Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1663

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6282
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:2853, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

OZB. Recreatiewoningen op een bungalowpark kunnen niet worden aangemerkt als tot bewoning dienende onroerende zaken als bedoeld in artikel 220a en 220f van de Gemeentewet. Aanslag gebruikersheffing is terecht opgelegd en de woondelenvrijstelling is terecht buiten toepassing gelaten. Proceskostenvergoeding: geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/690
FutD 2016-0823
FutD 2016-0824
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/6282

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 maart 2016

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Winterswijk, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte beschikkingen krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [A-straat 1] by [000] , te [Z] , per waardepeildatum 1 januari 2014, vastgesteld voor het kalenderjaar 2015 op € 469.000. In het desbetreffende geschrift zijn ook de aanslagen onroerende-zaakbelasting (hierna: OZB) bekend gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 september 2015 de waarde van de onroerende zaak verminderd tot € 411.000 en de daarop gebaseerde aanslagen OZB dienovereenkomstig verminderd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 15 oktober 2015, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2016.

Namens eiser is verschenen [A] . Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .

Overwegingen

Feiten

  1. Eiser is eigenaar van de objecten aan de [A-straat 2] (woning) en [A-straat 1] by [000] (hierna: het recreatieterrein). De waarde van de woning zoals door verweerder bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 220.000 is niet in geschil. Het recreatieterrein (camping) bestaat uit 79 toeristische plaatsen, 10 seizoensplaatsen, 21 jaarplaatsen en 7 chalets. Het recreatieterrein wordt door eiser zelf geëxploiteerd.

  2. Verweerder heeft aan eiser aanslagen OZB-eigenaar opgelegd voor beide objecten. Voor het recreatieterrein is het tarief voor niet-woningen toegepast. Tevens is aan eiser voor het recreatieterrein een aanslag OZB-gebruiker opgelegd.

  3. In de bezwaarfase heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Tijdens de (telefonische) hoorzitting op 2 september 2015 zijn in totaal elf objecten besproken die op zeven verschillende aanslagen zijn beschikt, waaronder de onderhavige objecten van eiser. De gemachtigde van eiser was eveneens gemachtigde in de andere zaken die tijdens de hoorzitting zijn besproken.

  4. Verweerder heeft in één geschrift uitspraken op bezwaar gedaan en hierbij de WOZ-waarden en OZB-aanslagen met betrekking tot de woning en het recreatieterrein verminderd. Hij heeft aan eiser een kostenvergoeding toegekend van € 692. Dit bedrag bestaat uit € 244 voor het indienen van een bezwaarschrift, 2 x € 30 voor de hoorzitting, een deskundigenvergoeding van € 121 inclusief BTW voor de woning, een deskundigenvergoeding van € 260 inclusief BTW voor het recreatieterrein en € 7 voor kosten kadastrale uittreksels.

  5. Eiser heeft in één geschrift beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.

Geschil

6. Tussen partijen is in geschil:

- de waarde van het recreatieterrein op de waardepeildatum;

- of het recreatiepark (met name de chalets, de seizoensplaatsen en de jaarplaatsen) in hoofdzaak tot woning dient als bedoeld in artikel 220a van de Gemeentewet;

- of de chalets, de seizoensplaatsen en de jaarplaatsen moeten worden aangemerkt als gedeelten van een onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen als bedoeld in artikel 220e van de Gemeentewet;

- of verweerder terecht het tarief voor niet-woningen heeft toegepast;

- of verweerder de proceskostenvergoeding voor de hoorzitting in de bezwaarfase tot een juist bedrag heeft vastgesteld.

7. Eiser bepleit een waarde van € 340.000 voor het recreatieterrein. Daartoe wijst eiser op een taxatierapport van taxateur Van der Wielen, die het recreatieterrein op de waardepeildatum heeft getaxeerd middels een bureautaxatie op € 340.000.

8. Met betrekking tot de opgelegde aanslagen OZB verzet eiser zich tegen de aanslag OZB‑gebruiker omdat, naar eiser meent, het recreatieterrein in hoofdzaak tot woning dient. Blijkens het taxatierapport van Van der Wielen bestaat 73,6 percent van de waarde van het recreatieterrein uit delen die dienen tot woning, dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Om dezelfde reden dient met betrekking tot de aanslag OZB-eigenaren het woningtarief te worden toegepast. Indien de rechtbank van oordeel is dat minder dan 70 percent van het recreatieterrein dienstbaar is aan woondoeleinden, dient de waarde van de delen die dienen voor woondoeleinden buiten beschouwing te worden gelaten.

9. Ten aanzien van de kostenvergoeding voor de hoorzitting kan eiser zich niet vinden in de matiging van de vergoeding tot tweemaal € 30. Wat verweerder bedoelt met een telefonische marathon-hoorzitting is eiser niet duidelijk.

10. Eiser concludeert dan ook tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en een vermindering van de waarde van het recreatieterrein tot € 340.000, vernietiging van de aanslag OZB-gebruik en vermindering van de aanslag OZB‑eigenaren.

11. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door hem beschikte waarde niet te hoog is en dat bij de waardebepaling moet worden uitgegaan van een geobjectiveerde exploitatie van het recreatieterrein. Verweerder heeft ter onderbouwing van de vastgestelde waarde voor het recreatieterrein onder meer verwezen naar de landelijke taxatiewijzer Recreatie met waardepeildatum 1 januari 2014 op basis van de regionale kengetallen voor de regio Achterhoek. In bezwaar is er een nieuwe berekening gemaakt op basis van de operationele cashflow, waarbij het gemiddelde is genomen van de objectieve waardebepaling op basis van de regionale kengetallen en de door eiser gewijzigde aantallen. Daarnaast zijn de tarieven voor de exploitant bepaald aan de hand van de voorschriften in de taxatiewijzer Recreatie. Wat betreft de proceskostenvergoeding ten aanzien van de hoorzitting stelt verweerder zich op het standpunt dat de gehele hoorzitting 45 minuten heeft geduurd, dat elf objecten zijn besproken en dat derhalve een vergoeding van € 30 voor elk gegrond bezwaar een redelijke kostenvergoeding is, gelet op het uurloon van € 440,00 (€ 30 x 11 / 45 minuten) x 60 minuten) dat hier omgerekend tegenover staat.

Beoordeling van het geschil

WOZ-waarde recreatieterrein

12. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

13. De bewijslast inzake de juistheid van de aan het recreatieterrein toegekende waarde ligt bij verweerder. Daarbij gaat het om de vraag of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de aan het recreatieterrein toegekende waarde niet te hoog is.

14. Op grond van artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, wordt de waarde bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, voor niet-woningen bepaald door middel van kapitalisatie van de bruto huur, een methode van vergelijking met marktgegevens dan wel een discounted cash-flowmethode. In de landelijke taxatiewijzer Recreatie wordt uitgegaan van de operationele cashflow methode.

15. Zowel verweerder als eiser hebben de waarde van het recreatieterrein getaxeerd aan de hand van de operationele cashflow methode volgens de methodiek van de landelijke taxatiewijzer Recreatie. In de kern spitst het geschil tussen partijen zich toe op het tarief dat verweerder aan de toeristische plaatsen heeft toegekend. Verweerder gaat uit van een tarief per plaats van € 18,80. De taxateur van eiser is uitgegaan van een tarief per plaats van € 12,44, welk tarief is gebaseerd op een overnachting van twee personen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

16. Voorop staat dat uit de systematiek van de Wet WOZ volgt dat bij de waardering van een recreatieterrein aan de hand van de operationele cashflow methode moet worden uitgegaan van een geobjectiveerde exploitatie en niet van de actuele exploitatie. Nu partijen het erover eens zijn dat de methodiek van de landelijke taxatiewijzer Recreatiewijzer moet worden gevolgd, is verweerder, gelet op bijlage twee van de taxatiewijzer, ten aanzien van het tarief voor de toeristische plaatsen terecht uitgegaan van een bezetting van twee volwassenen, twee kinderen, een autoparkeerplaats en vier douchemunten. In de waardering heeft verweerder, zo blijkt uit de taxatie en de daarop ter zitting gegeven toelichting, rekening gehouden met het ontbreken van voorzieningen voor kinderen op het recreatieterrein. Deze omstandigheid is dus reeds verdisconteerd in de toegekende waarde. Ter zitting heeft verweerder een uitdraai van de website van het recreatieterrein met de kampeertarieven van 2013 overgelegd. Uit deze uitdraai blijkt van een prijs per overnachting per persoon van € 3,40 (€ 2,65 voor een SVR-lid), een auto ad € 2,05 en een douchemunt ad € 0,50. Gelet op de regionale kengetallen (€ 26,30 per toeristische plaats in de regio Achterhoek) en de in 2013 door eiser daadwerkelijk gehanteerde tarieven kan niet worden gezegd dat het tarief van € 18,80 dat verweerder aan de toeristische plaatsen heeft toegekend te hoog is. Verweerder heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat hij de waarde van het recreatieterrein niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep tegen de WOZ-waarde zal daarom ongegrond worden verklaard.

Aanslagen OZB

17. De rechtbank Gelderland heeft in haar uitspraken van 13 augustus 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:5783), 3 september 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:5501) en 29 september 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:6020) geoordeeld dat recreatiewoningen (bungalows en onroerende stacaravans) op een terrein voor verblijfsrecreatie als bedoeld in artikel 16, aanhef en onder e, van de Wet WOZ, niet kunnen worden aangemerkt als tot bewoning dienende onroerende zaken als bedoeld in artikel 220a en 220f van de Gemeentewet. Voor de motivering van dit oordeel wordt verwezen naar hetgeen daaromtrent is overwogen en beslist in de hierboven aangehaalde uitspraken. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen reden om van deze lijn af te wijken. Het recreatieterrein is dan ook terecht als niet-woning aangemerkt, de aanslag gebruikersheffing is terecht opgelegd, de woondelenvrijstelling is terecht buiten toepassing gelaten en de aanslag eigenarenheffing is naar het juiste tarief opgelegd. Het beroep tegen de aanslagen OZB zal daarom ongegrond worden verklaard.

Proceskosten hoorzitting in bezwaar

18. Op de hoorzitting zijn elf WOZ-objecten besproken die zijn opgenomen op zeven aanslagbiljetten. Desgevraagd hebben partijen toegelicht dat sprake was van vijf of zes gegronde beroepen opgenomen op vier aanslagbiljetten. Uit de ter zitting door partijen gegeven toelichting is gebleken dat de op de hoorzitting besproken WOZ-objecten onderling sterk van elkaar verschilden. In de onderhavige zaak ging het om een woning en een recreatieterrein. De werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de op de hoorzitting besproken zaken zijn dan ook niet nagenoeg identiek te noemen. Van een situatie in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), is derhalve geen sprake. In beginsel zou daarom een forfaitaire proceskostenvergoeding moeten worden toegekend, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Bpb.

19. Uit de Nota van Toelichting bij het Bpb (Stb. 1993, 763) kan worden afgeleid dat alleen in uitzonderlijke gevallen waarin strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken, de rechter de volgens het Bpb berekende vergoeding kan verlagen of verhogen. Daarbij mag geen afbreuk worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten. Deze uitzondering dient terughoudend te worden toegepast (vergelijk Hoge Raad 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415).

20. Volgens verweerder is een matiging tot € 30 per gegrond verklaard object in het onderhavige geval redelijk omdat dat zou neerkomen op een uurloon voor de gemachtigde van € 440. Verweerder verliest daarbij echter uit het oog dat niet alle bezwaren tegen de elf objecten gegrond zijn verklaard en dat de gemachtigde ook tijd heeft besteed aan voorbereidende werkzaamheden voor de hoorzitting. Aangezien slechts een gering aantal zaken op de hoorzitting is besproken en bij slechts vijf of zes WOZ-objecten (op vier aanslagbiljetten) de bezwaren gegrond zijn verklaard, is de rechtbank van oordeel dat toekenning van een forfaitaire proceskostenvergoeding in het onderhavige geval niet onrechtvaardig uitpakt. Dat kan anders zijn wanneer op een hoorzitting een groter aantal WOZ-objecten wordt besproken, maar daarvan was in het onderhavige geval geen sprake. Van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Bpb, is derhalve geen sprake. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de proceskostenvergoeding voor de hoorzitting te matigen.

21. Er bestaat dan ook aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 880 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246, € 121 inclusief btw voor het taxatierapport van de woning, € 260 voor het taxatierapport van het recreatieterrein en € 7 voor kadastrale uittreksels).

Proceskosten in beroep

22. Nu het beroep tegen de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase slaagt, vindt de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de WOZ-beschikking en de aanslagen OZB ongegrond;

- verklaart het beroep tegen de proceskostenvergoeding in bezwaar gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de proceskostenvergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in de bezwaarfase ten bedrage van € 880;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep ten bedrage van € 992;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. M.J.C. Pieterse, rechter, in tegenwoordigheid van
M. Brouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 24 maart 2016

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.