Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1110

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-02-2016
Datum publicatie
01-03-2016
Zaaknummer
05/880236-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Militaire Kamer in de rechtbank Gelderland legt aan een 53-jarige ex-militair een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, op wegens schending van zijn ambtsgeheim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/880236-15

Datum uitspraak : 29 februari 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats]

Raadsman: mr. E.A. Breetveld, advocaat te 's-Gravenhage.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 15 februari 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014

tot en met 1 juli 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, telkens (een) geheim(en) waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep en/of wettelijk voorschrift en/of beroep, te weten opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, door in de hem,

verdachte, ten dienste staande (geautomatiseerde)politie- en/of opsporings-

systemen, personen en/of kentekens en/of (strafrechtelijke) (onderzoeks)gegevens

op te zoeken en/of te raadplegen en dit/deze geheim(en) en/of gegevens tegen

betaling en/of (een) andere tegenprestatie(s) mede te delen aan(een) niet tot

kennisneming van dit/deze geheim(en) en/of gegevens bevoegde perso(o)n(en).

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen logging systemen pag. 37-40;

- het proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen telefoon verdachte met bijlagen, pag. 94-169;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 februari 2016.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014

tot en met 1 juli 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, telkens (een) geheim(en) waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van zijn ambt, beroep en/of wettelijk voorschrift en/of beroep, te weten opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, door in de hem,

verdachte, ten dienste staande (geautomatiseerde) politie- en/of opsporings-

systemen, personen en/of kentekens en/of (strafrechtelijke) (onderzoeks)gegevens

op te zoeken en/of te raadplegen en dit/deze geheim(en) en/of gegevens tegen

betaling en/of (een) andere tegenprestatie(s) mede te delen aan(een) niet tot

kennisneming van dit/deze geheim(en) en/of gegevens bevoegde perso(o)n(en).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 8 januari 2016.

De militaire kamer heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte, die in de rang van opperwachtmeester werkzaam was als medewerker antecedentenonderzoeken bij de Koninklijke Marechaussee, heeft zich gedurende een geruime periode vele malen schuldig gemaakt aan schending van zijn ambtsgeheim. Uit hoofde van zijn functie had hij toegang tot meerdere politiebevragingssystemen. Dergelijke systemen bevatten geheime informatie, die slechts bedoeld is om te worden geraadpleegd wanneer dit noodzakelijk is uit hoofde van de functie en ten behoeve van een lopend onderzoek. Die informatie mag niet aan derden verstrekt worden. Dit alles was verdachte bekend. Hij heeft desondanks voor een derde - een oud-collega, met wie verdachte op goede voet stond - vele malen die systemen geraadpleegd en zodoende verkregen gegevens over personen en kentekens aan die derde verstrekt. Verdachte ontving in ruil voor deze informatie geld en etentjes en drankjes.

De militaire kamer rekent verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie als opsporingsambtenaar en het in hem gestelde vertrouwen heeft geschonden. Daarbij is door deze activiteiten van verdachte tenminste eenmaal een door de politie opgezette operatie stukgelopen en niet kan worden uitgesloten dat meer politieacties hierdoor zonder het beoogde resultaat zijn gebleven. De militaire kamer neemt het verdachte voorts kwalijk dat hij zijn professionele houding en verantwoordelijkheid – die juist van hem als opperwachtmeester mocht worden verwacht – stelselmatig uit het oog heeft verloren. Van verdachte mocht volledige integriteit en onkreukbaarheid worden verwacht. De stelling van verdachte dat hij aanvankelijk zijn oud-collega wilde helpen en vervolgens niet meer terug kon, acht de militaire kamer niet acceptabel.

Verdachte heeft meermalen de kans gehad om zijn verantwoordelijkheid te nemen en te stoppen met het lekken van vertrouwelijke informatie, maar hij heeft dat niet gedaan. De feiten zijn immers aan het licht gekomen niet door handelen van verdachte. Met enkel oog voor zijn eigen (financieel) gewin heeft verdachte met zijn handelen niet alleen het vertrouwen beschaamd dat in hem als opperwachtmeester werd gesteld, maar ook heeft hij grote inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat de maatschappij in medewerkers van de Koninklijke Marechaussee mag hebben.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de militaire kamer van de rechtbank zonder meer een gevangenisstraf als passende sanctie in aanmerking.

De militaire kamer houdt evenwel ook rekening met het ontslag, zonder predicaat ‘eervol’, van verdachte en de gevolgen daarvan voor hem. Eveneens neemt de militaire kamer in aanmerking dat de kans op recidive nagenoeg is uitgesloten . Tot slot weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat hij blijkens zijn justitiële documentatie niet eerder voor enig strafbaar feit met politie of justitie in aanraking is geweest.

Alles afwegende en ook gelet op het wettelijk strafmaximum van één jaar, zoals dat is gesteld op schending van artikel 272 Wetboek van Strafrecht, ziet de militaire kamer aanleiding een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van na te melden duur.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57 en 272 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De militaire kamer:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald:

dat de veroordeelde zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak (voorzitter), mr. H.G. Eskes en kapitein ter zee logistieke dienst mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg (militair lid), rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 februari 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee, Staf CKMar, afdeling Kabinet/Cluster Integriteit, sectie Interne Onderzoeken, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27AZ/14-000340, gesloten op 7 september 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.