdachte heeft het mes op de keel van [slachtoffer 2] gezet, op de hals, en haar gesneden. Daarna is verdachte van [slachtoffer 2] weggelopen en is ze met het mes in handen naar het bed van [slachtoffer 1] gelopen. Toen heeft zij het mes op de keel van [slachtoffer 1] gezet en ook bij hem gesneden.5

Vervolgens is zij naar de bank gelopen en heeft ze zichzelf verwond aan haar pols, linkeronderarm en buik. Ze is naar de keuken gelopen en heeft paroxetine en midazolam gepakt. Even later is ze naar de kamer van [slachtoffer 1] gelopen en heeft een doekje gepakt en dat over zijn ogen gelegd. Toen zag ze dat hij was overleden. Zijn lippen waren helemaal wit en hij ademde niet. Daarna is zij naar [slachtoffer 2] gelopen en heeft een deken over haar heen gelegd. Ook heeft ze een doekje over de ogen van [slachtoffer 2] gelegd.6 Verdachte zag aan haar witte lippen en omdat ze niet meer bewoog dat [slachtoffer 2] ook was overleden was.7

Onderzoek naar de doodsoorzaak van de kinderen

Op 22 november 2013 heeft het NFI een rapport uitgebracht over het pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van [slachtoffer 1] . Bij sectie was er voor aan de hals als gevolg van bij leven opgelopen scherprandig klievend geweld een grote snee reikend tot op de halswervelkolom. Daarbij waren beiderzijds enkele halswervels oppervlakkig gekerfd. In de diepte waren de luchtpijp en de slokdarm doorgesneden en was de linker halsslagader gekliefd. Er was in de huid van de hals rechts zijwaarts een flapje en in het midden en links zijwaarts waren er gerelateerde kerfjes in de huid. Dit kan passen bij ten minste eenmalig een heen‑en‑weergaande snijbeweging. Er was weinig bloed in de luchtwegen ingeademd. De snijwond is veroorzaakt door snijden met een scherp (snijdend) voorwerp zoals een mes. Het overlijden wordt door het massale bloedverlies zondermeer verklaard. De conclusie is dat [slachtoffer 1] , 8 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van verbloeding door bij leven opgelopen scherprandig klievend geweld (snijwond) aan de hals.8

Het NFI heeft op 22 november 2013 ook een rapport uitgebracht over het pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van [slachtoffer 2] . In het rapport zijn de volgende conclusies opgenomen. Er waren als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend scherprandig klievend geweld aan de hals in elkaar overlopende snijwonden veroorzaakt door snijden met een scherp snijdend voorwerp zoals een mes. Gezien de gerelateerde huidflapjes passend bij ten minste één of tweemaal een heen‑en‑weergaande snijbeweging. De verwondingen waren zeer diep met klieven van alle weke delen tot op de halswervelkolom. Er waren geen grote bloedvaten geraakt maar het grote wondbed kan tot zeer ernstig levensbedreigend bloedverlies hebben geleid. Als gevolg van een bij leven opgelopen steekwond linksboven aan de borst was er perforatie van de linkerborstholte en de linkerlong. Er was daarbij veel bloed verloren. De steekwond past bij steken met een scherp en puntig voorwerp zoals een mes. De torpedovorm van de verwonding in de huid past bij steken met een eenzijdig snijdend mes. Er waren nog twee oppervlakkige bij leven opgelopen perforaties aan de borstkas links passend bij steken met een scherp puntig voorwerp zoals een mes. De perforatie van de borstkas en de linkerlong hebben tot fors uitwendig bloedverlies en functieverlies van de linkerlong met weefselschade aanleiding gegeven en hebben zodoende aan het overlijden bijgedragen. Geconcludeerd is dat [slachtoffer 2] , 6 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van verbloeding en algehele weefselschade door meermalen bij leven opgelopen scherprandig klievend en perforerend geweld (snij- en steekletsels) op het lichaam.9

Tussenconclusie van de rechtbank

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 2 oktober 2013 in Apeldoorn van het leven heeft beroofd door hen de keel door te snijden en [slachtoffer 2] ook in de borst te steken.

Het gebruik van paroxetine door verdachte

De rechtbank stelt vast dat aan verdachte paroxetine was voorgeschreven in een dosis van eenmaal daags 20 mg.10 Door de apotheek zijn verpakkingen met 30 stuks paroxetine 20 mg op naam van verdachte verstrekt.11

Door de verdediging is naar voren gebracht dat verdachte de medicatie onregelmatig heeft ingenomen. Ook prof. Loonen heeft in zijn rapport van 31 januari 2015 geconcludeerd dat verdachte paroxetine in een ruime periode vóór 2 oktober 2013 onregelmatig moet hebben gebruikt, gemiddeld in ieder geval minder dan eenmaal daags 20 mg. Ter zitting van 18 februari 2016 heeft prof. Loonen aangegeven dat uiteraard niet precies te achterhalen is hoe dat is gegaan. Hij heeft nog wel gewezen op de omstandigheid dat verdachte, toen zij in de penitentiaire inrichting een lagere dosis paroxetine ontving, geen ontwenningsverschijnselen kreeg. Volgens prof. Loonen geeft een lagere dosis, zoals een halve dosis, meestal ontwenningsverschijnselen, al valt in de geneeskunde niets met 100% zekerheid te zeggen.

Verdachte zelf heeft in een gesprek met psychiater Boerboom en psycholoog Koudstaal op 7 februari 2014 aangegeven dat zij in de periode tussen begin augustus (de rechtbank begrijpt augustus 2013) en 2 oktober 2013 drie keer per week een dubbele dosis heeft ingenomen. Ter zitting van 16 februari 2016 heeft verdachte, na confrontatie met deze verklaring en de conclusie van prof. Loonen in zijn rapportage van 31 januari 2015 dat dit niet zo kan zijn geweest gelet op de hoeveelheid pillen die zij tot haar beschikking had, verklaard dat zij eigenlijk niet meer weet hoe het precies is gegaan, maar dat het niet zo was dat zij bewust twee pillen op een dag nam. Zij weet wel dat zij één keer een dubbele dosis heeft genomen en dat zij één keer is vergeten een pil in te nemen. De stelling van verdachte dat zij tijdens haar vakantie eind juli/begin augustus 2013 zonder medicatie is komen te zitten en vervolgens ook thuis nog een aantal dagen zonder medicatie is geweest, wordt weersproken door de conclusies die getrokken kunnen worden uit de afleverhistorie van de apotheek. Verdachte heeft aangegeven alle pillen zelf te hebben gebruikt, in die zin dat ze geen pillen heeft weggegooid of aan iemand anders heeft gegeven.

De rechtbank overweegt dat er met betrekking tot het al dan niet regelmatig, in de zin van volgens voorschrift, innemen van paroxetine door verdachte geen nadere objectieve informatie beschikbaar is. De afleverhistorie van de apotheek biedt weliswaar enige indicatie voor het innemen, maar zegt feitelijk alleen iets over het moment waarop medicatie werd afgehaald en niets over het daadwerkelijk innemen daarvan door verdachte. De verklaringen van verdachte over het gebruik van paroxetine zijn dusdanig wisselend en inconsistent, dan wel aantoonbaar onjuist, dat daaraan geen conclusies kunnen worden verbonden. De rechtbank kan dan ook niet met voldoende zekerheid vaststellen dat er sprake is geweest van onregelmatig gebruik van paroxetine door verdachte. De enkele omstandigheid dat verdachte na het halveren van de dosis in de penitentiaire inrichting geen ontwenningsverschijnselen kreeg, zoals prof. Loonen heeft aangegeven, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank nog niet de conclusie dat in de periode voorafgaand aan het delict sprake moet zijn geweest van het door de verdediging gesuggereerde onregelmatige gebruik. De rechtbank weegt hierbij mee dat volgens prof. Loonen niet altijd ontwenningsverschijnselen optreden bij halvering van de dosis en de inname van een grote hoeveelheid pillen op 2 oktober 2013 het beeld ook zal hebben gewijzigd.

De bijwerkingen van paroxetine

De rechtbank overweegt dat paroxetine diverse bijwerkingen kan hebben, zoals die zijn vermeld op pagina 9 van het rapport van prof. Loonen van 31 januari 2015. In datzelfde rapport heeft deze deskundige opgemerkt dat, hoewel niet bewezen is dat het gebruik van een selectieve serotonine heropname remmer, SSRI, zoals paroxetine, aanleiding kan geven tot het optreden van een agressie-incident, dat verband wel mogelijk en zelfs plausibel is. Van SSRI’s zijn therapeutische effecten te verwachten, maar ook ontregelingen tijdens de beginfase van het innemen ervan of als onthoudingsverschijnsel. De kans op het optreden van ernstig geweld (suïcide, homocide) door het gebruik van antidepressiva moet echter uiterst klein worden geacht.

Meer specifiek gericht op verdachte heeft prof. Loonen in zijn rapport aangegeven dat het verminderde en onregelmatige gebruik van paroxetine kan leiden tot een serotoninesyndroom, onthoudingsverschijnselen, suïcidaliteit en een hallucinose. Indien wordt uitgegaan van het gebruik van een dosis van 40 mg op de vroege ochtend van 2 oktober 2013, kan ook sprake zijn van agressie in het kader van serotonerge toxiciteit (in de vorm van bijvoorbeeld een serotoninesyndroom). De kans daarop wordt vergroot door het onregelmatige gebruik tijdens de voorliggende periode. Duidelijk moet zijn dat er hoogstwaarschijnlijk geen sprake was van een monocausaal verband met het paroxetinegebruik, aldus prof. Loonen. De klachten van verdachte tijdens de periode voor en de abrupte suïcidaliteit op 2 oktober 2013 hangen vermoedelijk ook samen met haar psychische gesteldheid op dat moment.

Verdachte heeft in een gesprek met prof. Loonen op 12 januari 2015 aangegeven in de periode augustus-september 2013 last te hebben gehad van voortdurende duizeligheid, angst, somberheid, stemmingswisselingen, veel huilen en niet stil kunnen zitten. Dat laatste zat vooral tussen de oren en niet zozeer in de benen. Verdachte moest steeds dingen doen en vond geen rust. Zij zat voortdurend te frunniken en te wiebelen. Ook is zij een keer flauwgevallen en een keer van de trap gevallen. Ter zitting van 18 februari 2016 is door prof. Loonen uiteengezet dat het gevoel van gedrevenheid om in beweging te komen, dat past bij acathisie, door verdachte niet is bevestigd.

Prof. Loonen heeft in zijn rapport van 31 januari 2015 in antwoord op de vraag hoe waarschijnlijk hij het acht dat bij verdachte op 2 oktober 2013 sprake is geweest van bijwerkingen van paroxetine, aangegeven dat hij het waarschijnlijk acht dat er sprake was van onthoudingsverschijnselen op basis van de door verdachte beschreven klachten en fenomenen aan/door diverse derden en het ontbreken van een sterke reactie op de dosisverlaging ná 2 oktober 2013. Op de vraag hoe waarschijnlijk hij het acht dat deze eventuele bijwerkingen het gedrag van verdachte in het bijzonder op 2 oktober 2013 hebben beïnvloed, heeft hij geantwoord, op basis van toepassing van het schema van Naranjo bij het meest waarschijnlijke gebruik van paroxetine en de beperkte rol van een depressie als onafhankelijke factor bij het ontstaan van het delictgedrag, dat hij het waarschijnlijk acht – in de zin van een kansverhouding van ongeveer 2:3 – dat het paroxetinegebruik een mede-causale rol heeft gespeeld bij het delictgedrag. In antwoord op de vraag in welke mate factoren als bijvoorbeeld vermoeidheid en hectiek uit omgevingsfactoren een rol hebben gespeeld, heeft prof. Loonen geantwoord dat die een belangrijke rol speelden. In de brief van 6 augustus 2015 heeft prof. Loonen aangegeven dat niet is gedocumenteerd dat paroxetine ook bij een stabiele dosering aanleiding kan geven tot agressie-incidenten en dat een depressie als voorwaardenscheppende omstandigheid dan onzeker is. Bij het ontbreken van destabilisatie door het veranderen van de dosis paroxetine wordt de psychische gesteldheid als factor die het delictgedrag beïnvloedde waarschijnlijker.

Ter zitting van 18 februari 2016 heeft prof. Loonen in dit verband nader verklaard dat hij geen antwoord kan geven op de vraag of de psychische toestand van verdachte is verergerd door de paroxetine of dat dit los van het gebruik van paroxetine is gebeurd. Gelet op de loop van de gebeurtenissen is er wel een redelijke kans dat het (onregelmatige) gebruik van paroxetine een mede-causale rol heeft gespeeld. Als er alleen sprake is geweest van moeheid en traag op gang komen, is de kans kleiner dat de medicatie een rol heeft gespeeld. Die klachten kunnen overal door komen, aldus prof. Loonen.

Prof. Van Schaik heeft ter zitting van 18 februari 2016 uiteengezet dat verdachte verminderde CYP2D6‑activiteit heeft en dat dat kan leiden tot hogere paroxetinespiegels. Iemand met dat enzym met verminderd actieve allelen kan bijvoorbeeld de werkzame stof in paroxetine minder goed omzetten in de lever. Volgens prof. Van Schaik is het de vraag of een hogere paroxetinespiegel tot een verhoogde kans op agressie leidt. Dat vraagstuk valt niet onder zijn expertise. Er is wel een hogere kans op bijwerkingen, maar prof. Van Schaik weet niet of agressie daar bij hoort.

In zijn brief van 21 augustus 2015 aan de rechter-commissaris heeft prof. Van Schaik desgevraagd aangegeven dat niet kan worden uitgesloten of bevestigd dat juist personen met genetische varianten gewelddadig worden. Daarvoor is onvoldoende bewijs voorhanden.

Prof. Gøtzsche heeft de rapporten van prof. Loonen van 31 januari 2015 en 6 augustus 2015 onderzocht als bedoeld in artikel 230, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hij heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 2 februari 2016. Prof. Gøtzsche heeft aangegeven dat de door prof. Loonen in verband met verdachte gerapporteerde symptomen duiden op acathisie, veroorzaakt door haar paroxetinegebruik. Prof. Gøtzsche heeft geconcludeerd dat hij niet kan bewijzen dat het waarschijnlijk is dat de delicten niet zouden zijn gebeurd als verdachte geen paroxetine had gebruikt, maar hij acht het zeer waarschijnlijk. Ter zitting van 18 februari 2016 heeft prof. Gøtzsche aangegeven dat er zijns inziens geen monocausaal verband bestaat tussen het gebruik van paroxetine en de gedragingen van verdachte.

Boerboom, de psychiater die verdachte heeft gesproken in november en december 2013, heeft ter zitting van 18 februari 2016 verklaard dat verdachte zelf niet heeft aangegeven dat ze geen rust had en steeds dingen moest doen. Op basis van de anamnese is Boerboom van mening dat de kans op agressie als bijwerking nihil is. Verdachte heeft waarschijnlijk geen acathisie gehad. Boerboom heeft ter zitting geconcludeerd dat het een multi‑causale kwestie is: er is sprake van Nonverbal Learning Disabilities (een informatieverwerkingsstoornis, hierna: NLD), een beneden gemiddelde intelligentie en psychosociale stress met een aanpassingsstoornis. Wat er op het moment zelf is gebeurd, weten we niet, aldus Boerboom.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid enig verband aanwezig kan zijn tussen het gebruik van een middel als paroxetine en agressie. Beoordeeld moet worden hoe dat theoretische uitgangspunt zich vertaalt naar de zaak van verdachte.

Er zijn diverse rapporten uitgebracht en ter zitting van 18 februari 2016 zijn er meerdere deskundigen gehoord. De gemene deler van deze rapporten is dat niet geconcludeerd kan worden dat er een monocausaal verband is tussen het gebruik van paroxetine door verdachte en de gebeurtenissen op 2 oktober 2013. De deskundigen prof. Loonen, prof. Gøtzsche en Boerboom geven alledrie aan dat er hooguit een mede-causaal verband tussen dat gebruik en die gebeurtenissen kan zijn geweest. De rechtbank overweegt hierbij nog dat prof. Loonen uitgaat van onregelmatig gebruik van paroxetine door verdachte. Ook prof. Gøtzsche, die bij het opstellen van zijn rapport enkel beschikte over de rapporten van prof. Loonen, heeft aangegeven dat er indirect bewijs is dat verdachte paroxetine niet regelmatig heeft gebruikt. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen is dat een uitgangspunt waarvan de feitelijke onderbouwing niet met voldoende zekerheid uit de processtukken naar voren komt. De rechtbank begrijpt prof. Loonen zo dat als er in dit geval geen sprake is geweest van onregelmatig gebruik, de kans op agressie kleiner en de rol van de psychische gesteldheid van verdachte op dat moment groter wordt.

De huisarts van verdachte heeft bijwerkingen van paroxetine bij verdachte beschreven en ook als zodanig benoemd: gapen, transpireren en moeheid. Dit heeft echter betrekking op de situatie medio 2008, toen verdachte voor het eerst paroxetine ging slikken, en op de eerste maand van het gebruik van het middel. Verdachte heeft in 2013 met psycholoog Brouwer besproken dat zij veel moest huilen en niet tegen de onmacht kon. Ook heeft zij op 30 september 2013 een sms verzonden aan haar toenmalige leidinggevende waarin ze melding maakt van vermoeidheid en huilen. Tijdens het gesprek met prof. Loonen, dat op 12 januari 2015 heeft plaatsgevonden, heeft verdachte een aantal klachten beschreven, die zij in de periode augustus/september 2013 zou hebben gehad. De rechtbank acht deze verklaring minder relevant. De verdediging heeft vanaf het voorjaar van 2014 gewezen op het gebruik van paroxetine door verdachte en de mogelijke bijwerkingen van dat middel, waaronder acathisie. De rechtbank hecht mede daarom meer waarde aan de verklaringen van een aantal getuigen uit de directe omgeving van verdachte, die hebben verklaard dat verdachte in de periode vlak vóór 2 oktober 2013 niet goed in haar vel zat en moe en lusteloos was. Maar dat deze klachten daadwerkelijk bijwerkingen van paroxetine zijn geweest, blijkt de rechtbank niet ergens uit.

De rechtbank acht dan ook niet aannemelijk geworden dat verdachte heeft gehandeld onder invloed van (de bijwerkingen van) paroxetine. Dat zij zich op 2 oktober 2013 niet goed voelde, betekent nog niet dat haar handelingen zijn voortgekomen uit een toxische psychose, al dan niet gepaard gaand met acathisie, een serotoninesyndroom of een delier, zoals de verdediging heeft bepleit.

Gelet op het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat het gebruik van paroxetine bij de tenlastegelegde gedragingen een rol van betekenis heeft gespeeld, acht de rechtbank een contra-expertise door prof. Gøtzsche niet noodzakelijk.

De conclusie over het gebruik van paroxetine werkt door in de beoordeling van opzet, voorbedachte raad en toerekeningsvatbaarheid.

Opzet

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van opzet op het van het leven beroven van haar kinderen door verdachte. De rechtbank trekt deze conclusie uit de feitelijke gedragingen van verdachte die het intreden van de dood van haar kinderen hebben bewerkstelligd. Redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij heeft beseft dat het doorsnijden van de keel van haar kinderen de dood van deze kinderen zou doen intreden.

De rechtbank overweegt dat een psychische stoornis slechts dan aan een bewezenverklaring van opzet in de weg staat, indien bij verdachte ten tijde van haar handelen ieder inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. De rechtbank is van oordeel dat de door psychiater Boerboom en psycholoog Koudstaal over verdachte opgestelde rapportages en het verhandelde ter terechtzitting geen aanknopingspunten bieden om een dergelijke uitzonderingssituatie hier aanwezig te achten. De rechtbank betrekt hierbij ook dat verdachte voorafgaand aan het plegen van de feiten enkele beslissingen heeft genomen die als rationeel kunnen worden aangemerkt, waarbij de rechtbank wijst op het op slot doen van deuren, het sluiten van gordijnen en het schrijven van de afscheidsbrief. De rechtbank is van oordeel dat bij verdachte niet ieder inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. ECLI:NL:HR:2015:1249) komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat de verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechtbank er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in wat er vóór en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan.

De rechtbank stelt vast dat verdachte geen verklaringen heeft afgelegd over wat er zich op 2 oktober 2013 in haar hoofd heeft afgespeeld of over het waarom van haar daden. Zij heeft beschreven in een ‘modus van waan’ te hebben verkeerd en op de automatische piloot te hebben gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit niet dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling of in een plotselinge hevige drift.

De rechtbank overweegt dat verdachte heeft verklaard over haar handelingen voorafgaand aan het tenlastegelegde feit. Zo is zij, toen de kinderthuiszorg weg was, naar het toilet gegaan en heeft zij daarna de voordeur op slot gedaan. De achterdeuren waren al op slot, dat heeft zij gecontroleerd. Verdachte deed, anders dan normaal, ook het penslot op de voordeur. Daarna deed ze het gordijn bij de voordeur dicht.12 De andere gordijnen waren ook dicht.13

Verdachte heeft voorts verklaard dat de gordijnen in de huiskamer bij de bank dicht waren gebleven die ochtend. Dit komt niet overeen met de waarnemingen van diverse getuigen. [getuige 1] , werkzaam bij VTE Kinderthuiszorg, die op de ochtend van 2 oktober 2013 in de woning was, heeft verklaard dat de gordijnen open waren toen zij wegging en dat verdachte en [slachtoffer 2] haar uitzwaaiden, [slachtoffer 2] vanaf de bank.14 [getuige 2] , woonachtig aan de [adres 2] , heeft verklaard dat de gordijnen omstreeks 8.30 uur open waren en dat zij rond 9.30 uur dicht waren.15 Voor het overige komt de verklaring van verdachte overeen met de verklaringen van enkele getuigen. [getuige 3] , woonachtig aan de [adres 3] , heeft verklaard dat de rolgordijnen op 2 oktober 2013 omstreeks 9:45 uur helemaal dicht waren, tot op de vensterbank.16 [getuige 4] kwam op 2 oktober 2013 omstreeks 13:20 uur bij de woning en zag dat de gordijnen, de rolgordijnen en ook het gordijn bij de voordeur, gesloten waren. Zij heeft geprobeerd de voordeur te openen, maar dat lukte niet. De knip zat er aan de binnenkant nog op. Ook aan de achterzijde van de woning was alles hermetisch afgesloten. Alle gordijnen, beneden en boven, waren dicht.17

Op de eettafel werd door verbalisant [verbalisant 2] een brief aangetroffen.18 De tekst van die brief luidt: ‘Ik zag geen uitweg meer. Ik wilde niet meer verder. Ik vond het leven moeilijk. Te moeilijk. Te pijnlijk. Ik zag geen geluk meer. Ik vond het leven te zwaar. Vaarwel. [verdachte 2] .’19 Verdachte heeft verklaard zich te herinneren dat ze deze brief heeft geschreven. Het komt over als een afscheidsbrief, aldus verdachte.20

Verdachte is met het mes in de hoes van de keuken naar de woonkamer gelopen en heeft –alvorens tot haar daden te komen – het mes uit de hoes moeten halen. Vervolgens zet zij na het doden van [slachtoffer 2] haar weg voort richting [slachtoffer 1] . De rechtbank concludeert hieruit dat de handelingen zich gefaseerd hebben voltrokken, wat eveneens niet op een handelen in een plotselinge opwelling duidt.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het op slot doen van de voordeur en het controleren of de achterdeuren op slot waren, het dichtdoen van de gordijnen, het schrijven van de afscheidsbrief en het met het mes (deels in de hoes) afgelegde traject dat verdachte gelegenheid heeft gehad na te denken over de consequenties van het te nemen of al genomen besluit. Voor de rechtbank is hierbij met name het schrijven van de brief van belang. Verdachte is, zo heeft zij verklaard, aan tafel gaan zitten en heeft daar de brief geschreven.21 Zeker op dat moment, zittend aan tafel, heeft zij voldoende tijd en gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Dat bij verdachte niet alleen het voornemen bestond zichzelf van het leven te beroven, maar ook haar kinderen om het leven te brengen, leidt de rechtbank af uit het vervolg van de direct aansluitende handelingen van verdachte. Overigens is het onaannemelijk dat verdachte het voornemen zou hebben gehad enkel zichzelf van het leven te beroven op een dag dat zij samen met haar beide, van haar zorg afhankelijke, kinderen thuis was of dat als dit voornemen daar op dat moment zou zijn ontstaan, zij dat op die plek zou uitvoeren. Van contra-indicaties die het bewezen verklaren van voorbedachte raad in de weg staan is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank weegt hierbij ook mee dat verdachte niet heeft verklaard dat haar handelingen voorafgaand aan de feiten een andere reden of een ander doel hadden.

Conclusie van de rechtbank

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad heeft gehandeld.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 02 oktober 2013, te Apeldoorn, (telkens) opzettelijk en met voorbedachten rade haar kind(eren) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte (telkens) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de keel en/of hals van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (door)gesneden en/of een of meerdere malen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met een mes gestoken en/of gesneden,

althans getroffen en/of die [slachtoffer 2] in de borst, althans in het lichaam heeft gestoken, althans getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] zijn/is overleden.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

moord, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van verdachte

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat zij als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Verdachte had door de ernstige bijwerkingen van paroxetinegebruik niet meer de controle over wat zij deed.

Psychiater Boerboom en psycholoog Koudstaal hebben een multidisciplinair gedragsdeskundig tripel-onderzoek uitgevoerd en daarvan verslag gedaan (in samenwerking met A. Janischka, milieurapporteur) in hun rapport van 7 februari 2014. Daarnaast hebben zij in een brief van 12 mei 2014 aan de rechter-commissaris en in een verslag van een aanvullend gedragskundig onderzoek van 17 december 2015 nader gerapporteerd.

In het rapport van 7 februari 2014 is geconcludeerd dat verdachte een aanpassingsstoornis met gemengde stoornis van emoties en gedrag heeft en dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en NLD. De aanpassingsstoornis komt voort uit de zwakbegaafdheid en NLD, doordat verdachte onvoldoende copingvaardigheden heeft om met de opeenstapeling van externe factoren om te gaan. In het aanvullende rapport van 17 december 2015 is de zwakbegaafdheid als conclusie komen te vervallen. Wel is er sprake van een laaggemiddeld intelligentieniveau. In dit rapport is verder aangegeven dat de in februari 2014 beschreven dynamiek die leidde tot de verminderde tot sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid blijft bestaan. Hierop is nader ingegaan in de brief van 12 mei 2014 aan de rechter-commissaris. Daarin staat dat de bij verdachte geconstateerde problematiek haar beperkt in haar vermogen tot aanpassing en adequate coping. De problemen groeiden haar boven het hoofd en leidden tot wanhoop, suïcidaliteit en innerlijke ontregeling. Verdachte heeft een aanpassingsstoornis ontwikkeld. Volgens de gedragsdeskundigen is verdachte daardoor verminderd toerekeningsvatbaarheid te achten, omdat zij door haar stoornissen zeer beperkt is in haar gedragsalternatieven. In haar gemoedstoestand kort vóór en ten tijde van het tenlastegelegde, geeft verdachte geen inzicht. In theorie is het mogelijk dat zij is overvallen door langdurig ontkende en weggedrukte gevoelens van woede en agressie en dat die gevoelens aan de basis van haar gedrag hebben gelegen (in de zin van een impulsdoorbraak). In dat geval zou de toerekeningsvatbaarheid als sterk verminderd aangemerkt moeten worden. Een tweede mogelijkheid is dat verdachte minder is overvallen en dat er een zekere planning aan haar handelen vooraf is gegaan. De dromen vooraf geven hiervoor enige indicatie, evenals het systematisch buitensluiten van de buitenwereld kort vóór het tenlastegelegde. Indien dit laatste het geval is geweest, blijft overeind dat zij verminderd toerekeningsvatbaar is voor het ontstaan van de situatie waaruit zij geen uitweg wist, maar kan niet uitgesloten worden dat zij rond het tenlastegelegde enkele bewuste keuzes heeft gemaakt.

In het aanvullende rapport van 17 december 2015 is nog aangegeven dat een mogelijk effect van paroxetine de toerekeningsvatbaarheid meer op zou doen schuiven naar sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte strafbaar is. Anders dan de verdediging heeft bepleit, is er geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit. Zoals al eerder is overwogen, kan de rechtbank geen conclusies verbinden aan het gebruik van paroxetine door verdachte, (dus) ook niet in het kader van de beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid. Naar het oordeel van de rechtbank moet verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar worden aangemerkt. Dat er sprake is geweest van een impulsdoorbraak acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Hierbij is van belang dat verdachte, om de woorden van Boerboom en Koudstaal te gebruiken, enkele bewuste keuzes heeft gemaakt voorafgaand aan de bewezen verklaarde gedragingen, zoals het uitsluiten van de buitenwereld (door het sluiten van deuren en gordijnen) en het schrijven van een afscheidsbrief.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaar en TBS met dwangverpleging.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de (lange) termijn van berechting in eerste aanleg en de omstandigheid dat verdachte in die periode zonder behandeling in voorlopige hechtenis heeft verbleven, mee te wegen. Verder heeft de verdediging gesteld dat de maatregel van TBS, in welke vorm dan ook, niet aan de orde kan zijn. Er wordt niet voldaan aan het gevaarscriterium. Bovendien is het recidiverisico volgens de verdediging zowel op de korte termijn als de lange termijn, klein. Een TBS-maatregel is niet noodzakelijk en ook niet opportuun.

De verdediging heeft geconcludeerd dat bij een veroordeling zou kunnen worden volstaan met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar, waarbij het onvoorwaardelijke strafdeel van gelijke duur is aan de reeds ondergane preventieve hechtenis. Wat betreft de voorwaarden die aan het voorwaardelijke strafdeel zouden moeten worden gekoppeld, zou aansluiting gezocht kunnen worden bij de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering in het advies van 7 januari 2016, met uitzondering van de verplichting om medicatie te gebruiken.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de moord op haar twee kinderen. Twee jonge kinderen zijn niet meer in leven door toedoen van hun moeder. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] mochten er op vertrouwen dat ze veilig waren bij verdachte, dat zij voor hen zou zorgen en dat zij hen zou beschermen. Verdachte heeft haar kinderen op gewelddadige wijze om het leven gebracht. Wat zich precies heeft afgespeeld in het hoofd van verdachte is niet duidelijk geworden, wel dat zij zichzelf ook van het leven wilde beroven. Dat verdachte verder moet na dit drama en dat haar kinderen niet meer in leven zijn, zal de rest van haar leven een bijna niet voor te stellen psychische last zijn. Verdachte heeft aan de vader, grootouders, tantes, ooms, nichtjes en neefjes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onnoemelijk veel en onherstelbaar leed toegebracht.

De gebeurtenis van 2 oktober 2013 heeft ook zijn weerslag op vrienden en vriendinnen, buren, klasgenoten en de bij de zorg voor [slachtoffer 1] betrokken personen. De gewelddadige dood van twee jonge kinderen door de hand van hun moeder heeft daarnaast de maatschappij in het algemeen zeer geschokt.

In het aanvullende rapport van 17 december 2015 hebben psychiater Boerboom en psycholoog Koudstaal aangegeven dat de conclusies van 2014 nog steeds geldig zijn wat betreft risicotaxatie, behandeladvies en juridisch kader voor een behandeling. Over de risicotaxatie is nog aangegeven dat verdachte weinig tot geen probleeminzicht heeft en onvoldoende bij machte is om op zichzelf (of anderen) te reflecteren. Er zijn beperkingen in de sociale en relationele vaardigheden. Verdachte erkent (globaal) de feiten, maar geeft geen inzicht in de motieven en overwegingen daarbij. Zij schrijft het ontstaan van haar gedrag eenzijdig toe aan de bijwerking van de medicatie. Geconcludeerd wordt tot een laag tot matig risico op herhaling in gewelddadig gedrag.

In het rapport van 7 februari 2014 is geconcludeerd dat de kans op recidive op korte termijn klein is, maar op de lange termijn matig (waarbij de aard van het dan vertoonde delict als zeer ernstig moet worden ingeschat). Daarom is een lang behandel- en begeleidingstraject geïndiceerd. Gezien de ernst van de feiten, de ernst van de stoornissen, de evidente samenhang tussen de stoornissen en de feiten, het gebrek aan probleembesef en -inzicht bij verdachte (en haar omgeving) en het gevaar op ernstige recidive op langere termijn, is behandeling in een TBS‑kader is geïndiceerd. Er wordt geadviseerd TBS met voorwaarden op te leggen, mits deze maatregel aanvangt met een klinische fase waarin aanvankelijk ook in systeemverband gewerkt wordt aan probleembesef en -inzicht.

Boerboom en Koudstaal hebben in hun brief aan de rechter-commissaris van 12 mei 2014 aangegeven dat de bij verdachte geconstateerde stoornissen binnen de maximale duur van een TBS met voorwaarden behandeld kunnen worden. De behandeling dient zich te richten op het verkrijgen van inzicht en acceptatie in de blijvende beperkingen (bij zowel verdachte als haar netwerk) en op het ontwikkelen van vaardigheden en beschermende factoren voor de toekomst. De problematiek van verdachte is tot nu toe niet door haar of haar naasten onderkend. Door verdachte geleidelijk meer zelfstandig te laten functioneren, zonder dat zij wordt ingebed in overdreven steun en zorg vanuit haar netwerk, ontstaan vanzelf confrontaties met haar onvermogen en kan zij geholpen worden deze onder ogen te zien. Op voorhand is niet te voorspellen of verdachte echt in staat zal blijken deze ontwikkeling aan te gaan. Evenmin is duidelijk in welke mate zij nog in staat is haar vaardigheden uit te breiden en welke mate van zelfstandigheid voor haar uiteindelijk haalbaar zal zijn.

Ter zitting van 18 februari 2016 heeft Koudstaal toegelicht waarom een TBS met voorwaarden wordt geadviseerd als het recidiverisico op korte termijn laag en op middellange termijn matig is. Van belang is dat als het misgaat, het ook goed mis kan gaan. Op dit moment leeft verdachte niet in een gezinssituatie en is het risico daarom klein. Maar dat ligt anders als zij zich weer bevindt in een situatie die vergelijkbaar is met die ten tijde van het tenlastegelegde. Als verdachte omringd is door mensen met wie zij een nauwe band heeft, zoals kinderen of stiefkinderen, en zij raakt overbelast, dan ontstaat er een recidiverisico, aldus Koudstaal.

De reclassering heeft meerdere rapporten over verdachte uitgebracht, bij brieven van 4 oktober 2013, 14 november 2013, 20 februari 2014, 23 april 2014, 11 juli 2014, 26 september 2014 en

7 januari 2016. Daarin is het volgende vermeld. In de periode voor 2 oktober 2013 raakte verdachte overbelast en kon zij de zorg voor de kinderen en zichzelf niet meer aan. Ze besefte steeds meer wat de impact was van de sombere prognose van haar zoon, haar dochter was haar eerste stappen aan het zetten tot separatie, hetgeen zij moeilijk vond, en er ontstonden problemen in de partnerrelatie. Het besef dat haar leven niet voldeed aan haar ideale toekomstbeeld, maakte verdachte wanhopig, wat leidde tot suïcidegedachten. Verdachte zegt spijt te hebben. Zij wil meewerken aan een klinische behandeling. De ingeschatte duur van de behandeling is minimaal 12 maanden en maximaal 18 maanden. De reclassering staat positief tegenover het begeleiden van verdachte in het kader van een TBS met voorwaarden. Na een indicatiestelling op 25 februari 2014 is verdachte aangemeld bij FPA De Boog in Warnsveld. Die instelling is bereid verdachte op te nemen en te behandelen. In het rapport van 7 januari 2016 zijn de voorwaarden die gekoppeld zouden kunnen worden aan de maatregel van TBS met voorwaarden opgenomen.

De rechtbank houdt verder rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, haar blanco strafblad en met de duur van de strafzaak.

De rechtbank zal zich allereerst uitlaten over de vraag of de maatregel van TBS moet worden opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt voldaan aan het gevaarscriterium en dient aan verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging te worden opgelegd. Hoewel op korte termijn geen sprake is van gevaar voor ernstige recidive, wordt dat risico op langere termijn groter ingeschat. De rechtbank denkt hierbij niet zozeer aan de situatie waarin verdachte weer moeder wordt, maar wel aan een situatie waarin zij zich nauw verbonden voelt met personen in haar omgeving en overbelast raakt. Er kan dan direct gevaar ontstaan voor die personen in haar omgeving. En zoals Koudstaal ter zitting heeft verklaard: ‘Als het mis gaat, gaat het goed mis’. Dat risico vindt de rechtbank zodanig groot dat dwangverpleging dient plaats te vinden. Ook aan de overige voorwaarden voor oplegging van de maatregel van TBS, zoals opgenomen in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, wordt voldaan. Een TBS met voorwaarden zoals geadviseerd door de gedragsdeskundigen behoort, gelet op de hierna te melden strafmaat, niet tot de wettelijke mogelijkheden.

De rechtbank ziet mede vanwege de ernst van het bewezenverklaarde geen aanleiding om een advies te geven over het tijdstip waarop de TBS met verpleging van overheidswege dient aan te vangen.

Moord wordt in het algemeen beschouwd als het meest ernstige commune strafbare feit, het is immers een onomkeerbare aantasting van het recht op leven. Er kan dan ook niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur.

De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van negen jaar in dit geval passend en geboden is. Daarbij is van belang dat twee kinderen om het leven zijn gebracht en dat dat op een afschuwelijke en zeer gewelddadige manier is gebeurd; de kinderen waren volstrekt weerloos.

De rechtbank zal bepalen dat de tijd die door verdachte reeds is doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis bij de uitvoering van de op te leggen gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

7a. Beslag

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de inbeslaggenomen goederen, te weten een agenda, een aantal losse bladen van de dagregistratie van de thuiszorg en een dagboek aan verdachte.

7b. De beoordeling van de civiele vorderingen

Benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 20.000,-, bestaande uit affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Er is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ook benadeelde partij [getuige 4] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding. Zij vordert een bedrag van in totaal € 27.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 10.000,- in verband met shockschade en € 17.500,- in verband met affectieschade. Verzocht is de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen, voor zover het gaat om vergoeding van affectieschade niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De vordering van [getuige 4] , voor zover die ziet op shockschade, komt voor vergoeding in aanmerking. De schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard voor zover het gaat om vergoeding van affectieschade. Omdat niet wordt voldaan aan de criteria voor toekenning van schadevergoeding voor shockschade, moet [getuige 4] ook voor dat onderdeel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Mocht de rechtbank komen tot toekenning van enige schadevergoeding, dan verzoekt de verdediging niet de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

In de schriftelijke toelichting bij de vorderingen zijn de gevolgen van het feit voor [benadeelde] en [getuige 4] beschreven. Hoewel niet ter discussie kan staan dat het feit een enorme impact op de persoon en het leven van de benadeelden heeft gehad en nog steeds heeft, moeten de vorderingen op hun juridische merites worden beoordeeld. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

Shockschade ( [getuige 4] )

In het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD5356) is geoordeeld dat wanneer iemand door overtreding van een veiligheids- of verkeersnorm een ernstig ongeval veroorzaakt, hij niet alleen onrechtmatig handelt jegens degene die dientengevolge is gedood of gekwetst, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand, tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval is gedood of gewond. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat voldoende is dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het gevaarzettend handelen enerzijds en het geestelijk letsel dat een derde door de confrontatie met de gevolgen van dit handelen oploopt anderzijds. Deze confrontatie kan ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden. Verder dient beoordeeld te worden of er sprake is van een dermate ernstige schok dat deze heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De rechtbank overweegt dat [getuige 4] op 2 oktober 2013 bij de woning kwam en niet naar binnen kon. Nadat de politie was gearriveerd hoorde zij dat haar kleinkinderen waren overleden. Hoewel in het geval van moord onder omstandigheden geen hoge eisen aan de rechtstreeksheid van de confrontatie kunnen worden gesteld, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval niet aan die eis wordt voldaan. De rechtbank overweegt dat er geen sprake is van een situatie die wat deze benadeelde partij betreft vergelijkbaar is met die in het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002 of het door de benadeelde partij ingeroepen vonnis van de rechtbank Arnhem van 13 april 2011 (ECLI:NL:RBARN:2011:BQ1757).

Dit betekent dat benadeelde partij [getuige 4] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, voor zover die ziet op vergoeding van shockschade

Affectieschade ( [benadeelde] en [getuige 4] )

Naar huidig Nederlandse recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade in verband met verlies van een dierbare zeer beperkt. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek kan zogeheten shockschade voor vergoeding in aanmerking komen. Daaronder valt echter niet de immateriële schade die is veroorzaakt door het verdriet vanwege het overlijden van een dierbare (affectieschade).

De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in het eerder vermelde arrest van 22 februari 2002 heeft geoordeeld dat het stelsel van de wet meebrengt dat nabestaanden, ingeval iemand met wie zij een nauwe en/of affectieve band hadden, overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is, geen vordering geldend kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden. Niet uitgesloten is dat het wettelijk stelsel onvoldoende tegemoet komt aan de maatschappelijk gevoelde behoefte om aan degenen die in hun leven de ernstige gevolgen moeten ondervinden van het overlijden van een persoon tot wie zij – zoals hier – in een affectieve relatie hebben gestaan, enige vorm van genoegdoening te verschaffen. Het gaat echter de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een vergoeding toe te kennen, aldus de Hoge Raad.

De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment geen ruimte bestaat om via interpretatie van het huidige wettelijke systeem tot toewijzing van een aanspraak op enige vorm van overlijdensschade te komen. Hoewel door de benadeelde partijen, gelet op het wetsvoorstel Vergoeding affectieschade, is verzocht om te anticiperen op een wijziging van de wet en over te gaan tot vergoeding van affectieschade, ziet de rechtbank daar onvoldoende aanleiding voor.

Met betrekking tot de door de benadeelde partijen aangehaalde Richtlijn 2012/29 EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 14 november 2012, L 315) overweegt de rechtbank dat de implementatietermijn van deze richtlijn is verstreken, terwijl deze nog niet is omgezet in Nederlandse wet- en regelgeving. Dit betekent dat een beroep kan worden gedaan op bepalingen van de richtlijn die rechtstreekse werking hebben. Het moet dan gaan om bepalingen die voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn en die rechten toekennen aan individuen. Naar het oordeel van de rechtbank geeft geen van de bepalingen van de richtlijn aan slachtoffers, als waarvan in dit geval sprake is, concreet het recht op vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade. Het beroep op Richtlijn 2012/29 EU kan daarom niet slagen.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank [benadeelde] en [getuige 4] niet‑ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 37a, 37b, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat zij van overheidswege zal worden verpleegd;

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan verdachte, te weten een agenda, een aantal losse bladen van de dagregistratie van de thuiszorg en een dagboek aan verdachte;

 verklaart de benadeelde partijen [benadeelde] en [getuige 4] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. van Apeldoorn, voorzitter, mr. W.L.F. Prisse en

mr. N.C. van Lookeren Campagne, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost‑Gelderland, districtsrecherche Apeldoorn, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek 06APD13022 PAUW, gesloten op 28 november 2013, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 26-27.

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 28-30.

4 Proces-verbaal van het tweede verhoor van verdachte, pagina 110.

5 Proces-verbaal van het tweede verhoor van verdachte, pagina 111.

6 Proces-verbaal van het tweede verhoor van verdachte, pagina 112.

7 Proces-verbaal van het tweede verhoor van verdachte, pagina 113.

8 Rapport NFI – Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, 22 november 2013, zaaknummer 2013.10.03.054, sectienummer 2013-283.

9 Rapport NFI – Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, 22 november 2013, zaaknummer 2013.10.03.054, sectienummer 2013-284.

10 Brief [naam] , huisarts, van 11 februari 2014, bijlage 5 bij de brief van de raadsman van 5 maart 2014.

11 Afleverhistorie, periode 1 mei 2012 tot en met 21 mei 2014, apotheek De Graanhof-De Heeze, bijlage 12 bij de brief van de raadsman van 20 juni 2014.

12 Proces-verbaal van het tweede verhoor van verdachte, pagina 110.

13 Proces-verbaal van het derde verhoor van verdachte, pagina 120.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 232.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pagina 364.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , pagina 360.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , pagina 185.

18 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 30.

19 Bijlage bij het proces-verbaal van het zesde verhoor van verdachte, pagina 152.

20 Proces-verbaal van het zesde verhoor van verdachte, pagina’s 148-149.

21 Proces-verbaal van het derde verhoor van verdachte, pagina 128.