Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1111

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
01-03-2016
Zaaknummer
05/980625-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

54–jarige Epenaar vrijgesproken van oplichting bank, maar wel veroordeeld voor belastingfraude

De rechtbank heeft een 54 jarige Epenaar veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur en een geldboete van € 10.000,- voor het doen van onjuiste aangifte inkomstenbelasting over 2007. Verdachte had als begunstigde van een Nederlands Antilliaanse Stichting Particulier Fonds het resultaat van een aandelentransactie moeten aangeven in box II als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Verdachte is vrijgesproken van het stelselmatig oplichten van een bank door grootschalige fraude met incassocontracten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

zittingsplaats Zutphen

team strafrecht

parketnummer : 05/980625-13

datum uitspraak : 1 maart 2016

tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats]

raadsman mr. I.P. Sigmond, advocaat te Heerlen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2016, 19 januari 2016 en 16 februari 2016.

1 Inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging

(de wijziging is cursief weergegeven), ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2007 tot

en met 29 januari 2010 in de gemeente Zwolle en/of Apeldoorn en/of Amsterdam,

en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer

natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, met het

oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

- door het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, en/of

- door listige kunstgrepen, en/of

- door een samenweefsel van verdichtsels,

te weten door:

a. met bestaande dan wel speciaal hiervoor opgerichte ondernemingen, in

de vorm van besloten vennootschappen, een constructie van besloten

vennootschappen vorm te geven, met in de naam (telkens) een reeds bestaande

horecaformule en/of een deel van de naam van een bekende onderneming binnen

het [concern] en/of vallend binnen het stelsel van besloten

vennootschappen van [bedrijf 1]

; en/of

b. middels deze constructie van besloten vennootschappen, bij de ABN AMRO bank

N.V. (verder te noemen ABN AMRO bank) te doen voorkomen dat verdachte en/of

zijn medeverdachte(n) (in)direct als franchisegever fungeerden voor diverse

franchisenemers, te weten diverse (bestaande) horecagelegenheden; en/of

c. te doen voorkomen dat ten behoeve van deze fanchiseverhouding(en) een

automatische incasso en/of een incassocontract noodzakelijk was voor het

innen van een gebruikersvergoeding en/of een franchisevergoeding en/of een

reclamevergoeding en/of een pachtsom bij de franchisenemer(s), dan wel een

andere vergoeding betrekking hebbend op de franchiseverhouding; en/of

d. op naam van één of meer van deze besloten vennootschappen, 22 althans één

of meer rekeningen bij de Postbank N.V. (thans ING-bank N.V., verder te

noemen Postbank) te openen (D-0257); en/of

e. te doen voorkomen bij de ABN AMRO bank dat de franchisenemer(s) de

rekening(en) had(den) geopend en/of die geopende rekeningen

aanhielden bij de Postbank en daarbij niet te vertellen dat verdachte

en/of zijn medeverdachte(n) (zelf) deze rekening(en) heeft/hebben geopend

en/of dat verdachte en/of zijn mededader(s) deze

rekening(en) in beheer had(den); en/of

f. op naam van één of meer van deze besloten vennootschappen, 27 en/of 16,

althans één of meer, rekening(en) bij de ABN AMRO bank (D-0232) te openen

met een incassofaciliteit, althans een mogelijkheid tot automatische

incasso op de onder d genoemde rekening(en) bij de Postbank; en/of

g. aan de ABN AMRO bank (een) incassocontract(en) te overleggen (als ware

deze) van de Rabobank Noord-Oost Veluwe (thans Raobank Noord-Veluwe,

verder te noemen Rabobank) en/of met deze/dit incassocontract(en) van de

Rabobank, de ABN AMRO bank te laten zien dat verdachte en/of zijn

mededader(s), al dan niet via een besloten vennootschap, hiermee de

gebruikersvergoeding en/of de franchisevergoeding en/of reclamevergoeding

en/of overige betalingsverplichtingen van franchisenemers, incasseerden

bij de Rabobank en dit wilden voortzetten bij de ABN AMRO bank, wetende dat

bestaande franchisenemers nooit facturen zouden krijgen met hierop

vermelding van een ABN AMRO bankrekening en/of nooit zelf gelden zouden

storten op een ABN AMRO bankrekening en/of er nooit gelden van de

franchisenemers zouden worden ontvangen op de ABN AMRO bankrekeningen; en/of

h. 16 althans één of meer incassocontracten, af te sluiten met de ABN AMRO

bank, waarbij gebruik werd gemaakt van de incassofaciliteiten met

"automatisch herhaald aanbieden", waardoor het te incasseren bedrag door de

ABN AMRO zelf, al dan niet middels tussenkomst van Equens, vooruitlopend op

het slagen van de incasso, althans op voorschotbasis, (telkens) reeds op

één van voornoemde ABN AMRO rekening(en) werd gestort: en/of

i. (telkens) bedragen, in ieder geval enig bedrag, dat werd ontvangen op de ABN AMRO

bankrekening(en) direct, althans binnen vijf dagen door te storten naar een

bankrekening van verdachte en/of zijn mededader(s) en/of naar een

bankrekening van (een) aan verdachte en/of zijn mededader(s) gelieerde

rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en); en/of

j. in deze periode van vijf (werk)dagen een nieuwe incasso te laten

plaatsvinden zodat de door de ABN AMRO bank geactiveerde stornering van het

eerder op voorschotbasis betaalde bedrag mogelijk werd gemaakt; en/of

k. bovengenoemde handelingen vermeld onder i en j, dagelijks, althans (zeer)

regelmatig in een bepaald patroon, te herhalen, waardoor de kans zo klein

mogelijk gehouden werd dat de ABN AMRO bank feitelijke aanwezigheid van

een debetsaldo kon ontdekken;

de ABN AMRO bank (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van één of meer

geldbedrag(en) tot een totaal van 11.139.958,44 EUR of daaromtrent, althans

van enig geldbedrag, althans tot de afgifte van enig goed en/of tot het

verlenen van een dienst en/of tot het aangaan van een schuld;

art 326 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

[medeverdachte] (05/980628-13) op één of meer tijdstippen in of omstreeks de

periode 1 januari 2007 tot en met 29 januari 2010 in de gemeente Zwolle en/of

Apeldoorn en/of Amsterdam, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging

met één of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans

alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

- door het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, en/of

- door listige kunstgrepen, en/of

- door een samenweefsel van verdichtsels,

te weten door:

a. met bestaande dan wel speciaal hiervoor opgerichte ondernemingen, in

de vorm van besloten vennootschappen, een constructie van besloten

vennootschappen vorm te geven, met in de naam (telkens) een reeds bestaande

horecaformule en/of een deel van de naam van een bekende onderneming binnen

het [concern] en/of vallend binnen het stelsel van besloten

vennootschappen van [bedrijf 1]

; en/of

b. middels deze constructie van besloten vennootschappen, bij de ABN AMRO bank

N.V. (verder te noemen ABN AMRO bank) te doen voorkomen dat verdachte en/of

zijn medeverdachte(n) (in)direct als franchisegever fungeerden voor diverse

franchisenemers, te weten diverse (bestaande) horecagelegenheden; en/of

c. te doen voorkomen dat ten behoeve van deze fanchiseverhouding(en) een

automatische incasso en/of een incassocontract noodzakelijk was voor het

innen van een gebruikersvergoeding en/of een franchisevergoeding en/of een

reclamevergoeding en/of een pachtsom bij de franchisenemer(s), dan wel een

andere vergoeding betrekking hebbend op de franchiseverhouding; en/of

d. op naam van één of meer van deze besloten vennootschappen, 22 althans één

of meer rekeningen bij de Postbank N.V. (thans ING-bank N.V., verder te

noemen Postbank) te openen (D-0257); en/of

e. te doen voorkomen bij de ABN AMRO bank dat de franchisenemer(s) de

rekening(en) had(den) geopend en/of die geopende rekeningen

aanhielden bij de Postbank en daarbij niet te vertellen dat verdachte

en/of zijn medeverdachte(n) (zelf) deze rekening(en) heeft/hebben geopend

en/of dat verdachte en/of zijn mededader(s) deze

rekening(en) in beheer had(den); en/of

f. op naam van één of meer van deze besloten vennootschappen, 27 en/of 16,

althans één of meer, rekening(en) bij de ABN AMRO bank (D-0232) te openen

met een incassofaciliteit, althans een mogelijkheid tot automatische

incasso op de onder d genoemde rekening(en) bij de Postbank; en/of

g. aan de ABN AMRO bank (een) incassocontract(en) te overleggen (als ware

deze) van de Rabobank Noord-Oost Veluwe (thans Raobank Noord-Veluwe,

verder te noemen Rabobank) en/of met deze/dit incassocontract(en) van de

Rabobank, de ABN AMRO bank te laten zien dat verdachte en/of zijn

mededader(s), al dan niet via een besloten vennootschap, hiermee de

gebruikersvergoeding en/of de franchisevergoeding en/of reclamevergoeding

en/of overige betalingsverplichtingen van franchisenemers, incasseerden

bij de Rabobank en dit wilden voortzetten bij de ABN AMRO bank, wetende dat

bestaande franchisenemers nooit facturen zouden krijgen met hierop

vermelding van een ABN AMRO bankrekening en/of nooit zelf gelden zouden

storten op een ABN AMRO bankrekening en/of er nooit gelden van de

franchisenemers zouden worden ontvangen op de ABN AMRO bankrekeningen; en/of

h. 16 althans één of meer incassocontracten, af te sluiten met de ABN AMRO

bank, waarbij gebruik werd gemaakt van de incassofaciliteiten met

"automatisch herhaald aanbieden", waardoor het te incasseren bedrag door de

ABN AMRO zelf, al dan niet middels tussenkomst van Equens, vooruitlopend op

het slagen van de incasso, althans op voorschotbasis, (telkens) reeds op

één van voornoemde ABN AMRO rekening(en) werd gestort: en/of

i. (telkens) bedragen, in ieder geval enig bedrag, dat werd ontvangen op de ABN AMRO

bankrekening(en) direct, althans binnen vijf dagen door te storten naar een

bankrekening van verdachte en/of zijn mededader(s) en/of naar een

bankrekening van (een) aan verdachte en/of zijn mededader(s) gelieerde

rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en); en/of

j. in deze periode van vijf (werk)dagen een nieuwe incasso te laten

plaatsvinden zodat de door de ABN AMRO bank geactiveerde stornering van het

eerder op voorschotbasis betaalde bedrag mogelijk werd gemaakt; en/of

k. bovengenoemde handelingen vermeld onder i en j, dagelijks, althans (zeer)

regelmatig in een bepaald patroon, te herhalen, waardoor de kans zo klein

mogelijk gehouden werd dat de ABN AMRO bank feitelijke aanwezigheid van

een debetsaldo kon ontdekken;

de ABN AMRO bank (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van één of meer

geldbedrag(en) tot een totaal van 11.139.958,44 EUR of daaromtrent, althans

van enig geldbedrag, althans tot de afgifte van enig goed en/of tot het

verlenen van een dienst en/of tot het aangaan van een schuld;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks de

periode 1 januari 2006 tot en met 29 januari 2010 in de gemeente Zwolle en/of

Apeldoorn, en/of elders in Nederland en/of Bonaire, opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft

verschaft door:

1. bij de ABN AMRO bank te vertellen, dat verdachte en/of zijn

medeverdachte(n) een grote franchiseorganisatie had(den) en/of veel

incassocontracten bij de Rabobank had(den) en/of incassocontracten ook bij

de ABN AMRO bank wilde(n) hebben, en/of dat de incassocontracten bedoeld

waren om franchisefees en/of andere aan franchise te relateren bedragen te

incasseren en/of bij dit gesprek bij de ABN AMRO bank te spreken over de

incassocontracten bij de Rabobank; en/of

2. het overleggen van de/een incassocontract(en)(als waren deze van de

Rabobank) aan de ABN AMRO bank (G-012-01 blz. 5); en/of

3. één of meer incassocontract(en) met de ABN AMRO bank (mede) te

ondertekenen; en/of

4. één of meer voornoemde bankrekening(en) te openen bij de ABN AMRO bank;

en/of

5. zich mede bezig te houden met (de planning van) het openen van de

bankrekeningen bij de ABN AMRO bank en/of bij (de planning van) het

afsluiten de bijbehorende incassocontracten (D-709) en/of bij het bepalen

wie een bankpas ontvangt en met welke bijbehorende autorisatie; en/of

6. het voeren van evaluatiegesprekken met de ABN ANMRO bank op 13 juni 2008,

11 november 2008, 4 mei 2008, 28 september 2009, 12 oktober 2009, 1

december 2009 en/of 24 december 2009; en/of

7. het wijzigen van een wachtwoord voor het internetbankieren bij de ABN AMRO

bank (D-0747);

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 maart 2009 in de gemeente Apeldoorn en/of elders in

Nederland, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld

in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte over het

jaar 2007 in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, onjuist of onvolledig

heeft gedaan, immers heeft verdachte opzettelijk op deze aangifte,

- niet aangekruist dat verdachte de beschikking/het beheer had over het

inkomen en/of vermogen binnen de [stichting 1]

, althans geen kruisje gezet bij vraag 39a (D-0200 en onderdeel 47

van document D-0227) van de aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2007

en/of

- geen melding gemaakt van het reguliere voordeel uit aanmerkelijk belang,

zoals staat vermeld bij vraag 20 (D-0200 en onderdeel 28 van D-0227) dat

verdachte heeft verkregen door de opbrengst van de verkoop van de bij de [stichting 1]

in bezit zijnde aandelen van [bedrijf 2] en/of

[bedrijf 3]

welk feit ertoe heeft gestrekt dat er te weinig belasting is geheven

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen.

2 Overwegingen

Aanleiding onderzoek

Op 28 september 2011 heeft ABN AMRO Bank NV aangifte van oplichting gedaan tegen de verdachte en zijn broer [medeverdachte] (en tegen aan hen gelieerde vennootschappen). Door vermoedelijk frauduleus handelen bij het gebruik van incassocontracten, waarbij in de periode van januari 2007 tot en met januari 2010 in totaal 76.503 incasso’s ten laste van rekeningen bij de Postbank zijn uitgevoerd, welke incasso’s vrijwel allemaal weer zijn gestorneerd, is ABN AMRO volgens de aangifte tot een bedrag van ruim € 11 miljoen benadeeld.

Uit een boekencontrole door de Belastingdienst is daarnaast de verdenking ontstaan dat verdachte over 2007 een onjuiste aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan.

In het tripartiete overleg van 3 september 2012 is besloten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair (als medepleger) en 2 ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht aan de hand van haar schriftelijke requisitoir.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde. Met betrekking tot het onder 2 tenlastelegde heeft de raadsman primair vrijspraak bepleit en subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft het standpunt van de verdediging ter zitting toegelicht aan de hand van zijn pleitnota.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Aan verdachte wordt verweten dat hij als medepleger of medeplichtige betrokken is geweest bij grootschalige incassofraude, waarbij ABN AMRO in een periode van drie jaar voor een aanzienlijk bedrag stelselmatig zou zijn opgelicht. In de tenlastelegging is een aantal feitelijke gedragingen omschreven, met name het bij herhaling, volgens een vast patroon, laten uitvoeren van incasso‑opdrachten met Automatisch Herhaald Aanbieden, waardoor de bank telkens zou zijn bewogen tot het afgeven van geldbedragen, die voor een deel zijn afgeroomd. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs dat al bij het openen van de rekeningen bij ABN AMRO en het afsluiten van de incassocontracten (door verdachte) gehandeld werd op basis van een vooropgezet plan om de bank op deze manier op te lichten. Naar het oordeel van de rechtbank is voor een bewezenverklaring van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde ten minste vereist dat kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van bedoelde feitelijke gedragingen en met name van het frauduleuze doel en karakter daarvan. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte van bepaalde onderdelen wel op de hoogte was, zoals dat hij kennis had van de mede door hemzelf geopende rekeningen bij ABN AMRO en van de daarbij afgesloten incassocontracten alsook van de rekeningen die bij de Postbank waren geopend en die bij de incassofraude als tegenrekening een rol hebben gespeeld. De getuige [getuige] , werkzaam bij administratiekantoor [naam 1] , heeft verklaard over de handelingen die er rond de incasso’s en in het bijzonder rond het herhaaldelijk insturen van incasso‑batches werden verricht. Zij heeft aangegeven dat zij die handelingen, vrijwel dagelijks, uitvoerde in opdracht van [medeverdachte] en dat diezelfde [medeverdachte] de incasso‑batches ook zelf instuurde. Volgens Karrenbelt heeft zij daarbij nooit met verdachte te maken gehad en deed verdachte de incasso’s zelf ook nooit. Eén van de getuigen meent zich te herinneren dat verdachte wel eens de incasso’s deed als de medeverdachte met vakantie was en een andere getuige vermoedt dat verdachte ook wel eens incasso‑opdrachten heeft ingestuurd. Overigens is er geen enkel bewijs voorhanden (waaruit zonder meer valt af te leiden) dat verdachte op de hoogte was van de door zijn broer ten aanzien van de rekeningen bij ABN AMRO in stand gehouden incassopraktijk, laat staan dat verdachte wetenschap had van het frauduleuze karakter daarvan. Alleen de medeverdachte belast verdachte in die zin dat hij heeft verklaard dat verdachte ook wel automatische incasso‑opdrachten heeft ingestuurd en dat verdachte van alles op de hoogte zou zijn geweest. Die verklaring maakt echter nog niet concreet wat dat alles dan zou zijn en of daaronder ook de wetenschap valt van de tenlastegelegde gedragingen waarmee ABN AMRO zou zijn opgelicht. Nu niet met de voor een bewezenverklaring vereiste zekerheid kan worden aangenomen dat verdachte kennis had van het doel van de vanaf de rekeningen bij ABN AMRO uitgevoerde incasso‑opdrachten en evenmin dat hij die opdrachten zelf heeft ingestuurd of anderszins daarbij betrokken was, kan het onder 1 tenlastegelegde noch in de vorm van medeplegen noch in de vorm van medeplichtigheid wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Van belang hierbij is ook dat door het ontbreken van kennis en actieve betrokkenheid van verdachte ook niet kan worden gezegd dat hij vanwege de samenwerking met zijn broer bewust de aanmerkelijke kans zou hebben aanvaard dat de rekeningen bij ABN AMRO voor de tenlastegelegde incassofraude gebruikt zouden worden, alsmede dat verdachte vanaf 31 augustus 2007 geen bestuurder meer was van [bedrijf 1] en dat aannemelijk is geworden dat verdachte in elk geval in de periode daarna zich ook niet of nauwelijks meer heeft beziggehouden met horeca‑activiteiten van de [bedrijf 1] .

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 2

Het onderzoek van de FIOD is voortgekomen uit een boekencontrole door de Belastingdienst, in het kader waarvan de Belastingdienst heeft kennisgenomen van een vaststellingsovereenkomst tussen verdachte en ABN AMRO van 5 juli 2010. Verdachte en zijn broer [medeverdachte] hebben om te voldoen aan de door ABN AMRO vereiste zekerheden een overzicht van hun onroerend goed waaronder onroerend goed op Bonaire overgelegd. Dit vastgoed werd gehouden door middel van een Nederlands Antilliaanse Stichting Particulier Fonds (SPF): [stichting 1] . [stichting 1] was door middel van belangen in onder meer [bedrijf 2] en [bedrijf 3] eigenaar van het vastgoed. [stichting 1] hield 2/3 van de aandelen in [bedrijf 2] en 2/3 van de aandelen in [bedrijf 3] . De andere 1/3 van die aandelen werd gehouden door [stichting 2] . [stichting 2] is te linken aan een derde persoon ( [naam 3] ). Verdachte en zijn broer waren achterligger – economisch eigenaar of begunstigde – van [stichting 1] .

[stichting 1] is op 25 augustus 2004 opgericht en volgens het handelsregister gevestigd op het [adres] Bonaire. Als bestuursleden staan ingeschreven: [naam 3] en [bedrijf 4] van [naam 4] .

In 2007 is de helft van de aandelen in [bedrijf 2] en [bedrijf 3] met winst verkocht. Vaststaat dat verdachte noch van zijn betrokkenheid bij [stichting 1] als achterligger noch van het op die aandelentransactie behaalde resultaat aangifte heeft gedaan voor de inkomstenbelasting over 2007. Bij vraag 39 van het aangifteformulier wordt geïnformeerd naar betrokkenheid bij een trustvermogen of een daarmee te vergelijken doelvermogen (naar buitenlands recht), zoals een Antilliaanse Stichting Particulier Fonds, en wordt erop gewezen dat als daarvan sprake is het desbetreffende hokje moet worden aangekruist. De aangifte, gedateerd 27 maart 2009 en elektronisch gedaan in Apeldoorn, is in opdracht van verdachte opgemaakt door een boekhouder, die niet op de hoogte was van de betrokkenheid van verdachte bij [stichting 1] of van het resultaat van de aandelentransactie.

Die boekhouder, [naam 5] , heeft verklaard dat hij niet heeft geweten van een trustvermogen of van andere belangen van verdachte op de Nederlandse Antillen. Van de term achterligger had hij ook niet eerder gehoord.

Een letter of intent en een daaraan gehechte verklaring van 6 februari 2007 houden in dat [bedrijf 5] met [stichting 1] en [stichting 2] overeenkomt dat [bedrijf 5] de helft van de aandelen in [bedrijf 2] en [bedrijf 3] verwerft. Ook is volgens dat document overeengekomen dat [bedrijf 5] de vorderingen van [stichting 1] en [stichting 2] op [bedrijf 2] en [bedrijf 3] overneemt. De koopprijs is bepaald op $ 1.000.000,- waarop in mindering wordt gebracht de helft van de waarde van bedoelde vorderingen op [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . Betaling van de koopprijs zou als volgt plaatsvinden: 50% bij de akten van levering van de aandelen en 50% bij de start van een nader genoemd vastgoedproject. Een Overeenkomst en akte houdende aandelenoverdracht houden diezelfde afspraken in.

Op 8 februari 2007 heeft [naam 6] van [bedrijf 5] opdracht gegeven aan de Rabobank Rijssen Enter om een bedrag van $ 500.000,- over te maken aan [bedrijf 6] in Epe op [bankrekeningnummer] o.v.v. ‘Voorschot aankoop aandelen [bedrijf 3] en [bedrijf 2] ’. Op 28 juni 2007 wordt een vergelijkbare betalingsopdracht gegeven o.v.v. ‘aankoop aandelen [bedrijf 3] en [bedrijf 2] ’.

[naam 4] heeft verklaard dat de achterligger bepaalt wat er gebeurt en dat als de achterligger zegt dat er verkocht of gekocht moet worden, er verkocht of gekocht wordt, alsmede dat de achterligger kan beschikken over het inkomen en vermogen van de SPF. Verdachte en zijn broer waren in feite handelingsbevoegd voor de SPF. [naam 4] was formeel wel tekenbevoegd maar in de praktijk zou hij niet mogen tekenen, omdat zijn managementcontract dat niet toeliet. Verdachte en zijn broer waren feitelijk beslissingsbevoegd voor [stichting 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is [stichting 1] transparant en konden verdachte en zijn broer over het inkomen en vermogen van [stichting 1] beschikken als ware dat hun eigen inkomen en vermogen. Hierbij zijn tevens de volgende tijdens het onderzoek in beslag genomen stukken en de daarbij vermelde feiten en omstandigheden van belang (waarbij steeds het in het dossier gehanteerde documentnummer is vermeld):

  • -

    D-0211 (een aandeelhoudersovereenkomst van april 2007 betreffende de hiervoor bedoelde aandelenoverdracht waarin verdachte partij is);

  • -

    D-0205 (een letter of intent over de voorgenomen aandelenoverdracht);

  • -

    D-0206 (een verklaring bij de letter of intent waarin verdachte en zijn broer toestemming geven aan [naam 4] als bestuurder om de letter of intent namens [stichting 1] te ondertekenen);

  • -

    D-0220 (een overeenkomst van 7 juli 2010 tussen [naam 3] enerzijds en verdachte en zijn broer anderzijds over het bestuur van [stichting 1] , inhoudende dat verdachte en zijn broer onvoorwaardelijk en geheel gerechtigd zijn tot alle revenuen van ondernemingen waarin [stichting 1] een belang uitoefent);

  • -

    D-0221 (een e‑mailbericht van 13 april 2008 over het accorderen van facturen aan [bedrijf 2] en [bedrijf 3] door verdachte);

  • -

    D-0222 (een e‑mailbericht van 28 juni 2007 waarin gerefereerd wordt aan een afspraak met verdachte en zijn broer over betaling van een deel van de koopsom van de aandelentransactie op rekening van [bedrijf 6] );

  • -

    D-0223 (een samenwerkingsovereenkomst ter zake projectmanagement van 9 januari 2007, waarbij verdachte als vertegenwoordiger van [bedrijf 3] optreedt);

  • -

    D‑0224 en D‑0225 (e‑mailberichten van verdachte over het laten opmaken van een overeenkomst en het tekenen als achterligger van [stichting 1] );

  • -

    D‑0226 (gespreksverslag van 5 maart 2007 betreffende een bespreking op 27 februari 2007 over de voorgenomen aandelentransactie); en

  • -

    D‑0051 (een pandakte inhoudende dat verdachte aan ABN AMRO in pand geeft de winsten uit vastgoedprojecten waartoe hij gerechtigd is door middel van [stichting 1] ).

Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte het vakje waarmee hij kenbaar kon maken dat hij als achterligger betrokken was bij een trust of een ander doelvermogen naar buitenlands recht zoals een Stichting Particulier Fonds naar Nederlands Antilliaans recht moeten aankruisen. Verdachte had dit uit de vraagstelling en de toelichting daarop ook moeten begrijpen. De omstandigheid dat verdachte geen bestuurder van [stichting 1] is, kan niet tot een ander oordeel leiden. Met vraag 39 van de aangifte inkomstenbelasting wordt opgave verlangd van een gegeven waarvan kennisneming van belang kan zijn voor de heffing, zodat de Belastingdienst in de gelegenheid is nader onderzoek te doen en de juiste heffing te bepalen.

Omdat [stichting 1] transparant is diende verdachte de winst van de verkoop van de aandelen in [bedrijf 2] en [bedrijf 3] op te geven in box II als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Dat (een gedeelte van) de prijs van de aandelen in opdracht van verdachte en zijn broer is overgemaakt op een rekening van [bedrijf 6] , kan niet tot een ander oordeel leiden.

Verdachte heeft nagelaten informatie over [stichting 1] te verstrekken aan degene die voor hem de aangifte inkomstenbelasting 2007 verzorgde. Door zo te handelen heeft hij, gegeven zijn betrokkenheid als achterligger bij de als transparant te beschouwen [stichting 1] en gegeven het op de aandelentransactie behaalde resultaat, welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een onvolledige en (daardoor) onjuiste aangifte inkomstenbelasting 2007 zou doen.

De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde als hierna aangegeven.

De Belastingdienst heeft het fiscale nadeel berekend op € 42.062,-.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 27 maart 2009 in de gemeente Apeldoorn en/of elders in

Nederland, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld

in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte over het

jaar 2007 in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, onjuist of onvolledig

heeft gedaan, immers heeft verdachte opzettelijk op deze aangifte,

- niet aangekruist dat verdachte de beschikking/het beheer had over het

inkomen en/of vermogen binnen de [stichting 1]

, althans geen kruisje gezet bij vraag 39a (D-0200 en onderdeel 47

van document D-0227) van de aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2007

en/of

- geen melding gemaakt van het reguliere voordeel uit aanmerkelijk belang,

zoals staat vermeld bij vraag 20 (D-0200 en onderdeel 28 van D-0227) dat

verdachte heeft verkregen door de opbrengst van de verkoop van de bij de [stichting 1]

in bezit zijnde aandelen van [bedrijf 2] en/of

[bedrijf 3]

welk feit ertoe heeft gestrekt dat er te weinig belasting is geheven.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4 Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

5 Strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom verdachte zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7a. Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden ontzet van het recht het beroep van statutair bestuurder van een rechtspersoon uit te oefenen voor de duur van vijf jaar.

In haar strafeis heeft de officier van justitie onder meer betrokken:

- de vooropgezette en gewiekste wijze waarop verdachte samen met zijn broer gedurende een aantal jaren op grootschalige wijze ABN AMRO heeft opgelicht;

- de aantasting van het vertrouwen in de financiële wereld die dit soort frauduleuze praktijken tot gevolg heeft;

- dat verdachte met het verkregen geld een keten aan bedrijven van hem en zijn broer gedurende de crisis in leven heeft gehouden en daarmee de indruk heeft gewekt dat zij geslaagde ondernemers waren;

- dat verdachte door middel van zijn handel en wandel om op onorthodoxe wijze zaken te doen snel zijn zakken heeft gevuld; en

- dat verdachte zijn verantwoordelijkheden als leidinggevende van ondernemingen niet serieus heeft genomen en enkel keuzes heeft gemaakt die voor hemzelf voordelig waren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte een blanco strafblad heeft. Als al tot een bewezenverklaring kan worden gekomen is van belang dat er geen sprake van enige zelfverrijking is geweest.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte, zoals van één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 1 december 2015, waaruit naar voren komt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die leiden tot de keuze van een onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur in combinatie met een onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte – dat verdachte een onjuiste aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan. Door de onjuiste aangifte zijn de fiscus in het bijzonder en de maatschappij in het algemeen benadeeld. Een dergelijke gedraging ondermijnt bovendien de belastingmoraal. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met het fiscale benadelingsbedrag.

Naar het oordeel van de rechtbank is de termijn waarbinnen de behandeling van de zaak ter terechtzitting met een eindvonnis diende te zijn afgerond aangevangen met de doorzoekingen op 28 mei 2013. Mede vanwege de ingewikkeldheid van de zaak en de omvang van het vooronderzoek, inclusief de mogelijkheden die de verdediging in het kader daarvan zijn geboden voor nader onderzoek onder leiding van de rechter‑commissaris, is die termijn in dit geval in redelijkheid op drie jaren te stellen. Er is bijgevolg geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank komt tot het opleggen van een andere, minder zware, straf dan de officier van justitie heeft gevorderd, nu zij, anders dan de officier van justitie, alleen het onder 2 ten laste gelegde bewezen acht. De rechtbank zal aan verdachte, vanwege de aard van het bewezenverklaarde, naast een werkstraf ook een geldboete opleggen.

Mede vanwege de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde zal de rechtbank verdachte niet ontzetten van het recht het beroep van statutair directeur uit te oefenen.

7b. Beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij ABN AMRO Bank NV heeft zich met een vordering van 28 oktober 2015 (gemachtigde [naam 7] ) tot schadevergoeding ten bedrage van € 11.333.485,60 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

De vordering betreft de volgende posten:

€ 11.124.987,47 fraudebedrag

€ 201.498,13 uitwinningskosten; en

€ 7.000,- onderzoekskosten (40 uur à € 175,-)

=========== (+

€ 11.333.485,60

Standpunt van de officier van justitie

De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij integraal kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de benadeelde partij in de vordering niet‑ontvankelijk te verklaren. De verdediging was niet op de hoogte van de vordering. De officier van justitie heeft in strijd met artikel 51g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering nagelaten van de voeging schriftelijk mededeling te doen aan verdachte. Daarnaast is de voeging niet voorzien van een schriftelijke machtiging van de directie van ABN AMRO Bank NV. Verder zou de behandeling van een vordering van deze omvang een onevenwichtige belasting van het strafproces met zich brengen. Ook heeft de raadsman de hoogte van de vordering betwist.

Beoordeling door de rechtbank

De voeging is niet voorzien van een schriftelijke machtiging waaruit naar voren komt dat [naam 7] , niet zijnde een advocaat, gemachtigd is ABN AMRO Bank NV te vertegenwoordigen. De benadeelde partij zal daarom niet‑ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering nog wel aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8 Toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 69 en 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor, onder 4, voormeld en verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

een werkstraf gedurende 80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen; en

een geldboete van € 10.000,- (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 dagen hechtenis;

 verklaart de benadeelde partij ABN AMRO Bank NV niet-ontvankelijk in haar vordering (ten aanzien van feit 1).

Aldus gewezen door mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter, mr. M.F. Gielissen en mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van L.E.M. van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 maart 2016.