Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1572

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
272568
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering ex artikel 843a Rv (afgifte van stukken), ingesteld door eiser voor zover rechtbank niet terugkomt op haar beslissing hem bewijs op te dragen. Rechtbank komt niet terug op die bindende eindbeslissing. Aan de vereisten van artikel 843a Rv is voldaan, zodat de incidentele vordering wordt toegewezen, zij het dat gedaagden een langere termijn wordt gegund dan gevorderd en dat de veroordeling niet wordt versterkt met een dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/854
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/272568 / HA ZA 14-597 172\547

Vonnis in incident van 9 maart 2016

in de zaak van

[eiser] ,

h.o.d.n. [eiser] Energy Solutions,

wonende te Kerkdriel,

eiser in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. J.C.T. Papeveld te Waalwijk,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te Rossum, gemeente Maasdriel,

2. [gedaagde 2],

wonende te Rossum, gemeente Maasdriel,

3. [gedaagde 3],

wonende te Rossum, gemeente Maasdriel,

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. H.A.A. Voermans te ‘s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 25 maart 2015 (hierna: het tussenvonnis)

  • -

    de akte inbreng producties van [eiser] van 2 juli 2015

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 2 juli 2015

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 10 september 2015

  • -

    de incidentele conclusie ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en 22 Rv van [eiser] van 21 januari 2016

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 21 januari 2016

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord ex artikel 843a Rv en 22 Rv.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

In de hoofdzaak houdt [eiser] [gedaagden] als (middellijk) bestuurders van Rome Energy aansprakelijk voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van de tekortkomingen en/of onrechtmatige daad van Rome Energy. [eiser] stelt zich – na zijn stellingen ter comparitie te hebben aangepast – op het standpunt dat hem bij de onderhandelingen over de koop op basis van de jaarcijfers over 2009 tot en met 2011 en de voorlopige cijfers over 2012 is voorgehouden dat uit de over te nemen onderhoudscontracten inclusief daaruit voortvloeiend meerwerk een omzet van € 200.000,00 per jaar werd gehaald.

2.2.

Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank [eiser] opgedragen te bewijzen:

  1. dat [gedaagden] hem bij de onderhandelingen over de koop hebben misleid en hem hebben voorgespiegeld dat uit de historische jaarcijfers van Rome Energy volgde dat uit de over te nemen onderhoudscontracten inclusief daaruit voortvloeiend meerwerk een jaaromzet van € 200.000,00 werd behaald;

  2. dat hij, [eiser] , niet tijdig voor het faillissement van Rome Energy heeft kunnen en moeten constateren dat hij uit de overgenomen onderhoudscontracten c.a. geen jaaromzet van € 200.000,00 kon realiseren;

  3. dat [gedaagden] ten tijde van de onderhandelingen over de koop wisten of behoorden te weten dat Rome Energy geen verhaal zou bieden voor de uit de (te bewijzen) misleiding en de koopovereenkomst voortvloeiende schadevergoedingsclaim van [eiser] .

2.3.

Ter uitvoering van deze bewijsopdrachten heeft [eiser] getuigen doen horen. Bij gelegenheid van de (laatste) voortzetting van het getuigenverhoor op 21 januari 2016 heeft [eiser] een incidentele conclusie ex artikel 843a Rv en 22 Rv genomen. In het incident vordert [eiser] , samengevat:

A. hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot het aan hem overleggen, afgeven of verschaffen van afschrift van:

a) verkoopfacturen van Rome Energy dan wel (na de statutenwijziging) ABC Energy Solutions met betrekking tot de boekjaren 2009, 2010, 2011 en 2012;

b) grootboekrekeningen van Rome Energy dan wel (na de statutenwijziging) ABC Energy Solutions over de boekjaren 2012 en 2013, tot en met 4 juli 2013;

c) verkoopfacturen van Rome Energy dan wel (na de statutenwijziging) ABC Energy Solutions over 2013, tot en met 4 juli 2013;

d) jaarrekeningen van Rome Energy dan wel (na de statutenwijziging) ABC Energy Solutions met betrekking tot de boekjaren 2009, 2010, 2011 en 2012;

e) btw-aangiftes van Rome Energy dan wel (na de statutenwijziging) ABC Energy Solutions over de boekjaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013;

f) bankafschriften van Rome Energy dan wel (na de statutenwijziging) ABC Energy Solutions vanaf 1 januari 2012 tot en met 4 juli 2013;

g) debiteurenoverzicht en crediteurenoverzicht van Rome Energy Solutions dan wel (na de statutenwijziging) ABC Energy Solutions per 4 juli 2013;

hoofdelijk bevel aan [gedaagden] tot afgifte aan [eiser] van een (afschrift van een) verklaring inhoudende dat zij aan FSV, Finc Accountants B.V., de coöperatie Coöperatieve Rabobank Bommelerwaard U.A. en mr. G.M.W. Jansen, advocaat te Zaltbommel, instructie c.q. opdracht geven om op eerste verzoek van [eiser] de onder A genoemde stukken c.q. gegevens aan hem te verstrekken;

het onder A en B gevorderde uit te spreken onder de bepaling dat in het geval Lobregt Beheer en/of Lobregt en/of Bouter in gebreke blijven om aan het onder A en B bepaalde te voldoen, zij elk hoofdelijk een ineens opeisbare dwangsom van € 10.000,00 ten gunste van [eiser] verbeuren, te vermeerderen met € 1.000,00 per dag dat zij jegens [eiser] in verzuim blijven en met een maximum van € 200.000,00;

hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het incident.

2.4.

[eiser] stelt zijn incidentele vordering in voor zover de rechtbank niet kan en/of niet wil terugkomen op haar beslissing tot het verlenen van de bewijsopdracht aan hem. [eiser] is van mening dat hem ten onrechte een bewijsopdracht is gegeven. Volgens [eiser] wordt hij door toedoen van [gedaagden] in een onredelijk zware bewijspositie gebracht, omdat [gedaagden] “zitten” op de voor [eiser] noodzakelijke gegevens die zij overigens niet in het geding brengen en ook niet aan de rechtbank wensen te verstrekken. [eiser] betoogt dat sprake is van omstandigheden op grond waarvan de bewijslast moet worden omgekeerd. Daarnaast voert [eiser] aan dat de feiten die hem door het horen van de getuigen bekend zijn geworden, de bewijsopdracht niet (volledig) dekken. Hij stelt dat hij meer informatie nodig heeft om aan de bewijsopdracht te voldoen.

2.5.

Het geven van de bewijsopdrachten aan [eiser] is een bindende eindbeslissing. De rechtbank heeft weliswaar de bevoegdheid om in bepaalde gevallen van bindende eindbeslissingen terug te komen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 553, ECLI:NL:HR:2008:BC2800), maar zij ziet in hetgeen [eiser] heeft aangevoerd geen aanleiding om van die bevoegdheid gebruik te maken omdat de beslissing niet berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. De rechtbank blijft dus bij de bewijsopdrachten zoals zij die aan [eiser] heeft gegeven. Zij zal nu overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de incidentele vordering.

2.6.

Artikel 843a Rv heeft betrekking op de situatie dat een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel bekend is, maar niet in haar bezit. In dat geval bestaat een bijzondere exhibitieplicht. Deze vormt een uitzondering op de hoofdregel dat iemand onder hem berustende bescheiden niet aan een ander ter inzage hoeft af te geven. Er is geen sprake van een algemeen inzagerecht. Een partij kan slechts om inzage vragen in bepaalde, met name genoemde stukken. Daarnaast stelt artikel 843a Rv als voorwaarden dat de partij die om inzage vraagt daarbij een rechtmatig belang heeft en dat het gaat om stukken met betrekking tot een rechtsverhouding waarin deze partij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn.

2.7.

Voor zover [gedaagden] onder verwijzing naar jurisprudentie betogen dat [eiser] zijn incidentele vordering had moeten instellen voordat hij zijn bewijsopdracht kreeg, faalt dit verweer. Een incidentele vordering ex artikel 843a Rv kan in elke fase van het geding worden ingesteld. Het tegendeel volgt niet uit het arrest waarnaar [gedaagden] verwijzen.

2.8.

Artikel 843a Rv vereist dat inzage wordt gevraagd in bepaalde, met name genoemde stukken. Aan die voorwaarde voldoet [eiser] . Hij vordert immers inzage in verkoopfacturen, grootboekrekeningen, btw-aangiftes, bankafschriften en debiteuren- en crediteurenoverzichten van Rome Energy dan wel (na de naamswijziging) ABC Energy Solutions met betrekking tot specifieke perioden. Daarmee heeft [eiser] de gevraagde bescheiden zodanig concreet en voldoende bepaald omschreven dat duidelijk is op welke stukken hij doelt.

2.9.

Artikel 843a Rv vereist verder dat het verzoek bescheiden betreft aangaande een rechtsbetrekking en dat de verzoeker partij is bij die rechtsbetrekking. Ook aan deze voorwaarde voldoet [eiser] . De vordering in de hoofdzaak is gebaseerd op de gestelde onrechtmatige daad van [gedaagden] jegens [eiser] en ook de rechtsbetrekking die – mogelijkerwijs – ontstaat uit onrechtmatige daad valt onder artikel 843a Rv.

2.10.

Ten slotte geldt op grond van artikel 843a Rv het vereiste dat de verzoeker een rechtmatig belang heeft bij inzage, uittreksel of afschrift. [eiser] voert in dit verband aan dat de gevraagde stukken informatie bevatten die hij nodig heeft om aan zijn bewijsopdracht te kunnen voldoen. Hij stelt dat hij aan de hand van de verkoopfacturen, grootboekrekeningen en jaarrekeningen kan aantonen dat uit de onderhoudscontracten en daaruit volgend meerwerk geen jaaromzet van circa € 200.000,00 per jaar werd gehaald en hij op dat punt is misleid (bewijsopdracht 1). Daarnaast stelt [eiser] dat hij de grootboekrekeningen, facturen en jaarrekeningen nodig heeft om inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de vermogenstoestand van Rome Energy/ABC Energy Solutions na de transactie met [eiser] tot datum faillissement. [eiser] meent dat hij aan de hand daarvan kan bewijzen dat [gedaagden] ten tijde van de onderhandelingen wisten of behoorden te weten dat Rome Energy/ABC Energy Solutions geen verhaal zou bieden voor de uit de (te bewijzen) misleiding en de koopovereenkomst voortvloeiende schadevergoedingsclaim van [eiser] (bewijsopdracht 3). De btw-aangiftes heeft [eiser] naar eigen zeggen nodig om de volledigheid en de juistheid van de gevraagde verkoopfacturen en jaarrekeningen te kunnen controleren en om zo te kunnen zien of hij door Lobregt c.s is misleid (bewijsopdracht 1) en de wetenschap van [gedaagden] dat Rome Energy geen verhaal zou bieden te kunnen aantonen (bewijsopdracht 3). Inzage in de bankafschriften is volgens [eiser] nodig om duidelijkheid te krijgen over de liquiditeitspositie van Rome Energy/ABC Energy Solutions gedurende 2012 tot aan het faillissement. Hij voert daartoe aan dat hij in het kader van de te bewijzen wetenschap bij [gedaagden] (bewijsopdracht 3) wil weten wat de ontwikkeling in de schuld is geweest en welke transacties er over de bankrekening zijn gegaan. Het debiteurenoverzicht wil [eiser] hebben om het te vergelijken met het door de curator van ABC Energy Solutions opgevoerde bedrag bij de debiteuren. Een werkelijk crediteurenoverzicht kan daarnaast een nader licht werpen op de vraag of Rome Energy/ABC Energy Solutions verhaal bood voor [eiser] . [eiser] voert aan dat hij door deze vergelijkingen te maken conclusies kan trekken die nodig zijn om te voldoen aan bewijsopdracht 3.

2.11.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] hiermee afdoende onderbouwd dat hij een rechtmatig belang heeft bij inzage in de gevraagde stukken. [gedaagden] voeren aan dat [eiser] allereerst het bestaan van zijn vordering uit hoofde van onrechtmatige daad aannemelijk moet maken. Zij stellen zich op het standpunt dat [eiser] , ondanks alle getuigen die zijn gehoord, daarvan nog niet het begin van bewijs heeft geleverd. De rechtbank kan echter in het kader van het incident niet vooruitlopen op de uitkomst van de bewijslevering. [eiser] stelt immers juist dat hij de gevraagde documenten nodig heeft om het opgedragen bewijs te kunnen leveren. Anders dan [gedaagden] verder als verweer aanvoeren, is van een ‘fishing expedition’ geen sprake, alleen al omdat – zoals de rechtbank in 2.8 heeft overwogen – [eiser] de gevraagde documenten concreet heeft aangeduid en er bij [gedaagden] geen misverstand over kan bestaan op welke stukken [eiser] doelt.

2.12.

De incidentele vordering onder A zal dus worden toegewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen. De rechtbank zal [gedaagden] echter een langere termijn gunnen om aan de veroordeling te voldoen dan de zeer korte termijn van twee dagen na betekening van het vonnis die [eiser] heeft gevorderd. Omdat de rechtbank de omvang van het papieren dossier beperkt wil houden en aanneemt dat (een deel van) de documenten in digitale vorm beschikbaar zijn/is, zal de rechtbank bepalen dat de documenten ook digitaal kunnen worden gepresenteerd en in het geding gebracht.

2.13.

De veroordeling zal voorts, anders dan gevorderd, niet worden versterkt met een dwangsom. Er bestaat immers geen grond om aan te nemen dat [gedaagden] geen gevolg zullen geven aan dit vonnis. Indien [gedaagden] onverhoopt niet aan de veroordeling voldoen en daarvoor geen gewichtige reden kunnen aanvoeren, zal de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen maken die zij geraden acht. Het voorgaande leidt eveneens tot afwijzing van het gevorderde onder B.

2.14.

[gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van het incident. De kosten aan de kant van [eiser] worden begroot op € 452,00 wegens salaris advocaat (1,0 punt × tarief € 452,00).

3 De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.

De enquête aan de zijde van [eiser] is gesloten en [gedaagden] hebben afgezien van contra-enquête. De rechtbank zal de zaak nu naar de rol verwijzen voor conclusie na enquête aan de zijde van [eiser] . Om [eiser] in de gelegenheid te stellen in zijn conclusie te reageren op de door [gedaagden] te verstrekken stukken, zal voor deze conclusie een langere termijn worden aangehouden dan gebruikelijk. [gedaagden] mogen vervolgens een antwoordconclusie na enquête nemen.

3.2.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één aan de veroordeling voldoet de ander zal zijn bevrijd, om op de rol van 6 april 2016 in het geding te brengen (desgewenst digitale) afschriften van:

a) de verkoopfacturen van Rome Energy dan wel (na de statutenwijziging) ABC Energy Solutions met betrekking tot de boekjaren 2009, 2010, 2011 en 2012;

b) de grootboekrekeningen van Rome Energy dan wel (na de statutenwijziging) ABC Energy Solutions over de boekjaren 2012 en 2013, tot en met 4 juli 2013;

c) de verkoopfacturen van Rome Energy dan wel (na de statutenwijziging) ABC Energy Solutions over 2013, tot en met 4 juli 2013;

d) de jaarrekeningen van Rome Energy dan wel (na de statutenwijziging) ABC Energy Solutions met betrekking tot de boekjaren 2009, 2010, 2011 en 2012;

e) de btw-aangiftes van Rome Energy dan wel (na de statutenwijziging) ABC Energy Solutions over de boekjaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013;

f) de bankafschriften van Rome Energy dan wel (na de statutenwijziging) ABC Energy Solutions vanaf 1 januari 2012 tot en met 4 juli 2013;

g) het debiteurenoverzicht en crediteurenoverzicht van Rome Energy Solutions dan wel (na de statutenwijziging) ABC Energy Solutions per 4 juli 2013,

4.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] c.s. tot op heden begroot op € 452,00,

4.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 mei 2016 voor conclusie na enquête aan de zijde van [eiser] ,

4.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2016.

Coll.: JC