Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1097

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 8838
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Naheffingsaanslag. Maandaangifte. Niet vereiste aangifte gedaan door uit te gaan van onjuiste catalogusprijzen. Ook moeten twee auto’s worden vergeleken met nieuwe auto’s. Redelijke schatting. Eiser heeft onjuistheid van de naheffingsaanslag niet doen blijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/501
FutD 2016-0598
NTFR 2016/1079 met annotatie van Drs. M.J.M.A. Toet
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/8838

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 3 maart 2016

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak juni 2009 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000] ) belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 44.384. Tevens is bij beschikking € 4.170 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 november 2014 de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 18 december 2014, door de rechtbank ontvangen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , mr. [A] , mr. [B] en [C] .

Ter zitting zijn gelijktijdig met het onderhavige beroep de beroepen van eiser met zaaknummers 13/4153, 13/4154, 13/4155 en 14/8837 behandeld, alsmede het beroep van [D] B.V. (hierna: [D] ) met zaaknummer 15/188.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser handelt in auto’s van verschillende merken. Hij voert regelmatig auto’s van verschillende merken in, maar is van geen enkel merk officieel importeur. Hij verkoopt deze auto’s uitsluitend aan handelaren. Eiser heeft zijn bedrijfsactiviteiten per 11 november 2011 ingebracht in [D] .

2. Aan eiser was krachtens artikel 8 van de Wet op de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) vergunning verleend om per tijdvak van een kalendermaand aangifte te doen.

3. Over de maand juni 2009 heeft eiser op 3 juli 2009 aangifte BPM gedaan ter zake van 19 auto’s naar een bedrag van € 149.348. Op 29 juli 2009 heeft hij een gewijzigde aangifte ingediend ter zake van dezelfde auto’s naar een bedrag van € 124.611. Op dit aangifteformulier is vermeld “Eerdere aangifte is nog niet voldaan en dient vernietigd te worden. Op deze aangifte te betalen € 124.611”.

4. Nadat verweerder geconstateerd had dat eiser het aangegeven bedrag niet had voldaan, heeft hij op 4 september 2009 een naheffingsaanslag voor het bedrag van € 124.611 opgelegd.

5. Op 29 juli 2013 heeft verweerder de onderhavige (tweede) naheffingsaanslag opgelegd.

Geschil

6. In geschil is of verweerder de onderhavige naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd. Met name is in geschil of eiser bij de aangifte op juiste wijze de handelsinkoopwaarde en de catalogusprijs van de auto’s heeft bepaald en of twee van de negentien auto’s als nieuw moeten worden beschouwd.

Beoordeling van het geschil

7. Verweerder heeft de naheffingsaanslag in eerste instantie gebaseerd op de stelling dat de handelsinkoopwaarden die in de aangifte zijn gehanteerd niet juist kunnen zijn, gelet op de door eiser zelf gerealiseerde verkoopprijzen, die als handelsinkoopwaarden kunnen worden beschouwd, nu eiser slechts verkoopt aan handelaren. Verweerder heeft daarom de koerslijst [E] geraadpleegd. De naheffingsaanslag is gebaseerd op het verschil tussen de in de aangifte vermelde belasting en de belasting die voortvloeit uit de toepassing van de koerslijst [E] dan wel, indien dat gunstiger is, de afschrijvingstabel die is opgenomen in artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.

8. In beroep heeft verweerder aangevoerd dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan, en dat daarom de bewijslast dient te worden omgekeerd. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat eiser te lage catalogusprijzen hanteert, waarop de BPM wordt gebaseerd. Hierdoor is een relatief en absoluut aanzienlijk bedrag aan belasting niet voldaan. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de catalogusprijs correct heeft vastgesteld. Hij kan deze zelf bepalen, omdat hij importeur van de auto’s is. Daarnaast betwist hij dat, uitgaande van gegevens van de officiële importeurs, een aanzienlijk bedrag niet is voldaan.

9. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is bepaald dat indien niet de vereiste aangifte is gedaan, de rechtbank het beroep ongegrond dient te verklaren tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

10. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van een of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast (Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI: NL:HR:2009:BH1083).

11. De rechtbank heeft in de uitspraak van heden in het beroep van [D] met zaaknummer 15/188 geoordeeld dat zij niet als importeur in de zin van artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM kan worden beschouwd, kort gezegd omdat de wetgever het oog heeft op houders van een type-goedkeuring. [D] beschikt daarover niet. Dit geldt ook voor eiser. Daarom kan ook hij niet als importeur in de zin van artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM worden beschouwd. Dit brengt mee dat eiser in de BPM-aangifte dient aan te sluiten bij de catalogusprijzen die de officiële importeur hanteert. Eiser heeft dit niet gedaan. In plaats daarvan heeft hij ervoor gekozen als catalogusprijs te hanteren zijn eigen inkoopprijs (in het buitenland) vermeerderd met 12%. Deze systematiek draagt het risico in zich dat te weinig belasting wordt voldaan, met name in situaties waarin eiser een auto goedkoop uit het buitenland heeft ingevoerd. Zijn eigen inkoopprijs is op die wijze leidend geworden voor de hoogte van de belasting. Dit is onjuist.

12. Partijen zijn het niet eens over de catalogusprijs die de officiële importeur rekent, wat te maken heeft met verschillen in uitvoering en opties, maar zelfs uitgaand van de stukken die eiser nader heeft overgelegd is in veel gevallen sprake van aanzienlijke verschillen met de prijs die eiser in de aangifte heeft vermeld. Dit blijkt uit de navolgende tabel, waarin voor de auto’s de volgorde van de uitspraak op bezwaar is aangehouden.

Nr.

Auto

Catalogusprijs volgens aangifte

Waarde volgens eiser in beroep

1

Volvo [F]

€ 49.355

€ 49.995

2

BMW [G]

€ 75.187

€ 78.108

3

Volvo [H]

€ 67.165

4

Audi [I]

€ 71.881

€ 73.403

5

Volvo [J]

€ 37.240

6

Mercedes [K]

€ 52.486

7

Mercedes [K]

€ 50.349

8

Audi [I]

€ 52.221

€ 52.777

9

Volvo [L]

€ 75.530

€ 81.290

10

Volvo [L]

€ 77.730

€ 81.290

11

VW [M]

€ 30.025

12

Volvo [F]

€ 57.655

13

Audi [N]

€ 44.639

€ 43.976

14

Volvo [L]

€ 71.240

€ 76.025

15

Audi [I]

€ 80.823

€ 86.448

16

Volvo [L]

€ 68.080

€ 71.180

17

VW [O]

€ 45.440

18

Volvo [J]

€ 35.165

€ 34.990

19

Mazda [P]

€ 30.089

13. Verweerder hanteert nog hogere catalogusprijzen op basis van de opgaven van de officiële importeurs. De rechtbank constateert dat zelfs als wordt uitgegaan van de opgave van eiser in beroep, voor ten minste negen auto’s is uitgegaan van een te lage cataloguswaarde. Gemiddeld ligt deze waarde voor die negen auto’s ruim € 3.000 hoger. Dat voor twee andere auto’s in de aangifte is uitgegaan van een iets hogere cataloguswaarde dan thans wordt verdedigd, kan daaraan niet afdoen.

14. Van de overige acht auto’s heeft eiser geen nadere gegevens overgelegd. Dat betekent dat de stelling van verweerder ter zake van de catalogusprijzen voor die auto’s onvoldoende is betwist. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de door verweerder in de uitspraak op bezwaar genoemde consumentenprijzen. Dit leidt tot het navolgende overzicht:

Nr.

Auto

Catalogusprijs volgens aangifte

Waarde volgens verweerder

3

Volvo [H]

€ 67.165

€ 68.190

5

Volvo [J]

€ 37.240

€ 37.485

6

Mercedes [K]

€ 52.486

€ 61.829

7

Mercedes [K]

€ 50.349

€ 66.545

11

VW [M]

€ 30.025

€ 35.956

12

Volvo [F]

€ 57.655

€ 61.725

17

VW [O]

€ 45.440

€ 48.641

19

Mazda [P]

€ 30.089

€ 29.595

Voor de eerste zeven auto’s ligt de catalogusprijs gemiddeld ongeveer € 5.700 hoger dan de waarde die in de aangifte is genoemd. Voor de laatste auto is - anders dan verweerder in de uitspraak op bezwaar heeft gesteld - uitgegaan van een iets hogere waarde.

15. De totale waarde van de negentien auto’s in de aangifte bedraagt € 1.072.300. De waarden zoals die in beroep (ten minste) aannemelijk zijn geworden belopen in totaal € 1.139.448. Het verschil in catalogusprijzen volgens de aangifte en de (ten minste) aannemelijk geworden catalogusprijzen is daarmee gemiddeld ruim 6%. Aannemelijk is dat de netto catalogusprijs, waarop de bruto BPM voor het grootste gedeelte is gebaseerd, daarmee gemiddeld genomen ook ruim 6% te laag is gesteld door eiser. Nu de verschuldigde BPM wordt berekend door een afschrijving op de bruto BPM toe te passen, is het aannemelijk dat dit ook tot ruim 6% te weinig berekende belasting leidt.

16. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat auto’s 6 en 7 als nieuwe auto’s moeten worden aangemerkt. Blijkens de stukken is de datum van eerste toelating van de auto’s 19 maart 2008. De datum tenaamstelling is onderscheidenlijk 11 en 12 juni 2009, maar beide auto’s zijn door eiser op 30 juli 2008 gekocht. Eiser heeft de stelling van verweerder dat de auto’s op dat moment een kilometerstand van 10 hadden niet betwist. Deze kilometerstanden blijken ook uit de aankoopfacturen. Nu sprake is van een eerste toelating in het buitenland voorafgaand aan de aangifte, is de rechtbank van oordeel dat de auto’s dienen te worden aangemerkt als gebruikte personenauto’s in de zin van de Wet BPM (vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 februari 2014, ECLI: NL:GHARL:2014:998 en Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI: NL:HR:2016:119). Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de auto’s echter het best vergeleken kunnen worden met nieuwe auto’s, in welk geval aan een afschrijving niet wordt toegekomen. Blijkens de uitspraak op bezwaar bedraagt de verschuldigde BPM uitgaand van de nieuwstaat van de auto’s respectievelijk € 13.290 en € 12.730. In de aangifte (en de daarop gebaseerde - eerste - naheffingsaanslag) is uitgegaan van een verschuldigde BPM van onderscheidenlijk € 5.608 en € 6.152.

17. Met het voorgaande heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet is geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk.

18. De rechtbank is van oordeel dat voorts aannemelijk is dat eiser ten tijde van het doen van aangifte zich ervan bewust moet zijn geweest dat als gevolg van zijn keuzes bij de aangifte een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Eiser kon er in de eerste plaats niet zomaar van uitgaan dat hij zelf een catalogusprijs zou mogen bepalen. Hij moet als professioneel autohandelaar hebben begrepen wat wordt bedoeld met de catalogusprijs. Dit betreft een prijs op de Nederlandse markt, terwijl eiser deze heeft laten afhangen van de prijs die hij zelf in het buitenland voor de auto betaalde. Dit betekent dat eiser zijn eigen belastingschuld zou kunnen beïnvloeden, afhankelijk van wat hij voor de auto betaalde. Hij moet hebben begrepen dat dit niet de bedoeling van de wetgever kan zijn. Daar komt nog bij dat eiser zijn prijzen niet openbaar maakt, waardoor andere importeurs geen beroep kunnen doen op deze prijzen. Er is geen enkele grond om aan te nemen dat de wetgever een dergelijke systematiek zou willen toestaan. Ook om die reden kunnen de door eiser gehanteerde bedragen niet als catalogusprijs worden gezien. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser er niet van had mogen uitgaan, gelet op de jonge leeftijd van de auto’s en de zeer lage kilometerstand, dat de Mercedessen als gebruikt konden worden beschouwd en dat hij ter zake recht op afschrijving had.

19. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dit brengt mee dat eiser, gelet op het bepaalde in artikel 27e van de AWR, moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend dient aan te tonen, dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar, en daarmee de naheffingsaanslag, onjuist is.

20. Deze omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat verweerder gehouden is bij het vaststellen van de naheffingsaanslag uit te gaan van een redelijke schatting. Dit vereiste strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een belastingaanslag naar willekeur wordt vastgesteld (vergelijk Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI: NL:HR:2013:BX7184).

21. Verweerder heeft de onderhavige naheffingsaanslag gebaseerd op de door eiser bij de aangifte gehanteerde catalogusprijzen. Daarbij heeft verweerder de koerslijst [E] toegepast, dan wel de afschrijvingstabel, indien die tot een gunstiger resultaat leidt. Dit zijn op zich bruikbare methodes om de verschuldigde BPM vast te stellen en naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus meer dan redelijke uitgangspunten gehanteerd. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet doen blijken dat de naheffingsaanslag onjuist is. Hij heeft erkend dat verweerder niet gehouden is bij de naheffing uit te gaan van [a] koerslijsten. Voorts deelt de rechtbank het standpunt van eiser niet dat geen rekening dient te worden gehouden met de CO2-component. Zoals de rechtbank heeft overwogen en beslist in de uitspraak van heden in het beroep van eiser met zaaknummer AWB 14/4153, is de heffing niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of enig ander Unierechtelijk beginsel. Ook overigens heeft eiser de onjuistheid van de naheffingsaanslag niet doen blijken.

22. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

23. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. G.H.W. Bodt en mr. A.F. Germs‑de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kranenbarg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 3 maart 2016

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.