Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1703

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
96/068917-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke afwijzing verzoek om schadevergoeding wegens gemis rijbewijs. Geen schadevergoeding voor zover strafvorderlijke invordering door de politie gevolgd door inhouding van het rijbewijs door de officier van justitie dezelfde periode betrof als de periode waarin bij onherroepelijk besluit van het CBR de geldigheid van het rijbewijs was geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 96/068917-14

Rechtbanknummer : 15/1710

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer naar aanleiding van het op 7 december 2015 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift, voor zover betreffende artikel 164 lid 9 van de Wegenverkeersweg 1994, van:

naam: [verzoeker] , hierna te noemen: verzoeker,

geboren op : [geboortedatum] ,

adres : [adres] ,

plaats : [woonplaats] ,

woonplaats kiezende te Arnhem aan het Willemsplein 40 ten kantore van zijn advocaat mr. S. Grilk.

De behandeling in raadkamer

Het verzoekschrift is op 17 februari 2016 en 9 maart 2016 in raadkamer behandeld.

Verzoeker is aldaar vertegenwoordigd door zijn advocaat mr. Grilk voornoemd. Tevens is op laatstgenoemde raadkamerbehandeling aanwezig de officier van justitie mr. A. van Veen.

De standpunten

Het verzoekschrift strekt, na wijziging tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat, tot vergoeding van de door verzoeker geleden schade tot een bedrag van:

  • -

    Primair: € 1.540,00 ter zake van 154 dagen inhouding het rijbewijs van verzoeker op strafrechtelijke gronden;

  • -

    Subsidiair: € 4.180,00 ter zake van in totaal 418 dagen inhouding van het rijbewijs van verzoeker.

Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat strafzaak tegen hem is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en dat hij schade heeft geleden door de strafrechtelijke invordering en inhouding van zijn rijbewijs over de periode van 21 maart 2014 tot en met 22 augustus 2014 zoals bedoeld in artikel 164, negende lid van de Wegenverkeerswet 1994. Dat in een deel van deze periode de geldigheid zijn rijbewijs als gevolg van een bestuursrechtelijke maatregel was geschorst vermag niet af te doen aan de schade die hij heeft opgelopen door de strafrechtelijke invordering en inhouding van zijn rijbewijs, aldus verzoeker.

Subsidiair heeft verzoeker aangevoerd – kort samengevat – dat nu hij zijn rijbewijs feitelijk pas op 13 mei 2015 terug heeft ontvangen, de schadevergoeding moet worden verhoogd tot het bedrag van € 4.180,00.

De officier van justitie heeft bij behandeling in de raadkamer het gewijzigde standpunt ingenomen dat voor de periode van de invordering van het rijbewijs op 21 maart 2014 tot aan het besluit van het CBR tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs van verzoeker van 8 april 2014, te weten 19 dagen, aan verzoeker een vergoeding kan worden toegekend van € 190,00 onder afwijzing van het meer of anders verzochte.

De beoordeling

Naast genoemd verzoek en conclusie heeft de raadkamer kennis genomen van:

- bepaalde stukken van de strafzaak, waaronder:

  • -

    de beslissing van het Openbaar Ministerie tot invordering van het rijbewijs van verzoeker van 24 maart 2014;

  • -

    de raadkamerbeslissing van 20 augustus 2014;

  • -

    het vonnis van de politierechter d.d. 11 september 2015 in deze rechtbank waarbij het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging.

- het proces-verbaal van aanhouding van de behandeling in raadkamer d.d. 17 februari 2016;

- de stukken van de bestuursrechtelijke procedure, waaronder;

  • -

    de beslissing tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs van verzoeker van 8 april 2014;

  • -

    de ontvangstbevestiging van het CBR van het rijbewijs van verzoeker van 22 augustus 2014;

  • -

    het besluit tot het opleggen van een alcoholslotprogramma van 27 augustus 2014;

  • -

    de beslissing op het bezwaarschrift van 13 mei 2015;

  • -

    de brief retour rijbewijs van 15 mei 2015.

Het verzoekschrift is tijdig ingediend, immers binnen drie maanden na beëindiging van de zaak.

De beoordelingsmaatstaf

Ingevolge artikel 164, negende lid van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW) kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, de rechter op verzoek van de gewezen verdachte hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij ten gevolge van die toepassing heeft geleden. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat.

Toekenning van schadevergoeding heeft plaats indien en voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De omstandigheden

In de onderhavige zaak is verzoeker op 21 maart 2014 staande gehouden op verdenking van overtreding van artikel 8 WVW. Na een voorlopig ademonderzoek is verzoeker aangehouden wegens verdenking van het rijden onder invloed van alcohol. Een ademanalyse leverde een uitslag op van 790 µg alcohol per liter uitgeademde lucht. Het rijbewijs van verzoeker is hierop ingevorderd en ingehouden.

Bij besluit van 8 april 2014 heeft het CBR aan verzoeker een onderzoek naar zijn geschiktheid als houder van een rijbewijs opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs met ingang van de datum van het besluit geschorst.

Bij beschikking van 20 augustus 2014 van de enkelvoudige raadkamer van rechtbank Gelderland op het klaagschrift van verzoeker ex artikel 164, achtste lid van de Wegenverkeerswet 1994, is het klaagschrift gegrond verklaard en is de inhouding van het rijbewijs geëindigd. Het openbaar ministerie heeft daarop het rijbewijs van verzoeker niet aan hem geretourneerd, maar aan het CBR gezonden, in verband met het besluit van 8 april 2014 van het CBR. Bij brief van 22 augustus 2014 heeft het CBR aan verzoeker de ontvangst van zijn rijbewijs bevestigd.

Bij besluit van 27 augustus 2014 heeft het CBR het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard en aan verzoeker het alcoholslotprogramma opgelegd. Het bezwaarschrift van verzoeker tegen dit besluit is bij besluit van 13 mei 2015 gegrond verklaard, omdat artikel 17 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (waarop de toepassing/uitvoering het alcoholslotprogramma is gebaseerd) door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 4 maart 2015 onverbindend was verklaard (ECLI:NL:RVS:2015:622). Verzoeker heeft zijn rijbewijs op 15 mei 2015 weer terug ontvangen van het CBR. Tot daadwerkelijke uitvoering van het aan hem opgelegde alcoholslotprogramma is het niet gekomen.

Na aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting op 16 januari 2015 heeft de politierechter bij verstekvonnis van 11 september 2015 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verzoeker in verband met, kort gezegd, het feit dat aan hem al de maatregel van het alcoholslotprogramma, dat een punitief karakter heeft, was opgelegd en dubbele bestraffing op grond van hetzelfde feit niet is toegestaan. Deze beslissing is ingegeven door het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 waarin dit is uitgemaakt (ECLI:NL:HR:2015:434).

De overwegingen

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden stelt de raadkamer vast dat de schade van verzoeker wegens het niet kunnen beschikken over zijn rijbewijs over de periode van 21 maart 2014 tot 8 april 2014 het gevolg is van de strafrechtelijke invordering en inhouding. Voor deze schade zal op grond van artikel 164, negende lid WVW de forfaitaire vergoeding van €10,- per dag worden toegekend. De zaak is immers geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Weliswaar is er een duidelijke aanwijzing dat verzoeker met veel te veel alcohol op heeft gereden – op grond waarvan het oordeel dat het niet billijk is enige schadevergoeding toe te kennen verdedigbaar is – , maar het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden heeft in zijn beslissing van 15 februari 2015 anders beslist (parketnummer 21-006530-13; Avnr 1860-15). Doorslaggevend voor dit oordeel was voor het hof het feit dat in de strafzaak geen onderzoek naar de juistheid van die aanwijzing heeft kunnen plaatsvinden.

Met ingang van 8 april 2014 is de schade wegens het niet kunnen beschikken over zijn rijbewijs echter niet langer enkel het gevolg van de strafrechtelijke invordering en inhouding daarvan. Vanaf dat moment mocht verzoeker ook ten gevolge van het besluit van het CBR tot schorsing van de geldigheid van zijn rijbewijs wegens het onderzoek naar zijn geschiktheid als houder van een rijbewijs niet rijden. Bij deze stand van zaken rijst de vraag of er wel gronden van billijkheid aanwezig zijn voor het toekennen van een vergoeding ter zake van de door verzoeker geleden schade als gevolg van de invordering en inhouding van zijn rijbewijs over de periode 8 april 2014 tot en met 20 augustus 2014.

De raadkamer stelt vast dat verzoeker tegen het besluit tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs en tot onderzoek naar de geschiktheid van verzoeker als houder van een rijbewijs geen rechtsmiddel heeft aangewend. Daardoor heeft dat besluit formele rechtskracht behouden. De formele rechtskracht van dit besluit brengt mee dat het wordt geacht qua inhoud en wijze van totstandkoming juist te zijn. Het besluit is (mede) gebaseerd op het bij het CBR bekende gegeven dat bij verzoeker als bestuurder van een motorvoertuig op 21 maart 2014 een gehalte aan alcohol in zijn adem is gemeten van 790 µg per liter uitgeademde lucht. In het kader van een bezwaar- en voorlopige voorzieningenprocedure had verzoeker tegen dit uitgangspunt inhoudelijk verweer kunnen voeren. Hierin verschilt deze zaak van de zaak waarin het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden zijn beslissing van 15 februari 2015 heeft genomen. De namens verzoeker genoemde reden geen bezwaar te maken en geen voorlopige voorziening te vragen tegen het besluit van het CBR van 8 april 2014 – ‘het rijbewijs was al strafvorderlijk ingevorderd en ingehouden, dus hij zou ook bij een gunstige uitkomst van die rechtsmiddelen toch niet hebben mogen rijden’ – laat onverlet dat hij door het achterwege laten van genoemde rechtsmiddelen heeft berust in de gevolgen van dit bestuursrechtelijke besluit. Het feit dat in de hier relevante periode aanvankelijk op een eerder (strafvorderlijk) klaagschrift tot teruggave van het rijbewijs afwijzend is beslist, maakt dit niet anders. De door de advocaat van verzoeker gezochte vergelijking met het geval waarin een (ten onrechte) in een huis van bewaring uitgezeten inbewaringstelling op grond van de Wet BOPZ hangende de voorlopige hechtenis volgens de advocaat niet in de weg zou staan aan toekenning van schadevergoeding op grond van art. 89 Sv over alle in het huis van bewaring doorgebrachte dagen, gaat naar het oordeel van de raadkamer evenmin op (daargelaten of juist is wat de advocaat stelt).

Reeds op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, acht de raadkamer het niet billijk aan verzoeker óók over de periode van 8 april 2014 tot en met 20 augustus 2014 (de datum waarop door de beslissing van de raadkamer een einde is gekomen aan de inhouding van het rijbewijs) schadevergoeding toe te kennen. Daar komt nog bij dat in dit geval verzoeker uiteindelijk noch strafrechtelijk is vervolgd, noch het bestuursrechtelijke alcoholslotprogramma heeft hoeven ondergaan.

Met betrekking tot het subsidiair verzochte verwijst de raadkamer naar hetgeen hiervoor is overwogen en beslist, voor zover het verzochte (weer) ziet op de periode van invordering en inhouding tot en met 20 augustus 2014. Vanaf 20 augustus 2014 was van strafvorderlijke inhouding van het rijbewijs niet langer sprake en biedt art. 164, negende lid WVW dus geen grondslag voor het verzochte. Het vanaf deze periode gevorderde zal worden afgewezen als niet op de wet gegrond.

Het voorgaande komt erop neer dat de raadkamer aan verzoeker een bedrag groot € 180,00 zal toekennen en het meer verzochte zal afwijzen.

Daarbij neemt de raadkamer de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

De beslissing

Kent toe aan verzoeker voornoemd een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van

€ 180,00 (zegge honderdtachtig euro).

Gelast de griffier van de rechtbank om aan verzoeker voornoemd uit te betalen het bedrag van € 180,00 (zegge honderdtachtig euro).

Wijst af het meer of anders verzochte.

Beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking, nadat deze in kracht van gewijsde is gegaan door overmaking op rekeningnummer [nummer] ten name van [naam] .

Aldus gegeven in raadkamer door mr. C.M.E. Lagarde, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante, als griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van 23 maart 2016.