Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1092

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
AWB - 13 _ 4153
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Voldoening. Maandaangifte. Heffing op basis van CO2 niet in strijd met Unierecht. Later beroep op gunstiger koerslijst op zich mogelijk, maar eiser heeft ten aanzien van diverse auto’s niet aannemelijk gemaakt dat hij de juiste uitgangspunten heeft gebruikt. Door wijziging van de afschrijvingstabel moet voor een aantal auto’s wel een correctie worden toegepast. Nu eiser op de aangifte echter minder heeft voldaan dan verschuldigd (vanwege een niet overeengekomen verrekening), is het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/496
FutD 2016-0599
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 13/4153

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 3 maart 2016

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft voor het tijdvak mei 2009 € 177.037 belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) aangegeven voor in totaal 22 auto’s. Hij heeft hiervan € 166.435 voldaan.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 mei 2013 het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen bij brief van 11 juli 2013, ontvangen door de rechtbank op 15 juli 2013, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , mr. [A] , mr. [B] en [C] .

Ter zitting zijn gelijktijdig met het onderhavige beroep de beroepen van eiser met zaaknummers 13/4154, 13/4155, 14/8837 en 14/8838 behandeld, alsmede het beroep van [D] B.V. met zaaknummer 15/188.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser handelt in auto’s van verschillende merken. Hij voert regelmatig auto’s van verschillende merken in, maar is van geen enkel merk officieel importeur. Hij verkoopt deze auto’s uitsluitend aan handelaren.

2. Aan eiser is krachtens artikel 8 van de Wet op de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) vergunning verleend om per tijdvak van een kalendermaand aangifte te doen.

3. Over de maand mei 2009 heeft eiser aangifte gedaan ter zake van 22 auto’s. Deze auto’s hebben een datum eerste toelating in het buitenland. Het betreft de navolgende auto’s (volgorde overeenkomstig uitspraak op bezwaar):

Auto

Merk en type

Op aangifte voldaan

Auto 1

Volvo [E]

€ 5.337

Auto 2

BMW [F]

€ 6.807

Auto 3

Audi [G]

€ 3.693

Auto 4

Volvo [H]

€ 7.732

Auto 5

Audi [G]

€ 4.993

Auto 6

Volvo [I]

€ 13.629

Auto 7

Volvo [H]

€ 8.072

Auto 8

Volvo [J]

€ 3.299

Auto 9

Volvo [H]

€ 7.030

Auto 10

Audi [K]

€ 6.645

Auto 11

Audi [G]

€ 4.617

Auto 12

Volvo [E]

€ 5.841

Auto 13

Volvo [H]

€ 9.810

Auto 14

Volvo [L]

€ 10.882

Auto 15

Audi [M]

€ 10.329

Auto 16

BMW [N]

€ 12.793

Auto 17

Chrysler [O]

€ 7.286

Auto 18

Volvo [I]

€ 9.369

Auto 19

Volvo [L]

€ 8.590

Auto 20

Volvo [I]

€ 13.089

Auto 21

Audi [P]

€ 13.394

Auto 22

Volvo [a]

€ 3.800

Totaal

€ 177.037

Op het totaalbedrag van € 177.037 heeft eiser een bedrag van € 10.602 in mindering gebracht. Dit bedrag had hij in een eerdere maand voldaan ter zake van een aangekochte Volvo [L] die nog niet geregistreerd was. Feitelijk heeft eiser derhalve € 166.435 betaald.

Geschil

4. In geschil is of eiser te veel BPM op aangifte heeft voldaan.

5. Eiser is van mening dat hij te veel BPM heeft voldaan, omdat op basis van [b] -koerslijsten een lagere belasting verschuldigd is. Ook is toepassing van de afschrijvingstabel

zoals die per 1 juli 2012 luidt gunstiger. Voorts is hij van mening dat het CO2-gedeelte van de heffing in strijd is met het (Unierechtelijke) gelijkheidsbeginsel.

6. Verweerder betwist de bruikbaarheid van de koerslijsten en is van mening dat het CO2-gedeelte van de heffing niet in strijd met het Unierecht is.

Beoordeling van het geschil

7. De bewijslast dat te veel BPM is betaald rust op eiser. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij in deze procedure de catalogusprijzen die eiser hanteert in zijn algemeenheid niet betwist.

8. Voor alle auto’s is in geschil in hoeverre met de CO2-component in de BPM rekening dient te worden gehouden. Niet in geschil is dat eiser - gelet op de jurisprudentie van Gerechtshof Leeuwarden van 21 februari 2012, ECLI: NL:GHLEE:2012:BV7735 - een beroep kan doen op het gunstigste tussentijdse tarief. Eiser heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de heffing van BPM op basis van CO2-uitstoot in strijd met het gelijkheidsbeginsel is. Daartoe voert hij aan dat de wetgever verschillende maatstaven hanteert ter zake van de belastbaarheid van CO2-uitstoot. Fabrikanten kunnen voor een relatief laag bedrag emissierechten bijkopen, waardoor ze voor hun uitstoot verhoudingsgewijs minder betalen dan het bedrag dat verschuldigd is ter zake van de registratie van een auto. Dit leidt tot rechtsongelijkheid, aldus eiser. Verweerder heeft erop gewezen dat het Hof van Justitie van de Europese Unie de heffing op grond van CO2-uitstoot in stand heeft gelaten.

9. Naar het oordeel van de rechtbank zijn CO2-uitstotende fabrieken en auto’s geen gelijke gevallen. Hetzelfde geldt voor emissierechten en BPM. Emissierechten geven een bedrijf het recht een bepaalde hoeveelheid broeikasgassen (niet alleen CO2) uit te stoten. Hoe meer rechten worden verworven, hoe meer mag worden uitgestoten. Er staat dus een directe prestatie tegenover de betaling voor emissierechten. Naar zijn aard is dan geen sprake van belasting. BPM is wel een belasting en de CO2-uitstoot vormt hiervoor (mede) de heffingsgrondslag. Onmiskenbaar wordt hiermee deels beoogd om minder vervuilende auto’s aantrekkelijker te maken, maar het karakter van belastingheffing is doorslaggevend. Er staat immers geen directe prestatie tegenover de betaling. Dat de wetgever geen verband legt tussen de kosten van CO2-uitstoot voor een fabrikant en de kosten van CO2-uitstoot voor een automobilist acht de rechtbank niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of enig ander Unierechtelijk beginsel.

10. Voor zover eiser zich heeft beroepen op de uitkomsten van de koerslijsten van [b] , overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de koerslijsten van [b] niet kunnen dienen ter onderbouwing van de lagere BPM, nu in de koerslijsten door eiser veel onjuiste gegevens zijn opgenomen. Daarnaast is aan de orde gesteld of eiser nog in de beroepsfase een beroep kan doen op deze koerslijsten.

11. Het feit dat eiser bij de aangifte in veel gevallen gebruik heeft gemaakt van een koerslijst van [c] en in twee gevallen van de afschrijvingstabel van artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling), terwijl de koerslijst van [b] gunstiger is, leidt op zich niet tot de conclusie dat een onjuiste aangifte is gedaan. Toepassing van het systeem brengt naar het oordeel van de rechtbank niet het risico mee dat op de onderhavige auto’s een hoger bedrag aan rest-BPM rust dan op vergelijkbare, zich reeds op de Nederlandse markt bevindende voertuigen. De wettekst laat naar het oordeel van de rechtbank echter wel toe dat in deze zaak alsnog op verzoek van eiser de koerslijst van [b] (ook die voor margeauto’s) wordt gehanteerd. Uit de wettekst en de Uitvoeringsregeling zoals deze golden ten tijde van het belastbare feit en de wetsgeschiedenis daarbij blijkt niet dat eiser niet op zijn keuze mag terugkomen. Pas vanaf 2012 is aan artikel 10, zevende lid, van de Wet BPM toegevoegd dat gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, niet op een later tijdstip alsnog mogen worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen. Uit de parlementaire geschiedenis bij deze wijziging leidt de rechtbank af dat tot 2012 een wijziging van koerslijst tot de mogelijkheden behoorde (Nota van Wijziging, Kamerstukken II 2011-2012, 33 004, nr. 6, p. 7).

12. Met verweerder komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser diverse onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd bij de berekening van de BPM op grond van de overgelegde [b] -koerslijsten. Voor auto’s 7 en 22 is in de koerslijst uitgegaan van een te lage cataloguswaarde. Hierdoor is het waarschijnlijk dat de koerslijstwaarde en de verschuldigde BPM te laag zijn vastgesteld. Bij auto’s 13, 16, 17 en 18 is in de berekening die eiser heeft overgelegd bij de cataloguswaarde een te laag bedrag opgenomen. Hoewel het mogelijk is dat dit tot een te hoge uitkomst ter zake van de verschuldigde belasting leidt, gaat de rechtbank aan deze berekeningen voorbij, nu eiser de bewijslast draagt van de juistheid van zijn stellingen en deze door de rechtbank niet is vast te stellen door de onjuiste uitgangspunten die hij heeft gehanteerd. Met betrekking tot auto’s 4 en 19 hebben partijen geen overeenstemming over de cataloguswaarde. De stelling van eiser is ook ten aanzien van die auto’s onvoldoende onderbouwd tegenover de betwisting door verweerder.

13. Ter zake van auto 7 heeft verweerder bovendien gesteld dat sprake is van een nieuwe auto. Blijkens de stukken is de datum van eerste toelating van de auto 21 januari 2008. De datum tenaamstelling is 14 februari 2008. Eiser heeft de stelling van verweerder dat de auto op dat moment een kilometerstand van 9 had onvoldoende gemotiveerd betwist. Weliswaar is er in de aangifte uitgegaan van 9.000 kilometer, maar een onderbouwing daarvan ontbreekt. Nu sprake is van een eerste toelating in het buitenland voorafgaand aan de aangifte, is de rechtbank van oordeel dat deze dient te worden aangemerkt als gebruikte personenauto in de zin van de Wet BPM (vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 februari 2014, ECLI: NL:GHARL:2014:998). Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de auto echter het best vergeleken kan worden met nieuwe auto’s, in welk geval aan een afschrijving niet wordt toegekomen.

14. Ten aanzien van alle auto’s geldt daarnaast dat eiser een schatting heeft gemaakt ter zake van de verdeling tussen de catalogusprijs voor de kale auto en de catalogusprijs voor de accessoires. Weliswaar heeft hij aangevoerd dat hij niet over de gegevens beschikt om deze verdeling nauwkeuriger te maken, omdat verweerder hem de relevante gegevens niet heeft verstrekt, maar bewijsnood leidt niet tot een andere verdeling van de bewijslast. Kennelijk is de administratie van eiser niet toereikend om een betrouwbare reconstructie te maken. Omdat losse accessoires in de regel harder afschrijven dan accessoires die onderdeel uitmaken van de standaarduitvoering, levert dit onbetrouwbare koerslijstwaarderingen op. Bovendien heeft verweerder met betrekking tot auto’s 6, 9, 15, 16, 20 en 21 betwist dat op de juiste wijze rekening is gehouden met schade. Eiser heeft de aftrek van bedragen variërend van € 1.000 tot € 3.478 niet nader onderbouwd.

15. Gelet op deze vele onvolkomenheden in de overgelegde [b] -koerslijsten is de rechtbank van oordeel dat eiser ten aanzien van geen enkele auto aan zijn bewijslast heeft voldaan voor zover het de door hem verdedigde taxatiewaarden en de daaruit afgeleide BPM-bedragen betreft.

16. De afschrijvingstabel die is opgenomen in artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling is per 1 juli 2012 gewijzigd. Partijen zijn het erover eens dat toepassing van de nieuwe tabel tot een lagere belasting leidt. Evenmin is in discussie dat eiser een beroep op die tabel kan doen. Voor de auto’s 1, 2, 3, 5, 6, 8, 9, 10, 11, 12, 15, 20 en 21 heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat recht bestaat op een vermindering van de verschuldigde belasting. Voor die auto’s bestaat immers overeenstemming over de cataloguswaarde en het feit dat het gebruikte auto’s zijn. De rechtbank zal de verschuldigde belasting op basis van de door eiser overgelegde en door verweerder niet betwiste gegevens vaststellen. De rechtbank zal daarvoor aansluiten bij de gegevens vermeld in bijlage A bij de gronden van het beroep (berekening verweerder). Voorts zal de rechtbank rekening houden met het feit dat auto 7 dient te worden vergeleken met nieuwe auto’s. Voor auto 14 bestaat, gelet op bijlage A bij het beroepschrift, ondanks onduidelijkheid over de catalogusprijs, overeenstemming over de vermindering van de BPM. Voor auto 18 is ook in de optiek van verweerder te veel voldaan. Nu eiser het meerdere niet aannemelijk heeft gemaakt, zal de rechtbank aansluiten bij de stellingen van verweerder. Voor auto 20 heeft verweerder gewezen op een gunstiger tussentijds tarief (tarief 2008-2), dat leidt tot een lagere herrekende BPM. De rechtbank sluit daarbij aan.

17. Op grond van het voorgaande berekent de rechtbank de op aangifte verschuldigde belasting als volgt.

Auto

Herrekende BPM

Tabelafschrijving

Verschuldigd

Auto 1

€ 9.915

51,087 %

€ 4.850

Auto 2

€ 10.951

41,917%

€ 6.361

Auto 3

€ 6.655

49,253%

€ 3.377

Auto 4

€ 7.732

Auto 5

€ 7.416

36,664%

€ 4.697

Auto 6

€ 19.408

33,776%

€ 12.853

Auto 7

€ 15.713

Auto 8

€ 5.945

49,253%

€ 3.017

Auto 9

€ 12.121

46,502%

€ 6.484

Auto 10

€ 9.463

33,776%

€ 6.267

Auto 11

€ 7.739

44,668%

€ 4.282

Auto 12

€ 10.218

47,419%

€ 5.373

Auto 13

€ 9.810

Auto 14

€ 10.091

Auto 15

€ 11.477

14%

€ 9.870

Auto 16

€ 12.793

Auto 17

€ 7.286

Auto 18

€ 8.665

Auto 19

€ 8.590

Auto 20

€ 17.908

36,664%

€ 11.342

Auto 21

€ 16.639

23,50%

€ 12.729

Auto 22

€ 3.800

18. In totaal is aldus over de maand mei 2009 € 175.982 verschuldigd. De rechtbank brengt hierop niet het door eiser verrekende bedrag van € 10.602 in mindering, nu de rechtbank de verschuldigde belasting dient vast te stellen. Voorts is niet gebleken dat verweerder heeft ingestemd met de verrekening. Uit de stukken kan eerder het tegendeel worden afgeleid, te weten dat eiser dit op eigen initiatief heeft gedaan. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat eiser op de aangifte € 166.435 heeft voldaan. Nu dit minder is dan verschuldigd is, is het beroep ongegrond.

19. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. G.H.W. Bodt en mr. A.F. Germs‑de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kranenbarg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 3 maart 2016

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.