Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1090

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 188
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:4487, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Catalogusprijs. Omzetting eenmanszaak in BV. Verweerder heeft terecht een nieuwe vergunning ex artikel 8 Wet BPM afgegeven aan de BV. Niet dezelfde ondernemer. Verweerder kon nieuwe voorwaarden stellen. Eiseres is geen importeur in de zin van artikel 9, vierde lid, Wet BPM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/498
V-N 2016/27.2.5
FutD 2016-0593
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/188

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 3 maart 2016

in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 14 februari 2012 een verzoek gedaan om de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) per tijdvak te mogen betalen als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM).

Bij beschikking van 23 maart 2012 heeft verweerder aan eiseres een vergunning verleend om de BPM per tijdvak te mogen betalen onder de voorwaarden zoals die in de beschikking en de daarbij behorende bijlagen staan vermeld. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 december 2014 de beschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 12 januari 2015, ingekomen bij de rechtbank op 14 januari 2015, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de andere partij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016. Namens eiseres zijn verschenen [A] en de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , mr. [B] , mr. [C] en [D] .

Ter zitting zijn gelijktijdig met het onderhavige beroep de beroepen van [A] met zaaknummers 13/4153, 13/4154, 13/4155, 14/8837 en 14/8838 behandeld.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is op 11 november 2011 opgericht. Zij heeft als bedrijfsactiviteiten het importeren van nieuwe en gebruikte personen- en bedrijfsauto’s alsmede de bemiddeling in en de verkoop van personen- en bedrijfsauto’s aan de groothandel. Zij voert regelmatig auto’s van verschillende merken in, maar is van geen enkel merk officieel importeur.

2. De activiteiten van eiseres werden voorheen uitgevoerd in een eenmanszaak op naam van [A] (hierna: [A] ). [A] heeft zijn bedrijfsactiviteiten ingebracht in eiseres. [A] beschikte ten tijde van de inbreng over een vergunning om de BPM per tijdvak te mogen betalen.

3. Op 14 februari 2012 heeft [A] aan verweerder een e-mailbericht gezonden met - voor zover thans van belang - de navolgende inhoud:

“Per eind vorig jaar [2011] is de eenmanszaak geruisloos ingebracht in [E] en daarna doorgeschoven als [X] B.V. (…)

De belastingdienst heeft de inbreng en alle daarbij behorende formaliteiten goedgekeurd en als ik doe vanaf Januari 2012 alle aangiftes OB, LB, VPB. op de nieuwe BV [X] B.V.

Ik verzoek U mijn BPM vergunning over te schrijven c.q. een nieuwe uit te geven op de nieuwe inschrijving. Om een en ander goed te laten verlopen (ook bij de RDW) verzoek ik u tevens de oude vergunning pas in te trekken als alle formaliteiten bij de RDW en VWE zijn afgerond zodat we niet een periode zonder RDW, VWE en BPM erkenning komen te zitten waardoor de bedrijfsvoering in de problemen komt.

(…)”

4. Bij beschikking van 23 maart 2012 heeft verweerder aan eiseres vergunning verleend om de BPM met ingang van 11 november 2011 per tijdvak te mogen betalen. In deze beschikking is onder meer het volgende vermeld:

“Voor de import van nieuw en ongebruikte motorvoertuigen met Europese TypeGoedkeuring (hierna: ETG) kwalificeert u niet als ‘importeur’ op basis van wet- en regelgeving en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Voor de catalogusprijs en de daarmee samenhangende bpm voor elk motorvoertuig moet u zich conformeren aan de in Nederland door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. Voor het deel van de heffing met als grondslag CO2 dient u voor het motorvoertuig uit te gaan van de verleende typegoedkeuring, bedoeld in artikel 22 Wegenverkeerswet 1994, danwel het door de fabrikant ter zake afgegeven Certificaat van Overeenstemming (hierna: CVO).”

5. In Bijlage 1 bij de vergunning is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“De vergunninghouder moet een administratie voeren die voldoet aan de in artikel 6 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 gestelde voorwaarden. De vergunninghouder moet, per afzonderlijk voertuig, ten minste de navolgende gegevens in de administratie vastleggen:

(…)

  • -

    Netto catalogusprijs voertuig

  • -

    Netto catalogusprijs opties/accessoires

  • -

    Bpm bedrag op basis van catalogusprijs

(…)”

Geschil

6. In geschil is of terecht aan eiseres een (nieuwe) vergunning is verleend om BPM per tijdvak te mogen betalen dan wel of de vergunning van [A] op haar is overgegaan. Meer in het bijzonder is in geschil of verweerder aan de vergunning de onder 4. en 5. genoemde voorwaarden heeft kunnen verbinden.

7. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat als gevolg van de inbreng van de eenmanszaak geen nieuwe vergunning vereist is, omdat de vergunning mee overgegaan is. Voorts heeft de inbreng plaatsgevonden in 2011, en is de vergunning met terugwerkende kracht vanaf 11 november 2011 verstrekt. Daardoor is het niet mogelijk daaraan de door verweerder verbonden nadere voorwaarden te stellen. De Wet BPM en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling) maakt het stellen van nadere voorwaarden pas met ingang van 1 januari 2012 mogelijk. Bovendien dient eiseres als importeur in de zin van de Wet BPM te worden beschouwd, zodat de voorwaarden die daarop betrekking hebben ten onrechte zijn opgelegd.

8. Verweerder heeft aangevoerd dat de vergunning van [A] niet is overgegaan op eiseres. Voorts is eiseres geen importeur in de zin van de Wet BPM omdat zij geen type-goedkeuringshouder is van de automerken die zij verkoopt. De door eiseres gehanteerde catalogusprijs kan niet de catalogusprijs zijn als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM. De extra voorwaarden zoals hiervoor onder 4. en 5. geciteerd zijn daarom terecht opgenomen in de beschikking van 23 maart 2012. De voorwaarden vloeien uit de wet voort en niet uit de Uitvoeringsregeling. Die voorwaarden waren in 2011 niet anders dan in 2012.

Beoordeling van het geschil

9. Artikel 8 van de Wet BPM (tekst 2012) bepaalt, voor zover thans van belang, dat de inspecteur onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden en beperkingen aan een ondernemer die in het kader van zijn bedrijfsuitoefening regelmatig om opgave van een kenteken verzoekt voor personenauto’s of motorrijwielen waarvan het kenteken op naam van een ander wordt gesteld, op aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking kan toestaan de belasting per tijdvak te voldoen.

10. De belasting voor een personenauto werd in zowel 2011 als 2012 bepaald op grondslag van een combinatie van onder meer de CO2-uitstoot en de netto catalogusprijs van de auto. De netto catalogusprijs is de catalogusprijs verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting. Op grond van artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM (tekst 2012) wordt onder catalogusprijs verstaan de in Nederland door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. In die geadviseerde verkoopprijs is de BPM zelf niet begrepen. Is een zodanige prijs niet bekend, dan wordt hij door vergelijking bepaald.

11. Artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling luidde tot 1 januari 2012 als volgt:

“De toestemming als bedoeld in artikel 8 van de wet wordt verleend aan een ondernemer die een zodanige administratie voert dat daarin naar het oordeel van de inspecteur op duidelijke en overzichtelijke wijze alle voor de heffing van de belasting van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.”

Met ingang van 1 januari 2012 is aan dit artikellid de volgende zin toegevoegd:

“De inspecteur kan ter zake nadere voorwaarden en beperkingen stellen, waarbij de toestemming voor gebruikte motorrijtuigen kan worden beperkt tot motorrijtuigen waarvoor de vermindering ingevolge artikel 10, eerste lid, van de wet, wordt vastgesteld op de voet van artikel 10, zesde lid, van de wet.”

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht een nieuwe vergunning heeft verleend aan eiseres. Artikel 8 van de Wet BPM bepaalt dat aan een ondernemer een vergunning wordt verleend. Eiseres is een andere ondernemer dan [A] . Dat eiseres de onderneming van [A] heeft voortgezet maakt dat niet anders. De rechtbank ziet geen aanleiding “ondernemer” in artikel 8 van de Wet BPM als “onderneming” te lezen. De wetgever heeft dit onderscheid in diverse wetten zeer bewust gemaakt. Anders dan bijvoorbeeld in de Wet inkomstenbelasting 2001, is voor de BPM geen faciliteit getroffen die maakt dat een onderneming bij inbreng in een BV onder voorwaarden geacht kan worden niet te zijn gestaakt. In hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat de wetgever niet heeft bedoeld de vergunning aan de ondernemer te koppelen. Het enkele feit dat in de vergunning op naam van [A] is opgenomen dat deze kan worden ingetrokken bij een verandering van de rechtsvorm is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

13. Nu de vergunning is verleend op 23 maart 2012, is op die verlening de tekst van artikel 8 van de Wet BPM van toepassing zoals die op dat moment luidde. Verweerder heeft in de tekst van de vergunning opgenomen dat eiseres niet kwalificeert als importeur in de zin van de wet en dat eiseres zich dient te conformeren aan de in Nederland door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. In dit verband zijn in de bijlage bij de vergunning voorwaarden opgenomen die meebrengen dat eiseres gehouden is de netto catalogusprijs van elk voertuig, de netto catalogusprijs van opties/accessoires en het BPM-bedrag op basis van de catalogusprijs in de administratie te vermelden. Gelet op het verband met de tekst in de vergunning wordt hiermee onmiskenbaar bedoeld dat de door de fabrikant of de officiële importeur gehanteerde catalogusprijs de grondslag dient te vormen van de BPM-berekening.

14. Naar het oordeel van de rechtbank is het verweerder op grond van de tekst van de Uitvoeringsregeling, zoals die vanaf 1 januari 2012 luidt, toegestaan de voorwaarden als opgenomen in de vergunning en de bijlage te stellen. De inspecteur kan ter zake van de administratie immers nadere voorwaarden stellen. Dat is wat hij heeft gedaan. De voorwaarden zijn ook niet in strijd met de wet, nu de desbetreffende gegevens van belang (kunnen) zijn voor de BPM-berekening. Verweerder heeft de voorwaarden dan ook kunnen stellen.

15. Het feit dat aan de vergunning terugwerkende kracht is verleend tot vóór 1 januari 2012, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de voorwaarden ten onrechte zijn gesteld. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat de terugwerkende kracht volgens verklaring van verweerder in het belang van eiseres is verleend. De aanvraag dateert eerst van 14 februari 2012, terwijl eiseres al vanaf 11 november 2011 auto’s invoerde, waarvoor zij in het andere geval allemaal afzonderlijke aangiften had moeten indienen. Daar komt bij dat [A] op basis van de oude vergunning in feite geen verdergaande of andere bevoegdheden had dan eiseres op basis van de nieuwe vergunning. Immers, ook [A] moest zich houden aan de wet en ook ten aanzien van tijdvakken voor 1 januari 2012 stelt verweerder zich op het standpunt dat [A] en eiseres geen importeurs waren. Dan diende dus ook op basis van de oude vergunning het BPM-bedrag te worden gebaseerd op de catalogusprijs die de fabrikant of de officiële importeur hanteert. Tot slot laat de rechtbank meewegen dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat het opnemen van deze voorwaarden in de vergunning slechts informatief/verduidelijkend bedoeld is geweest. Er is niet mee beoogd de mogelijkheid te creëren de vergunning in te trekken voor het geval eiseres zich er niet aan zou houden. In de praktijk heeft verweerder het eventueel niet voldoen aan deze voorwaarden in de periode tussen 11 november 2011 en 23 maart 2012 ook niet tegengeworpen aan eiseres. Zij is door de terugwerkende kracht van deze voorwaarden dan ook niet in haar belangen geschaad.

16. Ter zake van de uitleg van de voorwaarden en de inhoud van de vergunning zelf is van belang of eiseres als importeur in de zin van artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM kan worden beschouwd. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend.

17. Eiseres heeft aangevoerd dat in de tekst van de wet geen beperking is opgenomen tot de officiële importeur. Zij importeert feitelijk auto’s en is dus importeur. Verweerder heeft dit bestreden met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 februari 2005 (ECLI: NL:HR:2005:AS5796).

18. De rechtbank stelt vast dat de Wet BPM zelf geen definitie van het begrip importeur kent. Zij wijst er vervolgens op dat de procedure bij de Hoge Raad waarnaar verweerder verwijst werd gevoerd door een officiële importeur. Daarmee is nog niet uitgesloten dat ook een andere importeur als importeur in de zin van de wet kan worden beschouwd. Echter, de wetsgeschiedenis ondersteunt de lezing van verweerder.
Reguliere importeurs en fabrikanten zijn houders van een type-goedkeuring. Eiseres beschikt daarover niet. In de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van artikel 9 van de Wet BPM is onder meer het volgende vermeld (Kamerstukken II 1992-1993, 22 868, nr. 3, blz. 44-45):

“Het begrip catalogusprijs ondergaat een wijziging ten opzichte van dat in het regime van de bijzondere verbruiksbelasting. De wijziging is het gevolg van een andere invulling van het begrip catalogusprijs. Hoewel de definitie zoals neergelegd in het vijfde, zesde, zevende en achtste lid vrijwel gelijkluidend is aan die onder de bijzondere verbruiksbelastingen (zie artikel 50, tiende lid, Wet op de omzetbelasting 1968), te weten de geadviseerde verkoopprijs, is het zo dat het begrip catalogusprijs een andere inhoud heeft gekregen. Zoals in onderdeel 2.2 van het algemeen deel van de toelichting al is uiteengezet, maakt de onderhavige belasting - anders dan de bijzondere verbruiksbelastingen - geen deel uit van de heffingsgrondslag van de btw. Dit houdt tevens in dat zij geen deel uitmaakt van de verkoopprijs zoals die door de type-goedkeuringhouder wordt geadviseerd.”

19. Uit deze tekst volgt dat de wetgever heeft beoogd aan te sluiten bij de verkoopprijs die door de type-goedkeuringhouder (zijnde de fabrikant of de reguliere/officiële importeur) wordt geadviseerd. Dit past ook in het systeem van de wet, nu het de bedoeling is dat er maar één catalogusprijs per type/uitvoering auto is en een vaste prijs voor de accessoires. Aangezien eiseres niet over een type-goedkeuring beschikt, kan zij niet als importeur in de zin van artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM worden beschouwd. Dit levert overigens geen concurrentievervalsing op, nu dit alleen gevolgen heeft voor de bepaling van de grondslag van de verschuldigde BPM en voor het overige niet van invloed is op de door eiseres aan haar wederverkopers te berekenen prijs. Het volgen van het standpunt van eiseres zou daarentegen tot ongelijkheid en schending van het neutraliteitsbeginsel leiden, omdat eiseres haar prijzen niet openbaar maakt. Daardoor kunnen andere importeurs geen beroep doen op de door haar geadviseerde “catalogusprijs” en zouden zij in veel gevallen meer belasting betalen voor identieke auto’s.

20. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

21. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. G.H.W. Bodt en mr. A.F. Germs‑de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kranenbarg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 3 maart 2016

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.