Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1552

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5425
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. WW-uitkering wegens betalingsonmacht. Anders dan verweerder stelt heeft er geen overgang van onderneming plaatsgevonden als gevolg waarvan eiseres ten tijde van het faillissement niet langer werkzaam was bij haar werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/5425

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.M.A.P. van Pul),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres ingevolge artikel 61 van de Werkloosheidswet (WW) een uitkering wegens betalingsonmacht toe te kennen.

Bij besluit van 29 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. H. Peters.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres is per 1 mei 2013 als talentconsulent in dienst getreden bij [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 2]). Er was daarbij sprake van een drietal arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. De laatste van deze overeenkomsten liep van 1 augustus 2014 tot en met 31 januari 2015.

1.2

Op 1 september 2014 heeft eiseres voor de laatste maal een reguliere loonbetaling ontvangen van [bedrijf 2]. Op 25 september 2014 heeft daarop een betaling door [bedrijf 2] plaatsgevonden met als omschrijving ‘Afrekening dienstverband per 31 augustus 2014’. Het loon vanaf 1 september 2014 is daarna steeds voldaan door Salus2Talent BV (hierna: [naam]). Bij brief van 12 december 2014 is namens [naam] de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd per 31 december 2014 beëindigd. De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 8 januari 2015 (gericht aan [naam]) de nietigheid van deze beëindiging ingeroepen en zich in deze brief onder meer op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst met [naam], maar dat eiseres tot 31 januari 2015 een arbeidsovereenkomst heeft met [bedrijf 2].

1.3

Eiseres heeft onweersproken gesteld dat zij hetzelfde werk is blijven doen, dat zij geweigerd heeft om een arbeidsovereenkomst met [naam] te ondertekenen en dat de loonbetaling door [naam] de enige verandering is die heeft plaatsgevonden.

1.4

Op 6 januari 2015 is [bedrijf 2] in staat van faillissement verklaard. Eiseres heeft bij brief van 15 april 2015 een vordering ingediend bij de curator, bestaande uit het loon over de maand januari, alsmede bedragen voor vakantietoeslag en een vergoeding wegens niet genoten vakantie-uren. De curator heeft deze vordering op de lijst van voorlopig erkende preferente crediteuren geplaatst. Het faillissement is voorgedragen voor opheffing wegens gebrek aan baten.

1.5

Eiseres heeft op 23 april 2015 een aanvraag overname betalingsverplichtingen gedaan en verweerder daarmee verzocht haar een uitkering ingevolge artikel 61 WW toe te kennen. Verweerder heeft deze aanvraag bij het primaire besluit met een beroep op artikel 62 WW afgewezen en zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiseres met ingang van 1 september 2014 niet langer in dienst is van [bedrijf 2], maar van [naam]. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.6

In bezwaar stelt eiseres zich op het standpunt dat er nooit sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst met [naam], maar dat zij tot 31 januari 2015 een arbeidsovereenkomst heeft gehad met [bedrijf 2]. Zij voert daartoe aan dat sprake is van een gesloten stelsel van de wijzen waarop een arbeidsovereenkomst kan worden beëindigd en dat er geen sprake is geweest van een beëindiging anders dan van rechtswege per 31 januari 2015. Naar eiseres meent kan in het bijzonder uit het feit dat loonbetalingen vanaf 1 september 2014 door [naam] gedaan werden, niet worden afgeleid dat zij vanaf dat moment een arbeidsovereenkomst had met [naam] en de overeenkomst met [bedrijf 2] derhalve beëindigd was. Daarbij acht eiseres in het bijzonder van belang dat zij geen arbeidsovereenkomst heeft getekend met [naam] en dat zij haar werkzaamheden voor [bedrijf 2] ongewijzigd heeft voorgezet.

1.7

Verweerder heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat uit de loonbetalingen door [naam] kan worden afgeleid dat eiseres met ingang van 1 september 2014 niet langer een arbeidsovereenkomst had met [bedrijf 2], zodat op grond van artikel 62 WW geen uitkering wegens betalingsonmacht kan worden toegekend. Volgens verweerder had het op de weg van eiseres gelegen om, wanneer zij het er niet mee eens was dat haar dienstverband met [bedrijf 2] beëindigd werd, hiertegen te protesteren en in rechte te vorderen dat dit dienstverband hersteld werd.

2.1

In beroep heeft eiseres zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen, nu verweerder niet afdoende heeft gereageerd op de gronden van het bezwaar. Tenslotte heeft zij haar standpunt dat de arbeidsovereenkomst met [bedrijf 2] pas op 31 januari 2015 van rechtswege is beëindigd gehandhaafd.

2.2

Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een overgang van de onderneming van [bedrijf 2] op [naam], waarbij ook het dienstverband van eiseres is overgegaan naar [naam].

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

3.1

Gelet op het feit dat eiseres geen arbeidsovereenkomst heeft ondertekend met [naam] en evenmin het initiatief heeft genomen om haar dienstverband met [bedrijf 2] te beëindigen, kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden geoordeeld dat het dienstverband van eiseres is overgegaan naar [naam] wanneer komt vast te staan dat vóór het faillissement van [bedrijf 2] sprake is geweest van een overgang van onderneming zoals bedoeld in artikel 7:662 Burgerlijk Wetboek (BW).

3.2

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een overgang van onderneming. Daarbij is allereerst van belang dat verweerder geen overeenkomst heeft kunnen overleggen waaruit deze overgang zou blijken. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de feitelijke omstandigheden die verweerder noemt (waaronder het feit dat eiseres met ingang van september 2014 werd betaald door [naam] en het feit dat eiseres namens [naam] op 12 december 2014 is medegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst met ingang van 31 december 2014 zou eindigen) niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een overgang van onderneming. Ook als daaruit dient te worden afgeleid dat de eigenaar van beide ondernemingen de bedoeling heeft gehad de activiteiten van [bedrijf 2] te doen overgaan op [naam], is dat immers niet voldoende om te oordelen dat dit ook daadwerkelijk heeft geresulteerd in een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662.

3.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat het dienstverband van eiseres met [bedrijf 2] voorafgaand aan het faillissement is beëindigd. Nu [bedrijf 2] in staat van faillissement is verklaard, eiseres op dat moment nog loon en vakantietoeslag te vorderen had en eveneens als werknemer in de zin van de WW diende te worden beschouwd heeft eiseres in beginsel recht op een uitkering ingevolge artikel 61 WW. Verweerder had moeten onderzoeken of sprake was van andere redenen om toch geen uitkering toe te kennen en bij ontbreken daarvan een uitkering moeten toekennen. Verweerder heeft het besluit met onvoldoende zorg voorbereid.

4. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuw besluit op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen moet verweerder, uitgaande van de vaststelling dat eiseres in beginsel recht heeft op een uitkering ingevolge artikel 61 WW, beoordelen of er reden is haar deze uitkering desondanks te weigeren en haar bij ontbreken van een dergelijke reden deze uitkering toekennen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op 6 weken na verzending van deze tussenuitspraak.

5. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twee weken na de verzending van deze tussenuitspraak. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

6. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om binnen 6 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. P.W. Blok, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.