Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1493

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3149
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding, hoofdverblijf. Hoofdverblijf in twee woningen? Onvoldoende onderzoek. Onterechte herziening en terugvordering algemene bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/3149

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats] te [woonplaats], verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2014 heeft verweerder het recht van eiseres op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 2 april 2012 ingetrokken en een bedrag van € 34.845,11 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 1 mei 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. A.J.F. Widdershoven.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Eiseres is op 26 april 2012 gescheiden en staat sinds 2 april 2012 ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats]. Eiseres heeft met ingang van 2 april 2012 een WWB-uitkering ontvangen, berekend naar de norm van een alleenstaande. Op 2 september 2014 heeft verweerder een anonieme fraudemelding ontvangen met de mededeling dat eiseres niet langer in haar woning aan de Cipresstraat woonde, doch al geruime tijd samenleefde met R.J. [naam] in een woning aan de Postweg 88 te [woonplaats]. Verweerder heeft daarop een onderzoek ingesteld.

1.2

Uit dossieronderzoek door verweerder is gebleken dat eiseres verweerder niet heeft medegedeeld dat zij een gezamenlijke huishouding voert met [naam]. Verweerder heeft voorts een twintigtal waarnemingen verricht in de omgeving van de beide woningen. Bij deze waarnemingen is onder meer een witte Ford Fiësta, die op naam van [naam], diverse malen waargenomen in de omgeving van de [adres].

1.3

Verweerder heeft op 27 oktober 2014 een gesprek gevoerd met eiseres. Voorafgaand aan dit gesprek heeft verweerder waargenomen dat eiseres vertrok van het adres Postweg 88, de woning van [naam]. Tijdens het gesprek heeft eiseres in eerste instantie desgevraagd verklaard vertrokken te zijn van het adres [adres]. Later is zij hierop teruggekomen. Voorts heeft zij in dit gesprek onder meer het volgende verklaard. Eiseres is op de hoogte van de in artikel 17 WWB neergelegde verplichting om mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Zij meent nooit een wijziging door te hebben gegeven. Eiseres heeft sinds april 2012 een relatie met [naam]. [naam] en zij zijn 3 tot 4 dagen (de rechtbank begrijpt: per week) bij elkaar en blijven ook weleens bij elkaar slapen. Zij hebben beiden een sleutel van de woning van de ander en doen in de weekenden gezamenlijk boodschappen, waarbij [naam] dan de boodschappen betaalt. Eiseres kookt weleens voor [naam].

1.4

Na dit gesprek heeft er op dezelfde dag een huisbezoek plaatsgevonden op de [adres]. Eiseres heeft daarvoor toestemming verleend. Bij dit huisbezoek hebben de inspecteurs van verweerder onder meer een factuur met betrekking tot de Ford Fiësta van [naam] aangetroffen, alsmede kleding van [naam] en een door eiseres en [naam] gezamenlijk ondertekende briefkaart gericht aan de dochter van eiseres.

1.5

Verweerder heeft op grond van de bovenstaande bevindingen geconcludeerd dat eiseres met [naam] vanaf 2 april 2012 een gezamenlijke huishouding voert in de zin van artikel 3, derde lid van de WWB. Naar het oordeel van verweerder heeft eiseres de inlichtingplicht van artikel 17 WWB geschonden, door verweerder niet in kennis te stellen van deze gezamenlijke huishouding. Verweerder heeft daarop het recht op uitkering vanaf 2 april 2012 ingetrokken en de onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd. Eiseres heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt.

1.6

In de bezwaarfase heeft verweerder een viertal getuigenverklaringen opgenomen van omwonenden. Deze getuigen hebben onder meer verklaard dat zij eiseres en [naam] regelmatig samen boodschappen zien doen en vaak samen op de scooter zien, alsmede dat eiseres regelmatig de woning aan de Postweg 88 bezoekt.

2. In beroep heeft eiseres zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat, gelet op haar medische toestand, haar verklaringen tijdens het gesprek van 27 oktober 2014 haar niet mogen worden tegengeworpen. Voorts heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de bevindingen van verweerder niet de conclusie rechtvaardigen dat ten tijde van het onderzoek sprake was van een gezamenlijke huishouding, alsmede dat het bestaan van een gezamenlijke huishouding in de periode vanaf 2 april 2012 tot de start van het onderzoek in ieder geval niet aannemelijk is geworden.

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

3.1

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastende besluit, waarbij het aan verweerder is om het nodige onderzoek te verrichten. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat voor de gehele periode waarover de uitkering wordt ingetrokken aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op verweerder rust.

3.2.

De rechtbank stelt vast dat het dagelijks bestuur de intrekking van de bijstand vanaf 2 april 2012 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijke geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit (zie de uitspraak van de CRvB van 25 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3307). Dit betekent dat beoordeeld dient te worden de periode van 12 april 2012 tot en met 14 november 2014.

3.3

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of anderszins.

3.4

Eiseres en [naam] stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen ingeschreven. Indien (zoals in het onderhavige geval) sprake is van twee personen aan wie ieder een woning ter beschikking staat, en die ieder afwisselend in deze beide woningen verblijven, zal ten aanzien van ieder van hen afzonderlijk moeten worden beoordeeld in welke van die woningen hij zijn hoofdverblijf heeft. Deze beoordeling dient plaats te vinden op basis van de feitelijke omstandigheden, waarbij het erop aankomt in welke van die woningen zich het zwaartepunt van het persoonlijke leven van de betrokkene bevindt (zie het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556).

3.5

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft geëxpliciteerd in welke woning eiseres en [naam] gezamenlijk hun hoofdverblijf zouden hebben. Derhalve dient dit voor beide woningen afzonderlijk te worden beoordeeld. Daarbij is onder meer van belang dat de Hoge Raad in het reeds genoemde arrest van 13 maart 2015 overwoog dat de mogelijkheid bestaat dat voor ieder van de betrokken personen het zwaartepunt van het persoonlijk leven zich in de eigen woning bevindt, zodat zij hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hebben. Die mogelijkheid bestaat ook indien deze personen het grootste deel van de tijd gezamenlijk doorbrengen, zelfs indien die situatie in feite is te duiden als samenwonen.

3.6.1

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onder 1 weergegeven onderzoeksbevindingen, gelet op het voorgaande, bepaald onvoldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat in de te beoordelen periode eiseres en [naam] gezamenlijk hun hoofdverblijf in de woning aan de Cipresstraat of in de woning aan de Postweg hadden.

3.6.2

De rechtbank overweegt daartoe dat uit de onderzoeksbevindingen weliswaar zou kunnen worden afgeleid dat eiseres en [naam] veel tijd gezamenlijk doorbrengen en veel gezamenlijke activiteiten hebben, maar dat deze bevindingen onvoldoende aanleiding geven om aan te nemen dat eiseres en [naam] ten tijde van het onderzoek niet ieder afzonderlijk in hun eigen woning het zwaartepunt van hun persoonlijk leven hadden. Daarbij is van belang dat [naam] door verweerder nooit in de woning van eiseres is waargenomen, evenmin als eiseres in de woning van [naam]. Hetgeen is waargenomen tijdens het huisbezoek aan de Cipresstraat biedt eveneens onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat [naam] het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven had in de woning aan de Cipresstraat. Een huisbezoek in de woning aan de Postweg heeft in het geheel niet plaatsgevonden en ook de overige bevindingen geven geen aanleiding om te menen dat eiseres het zwaartepunt van haar persoonlijk leven in deze woning had.

3.6.3

Feitelijk heeft verweerder slechts vastgesteld dat eiseres en [naam] geregeld samen boodschappen deden en samen aten, dat zij af en toe de nacht bij elkaar doorbrachten en mogelijk een relatie hadden. Dat stelsel van bevindingen schiet (in vergaande mate) tekort als onderbouwing voor de aanname dat eiseres of [naam] hoofdverblijf had in de woning van de ander. Er dient dan ook van te worden uitgegaan dat eiseres en [naam] ten tijde van het onderzoek beiden afzonderlijk hoofdverblijf hielden in hun eigen woning, zodat van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid van de WWB geen sprake kan zijn.

3.6.4

In het midden kan blijven of aan deze onderzoeksbevindingen de waarde mocht worden toegekend die verweerder daaraan toegekend wenst te zien. Ook wanneer deze waarde daaraan wordt toegekend, is het besluit om de uitkering te herzien met deze onderzoeksbevindingen immers onvoldoende onderbouwd.

3.6.5

De rechtbank overweegt ten overvloede nog als volgt. Ook wanneer op basis van de onderzoeksbevindingen zou moeten worden aangenomen dat ten tijde van het onderzoek sprak was van een gezamenlijke huishouding, had verweerder op basis daarvan niet mogen besluiten om de bijstand over de hele periode vanaf 2 april 2012 in te trekken en terug te vorderen. Het is in een geval als het onderhavige immers aan verweerder om aannemelijk te maken dat gedurende deze hele periode sprake was van een gezamenlijke huishouding. Op basis van het dossier kan die conclusie niet worden getrokken, aangezien voor de periode van 2 april 2012 tot de start van het onderzoek (vrijwel) geen enkele aanwijzing bestaat om aan te nemen dat eiseres en [naam] gezamenlijk hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.

3.7

Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8.72, derde lid onder b, zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank acht niet aannemelijk dat verweerder door het doen van meer onderzoek alsnog zal kunnen aantonen dat sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Daarbij is onder meer van belang dat aan eiseres met ingang van 30 januari 2015 opnieuw een bijstandsuitkering is toegekend, zonder dat verweerder duidelijk heeft kunnen maken welke relevante wijziging er is opgetreden in haar situatie. De rechtbank zal het primaire besluit dan ook herroepen. Daarbij zij opgemerkt dat dit meebrengt dat eiseres over de periode van 2 april 2012 tot 30 januari 2015 onverminderd recht heeft op bijstand.

3.8

De rechtbank zal bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar dient te voldoen. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht (BPB) voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Daarbij is van belang dat niet gebleken is dat eiseres in bezwaar kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft gemaakt die op grond van het BPB voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proceskostenveroordeling te matigen op grond van het feit dat de gemachtigde van eiseres eveneens optreedt als de gemachtigde van [naam]. De mate van samenhang tussen beide zaken rechtvaardigt een dergelijke matiging niet, nu de in het geding zijnde besluiten gericht zijn op een verschillend rechtsgevolg (vergelijk de uitspraak van de CRvB van 15 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8391).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 aan haar vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van

€ 992.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hamaker, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.W. Blok, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.