Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1088

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
AWB - 13_4155 en 14 _ 8837
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Voldoening en naheffing. Maandaangifte. Omkering en verzwaring bewijslast ter zake van de naheffing. Eiser kan niet als importeur in de zin van artikel 9, vierde lid, Wet BPM worden beschouwd en heeft onjuiste cataloguswaarden gebruikt. Twee auto’s moeten worden vergeleken met nieuwe auto’s en één auto is in het geheel niet aangegeven. Heffing op basis van CO2 niet in strijd met Unierecht. Stellingen ten aanzien van de voldoening op aangifte niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/502
FutD 2016-0598
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 13/4155 en AWB 14/8837

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 3 maart 2016

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft voor het tijdvak november 2009 op aangifte € 222.510 belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan voor in totaal 25 auto’s.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 juli 2013 het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen bij brief van 11 juli 2013, ontvangen door de rechtbank op 15 juli 2013, beroep ingesteld.

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak november 2009 op 29 juli 2013 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000] ) BPM opgelegd van € 52.618. Tevens is bij beschikking € 4.943 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 november 2014 de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 18 december 2014, door de rechtbank ontvangen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , mr. [A] , mr. [B] en [C] .

Ter zitting zijn gelijktijdig met de onderhavige beroepen de beroepen van eiser met zaaknummers 13/4153, 13/4154 en 14/8838 behandeld, alsmede het beroep van [D] B.V. (hierna: [D] ) met zaaknummer 15/188.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser handelt in auto’s van verschillende merken. Hij voert regelmatig auto’s van verschillende merken in, maar is van geen enkel merk officieel importeur. Hij verkoopt deze auto’s uitsluitend aan handelaren. Eiser heeft zijn bedrijfsactiviteiten per 11 november 2011 ingebracht in [D] .

2. Aan eiser was krachtens artikel 8 van de Wet op de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) vergunning verleend om per tijdvak van een kalendermaand aangifte te doen.

3. Over de maand november 2009 heeft eiser aangifte gedaan ter zake van 25 auto’s. Van deze auto’s hebben er 24 een datum eerste toelating in het buitenland.

4. Op 29 juli 2013 heeft verweerder de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is ter zake van 22 van de aangegeven auto’s BPM nageheven. Tevens is een auto toegevoegd die niet in de aangifte was vermeld.

Geschil

5. In geschil is of eiser niet te veel BPM op aangifte heeft voldaan. In geschil is voorts of verweerder de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd. Met name is in geschil of eiser bij de aangifte op juiste wijze de waarde en de catalogusprijs van de auto’s heeft bepaald en hoeveel auto’s als nieuw moeten worden beschouwd.

Beoordeling van het geschil

6. De rechtbank ziet aanleiding allereerst de naheffingsaanslag te beoordelen. Verweerder heeft de naheffingsaanslag in eerste instantie gebaseerd op de stelling dat de handelsinkoopwaarden die in de aangifte zijn gehanteerd niet juist kunnen zijn, gelet op de door eiser zelf gerealiseerde verkoopprijzen, die als handelsinkoopwaarden kunnen worden beschouwd, nu eiser slechts verkoopt aan handelaren. Verweerder heeft daarom de koerslijst [E] geraadpleegd. De naheffingsaanslag is gebaseerd op het verschil tussen de in de aangifte vermelde belasting en de belasting die voortvloeit uit de toepassing van de koerslijst [E] dan wel, indien dat gunstiger is, de afschrijvingstabel die is opgenomen in artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Daarbij heeft verweerder rekening gehouden met het feit dat voor drie auto’s op aangifte te veel belasting is voldaan. Eveneens ter zake van drie auto’s heeft verweerder het standpunt ingenomen dat deze als nieuw dienen te worden beschouwd.

7. In beroep heeft verweerder aangevoerd dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan, en dat daarom de bewijslast dient te worden omgekeerd. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat eiser te lage catalogusprijzen hanteert, waarop de BPM wordt gebaseerd. Hierdoor is een relatief en absoluut aanzienlijk bedrag aan belasting niet voldaan. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de catalogusprijs correct heeft vastgesteld. Hij kan deze zelf bepalen, omdat hij importeur van de auto’s is. Daarnaast betwist hij dat, uitgaande van gegevens van de officiële importeurs, een aanzienlijk bedrag niet is voldaan.

8. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is bepaald dat indien niet de vereiste aangifte is gedaan, de rechtbank het beroep ongegrond dient te verklaren tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

9. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van een of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast (Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI: NL:HR:2009:BH1083).

10. De rechtbank heeft in de uitspraak van heden in het beroep van [D] met zaaknummer 15/188 geoordeeld dat zij niet als importeur in de zin van artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM kan worden beschouwd, kort gezegd omdat de wetgever het oog heeft op houders van een type-goedkeuring. [D] beschikt daarover niet. Dit geldt ook voor eiser. Daarom kan ook hij niet als importeur in de zin van artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM worden beschouwd. Dit brengt mee dat eiser in de BPM-aangifte dient aan te sluiten bij de catalogusprijzen die de officiële importeur hanteert. Eiser heeft dit niet gedaan. In plaats daarvan heeft hij ervoor gekozen als catalogusprijs te hanteren zijn eigen inkoopprijs (in het buitenland) vermeerderd met 12%. Deze systematiek draagt het risico in zich dat te weinig belasting wordt voldaan, met name in situaties waarin eiser een auto goedkoop uit het buitenland heeft ingevoerd. Zijn eigen inkoopprijs is op die wijze leidend geworden voor de hoogte van de belasting. Dit is onjuist.

11. Nog daargelaten wat het gevolg van de hantering van eigen catalogusprijzen voor gebruikte auto’s is, is er naar het oordeel van de rechtbank reeds grond voor omkering van de bewijslast. Verweerder heeft ter zake van twee auto’s (in de uitspraak op bezwaar genummerd 23 en 24) aangevoerd dat dit in feite nieuwe auto’s zijn en heeft erop gewezen dat één auto in het geheel niet is aangegeven (nummer 26).

12. De datum van eerste toelating van auto’s 23 en 24 (in beide gevallen betreft het een Volvo [F] ) is 18 juni 2009. De datum tenaamstelling is onderscheidenlijk 23 en 13 november 2009, maar beide auto’s zijn door eiser al op 16 juli 2009 gekocht. Eiser heeft de stelling van verweerder dat de auto’s op dat moment een kilometerstand van 0 hadden niet betwist. Uit de verkoopfacturen blijkt een kilometerstand van 10. Nu sprake is van een eerste toelating in het buitenland voorafgaand aan de aangifte, is de rechtbank van oordeel dat de auto’s dienen te worden aangemerkt als gebruikte personenauto’s in de zin van de Wet BPM (vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 februari 2014, ECLI: NL:GHARL:2014:998 en Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI: NL:HR:2016:119). Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de auto’s echter het best vergeleken kunnen worden met nieuwe auto’s, in welk geval aan een afschrijving niet wordt toegekomen. Blijkens de uitspraak op bezwaar bedraagt de verschuldigde BPM uitgaand van de nieuwstaat van de auto’s in elk van beide gevallen € 7.746. Op aangifte is voor de auto’s onderscheidenlijk € 4.665 en € 4.467 voldaan. Dit betekent dat voor deze twee auto’s in totaal € 6.360 te weinig is voldaan.

13. Voor auto 26 (een Volvo [G] ) heeft verweerder een bedrag van € 15.286 nageheven. De juistheid van dit bedrag is door eiser niet bestreden.

14. Met het voorgaande heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet is geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk.

15. De rechtbank is van oordeel dat voorts aannemelijk is dat eiser ten tijde van het doen van de aangifte zich er bewust van moet zijn geweest dat als gevolg van de wijze van aangifte doen een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Eiser kon er niet van uitgaan, gelet op de jonge leeftijd van de auto’s en de zeer lage kilometerstand, dat auto’s 23 en 24 als gebruikt konden worden beschouwd en dat hij ter zake recht op afschrijving had. Voorts is gebleken dat er vaker onjuiste aangifte door eiser is gedaan, waarbij auto’s in verkeerde maanden of in het geheel niet zijn aangegeven (of soms juist te vroeg). Kennelijk is de administratie van eiser niet voldoende nauwkeurig om deze fouten te voorkomen. In dit geval is gesteld dat auto 26 over het hoofd is gezien, vermoedelijk doordat het kenteken sterk leek op dat van een andere, wel aangegeven auto. De rechtbank acht dit geen plausibele verklaring, reeds omdat uit de administratie eenvoudig zou moeten blijken hoeveel auto’s er in een maand op kenteken zijn gezet (wat bij vergunninghouders het moment van aangifte is) en voorts het voertuigidentificatienummer van de auto niet lijkt op dat van de auto met een vergelijkbaar kenteken. Eiser moet zich er naar het oordeel van de rechtbank dan ook bewust van zijn geweest dat deze auto niet op de aangifte is vermeld. Hij beschikte immers over alle relevante gegevens voor het doen van de juiste aangifte.

16. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dit brengt mee dat eiser, gelet op het bepaalde in artikel 27e van de AWR, moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend dient aan te tonen, dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

17. Deze omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat verweerder gehouden is bij het vaststellen van de naheffingsaanslag uit te gaan van een redelijke schatting. Dit vereiste strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een belastingaanslag naar willekeur wordt vastgesteld (vergelijk Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI: NL:HR:2013:BX7184).

18. Verweerder heeft de onderhavige naheffingsaanslag gebaseerd op de door eiser bij de aangifte gehanteerde catalogusprijzen. Daarbij heeft verweerder de koerslijst [E] toegepast, dan wel de afschrijvingstabel, indien die tot een gunstiger resultaat leidt. Dit zijn op zich bruikbare methodes om de verschuldigde BPM vast te stellen. Voorts heeft verweerder gecorrigeerd voor de auto’s waarvoor op aangifte te veel BPM is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus meer dan redelijke uitgangspunten gehanteerd. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet doen blijken dat de naheffingsaanslag onjuist is. Hij heeft erkend dat verweerder niet gehouden is bij de naheffing uit te gaan van [H] koerslijsten. Voorts deelt de rechtbank het standpunt van eiser niet dat geen rekening dient te worden gehouden met de CO2-component. Zoals de rechtbank heeft overwogen en beslist in de uitspraak van heden in het beroep van eiser met zaaknummer AWB 14/4153, is de heffing niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of enig ander Unierechtelijk beginsel. Ook overigens heeft eiser de onjuistheid van de naheffingsaanslag niet doen blijken.

19. Met betrekking tot de voldoening op aangifte heeft eiser naast het beroep op het gelijkheidsbeginsel ter zake van de CO2-component, dat hiervoor reeds is afgewezen, aangevoerd dat alsnog een beroep kan worden gedaan op later overgelegde koerslijsten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die koerslijsten echter niet bruikbaar, nu daarin van onjuiste catalogusprijzen is uitgegaan. Eiser heeft dan ook ten aanzien van geen enkele auto aan zijn bewijslast voldaan voor zover het de door hem verdedigde taxatiewaarden en de daaruit afgeleide BPM-bedragen betreft. Ter zake van drie auto’s zijn partijen het erover eens dat minder verschuldigd is dan op aangifte is voldaan, maar uit het voorgaande blijkt dat verweerder dit bij het opleggen van de naheffingsaanslag reeds heeft gecorrigeerd.

20. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

21. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. G.H.W. Bodt en mr. A.F. Germs‑de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kranenbarg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 3 maart 2016

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.