Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1056

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5600
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob; Ten onrechte heeft verweerder niet beoordeeld of hij beschikt over documenten met betrekking tot de inhuur van de BOA, en niet beslist omtrent openbaarmaking van die documenten.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de namen van de ondertekenaars van het convenant (zowel aan de zijde van de gemeente als aan de zijde van het CJIB), en de namen van de ondertekenaars van de akte van opsporingsbevoegdheid/akte van beëdiging van 13 maart 2014 en van het proces-verbaal van beëdiging van 25 maart 2014, zijn weggelakt.

De rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of de gevraagde documenten over de jaren 2008-2013 onder verweerder berusten.

Naar het oordeel van de rechtbank ziet het verzoek mede op de feitcodes die in de processen-verbaal zijn genoemd.

Naar het oordeel van de rechtbank moet de mededeling in het verzoek worden aangemerkt als een mededeling met betrekking tot de vorm van informatieverstrekking, en heeft eiser hiermee aangegeven geen bezwaar te hebben tegen verstrekking in de vorm zoals vermeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wob.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ECLI:NL:RBGEL:2016:1056

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/5600

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: F.P.B. Waals),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal te Beneden-Leeuwen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om toezending van informatie in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) toegewezen.

Bij besluit van 28 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2016. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.L.T. Peters en mr. M.M.J. Kerkvliet, beiden werkzaam bij de gemeente West Maas en Waal.

Overwegingen

1. De gemachtigde van eiser is ter zitting verschenen, en heeft een machtiging met natte handtekening van eiser overgelegd. Gelet op een en ander ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de machtiging of de ondertekening van het beroepschrift onvoldoende is.

Inhuur BOA

2. Uit het bestreden besluit is gebleken dat de afdeling Vergunningen en Handhaving in april 2013 is ondergebracht bij de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR), en dat de gemeente een bijzonder opsporingsambtenaar (BOA) heeft ingehuurd via een bureau om toch iemand in huis te hebben die kan reageren op handhavingsverzoeken in de openbare ruimte. Naar het oordeel van de rechtbank ziet het verzoek van 27 november 2014 (mede) op deze wijze van inzet van een BOA door de gemeente. Ten onrechte heeft verweerder niet beoordeeld of hij beschikt over documenten met betrekking tot de inhuur van de BOA, en niet beslist omtrent openbaarmaking van die documenten.

Weglakken namen

3. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat het niet gaat om de naam van de BOA, maar om de namen van de ondertekenaars van het convenant (zowel aan de zijde van de gemeente als aan de zijde van het CJIB), en de namen van de ondertekenaars van de akte van opsporingsbevoegdheid/akte van beëdiging van 13 maart 2014 en van het proces-verbaal van beëdiging van 25 maart 2014. Eiser wil kunnen controleren of sprake is van een toereikend mandaat voor ondertekening van de genoemde stukken.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de onder 3 genoemde namen zijn weggelakt. Anders dan verweerder kennelijk meent is niet van belang of het weglakken van de namen het onderzoek van eiser hindert. Bij toepassing van artikel 10, tweede lid, van de Wob dienen de aldaar genoemde belangen te worden afgewogen tegen het belang van openbaarmaking van de gevraagde informatie. Het persoonlijk belang van eiser speelt daarbij geen rol.

Met betrekking tot de akten van 13 maart 2014 en 25 maart 2014 merkt de rechtbank nog op dat ter zitting onduidelijk is gebleven of op de originele akten de namen van de ondertekenaars zijn vermeld. Indien die namen op de originele akten zijn vermeld zal verweerder moeten beslissen omtrent de openbaarmaking van die namen.

Jaren 2008-2013

5. Het verzoek ziet ook op deze jaren. Gelet op het verweerschrift en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of de gevraagde documenten onder verweerder berusten. Zo is ter zitting aan de orde geweest dat het voor de hand ligt dat er een archief is van de afdeling Vergunningen en Handhaving die in april 2013 is ondergebracht bij de ODR, maar dat hier geen onderzoek naar is gedaan.

Indien na onderzoek zou blijken dat de gevraagde documenten niet onder verweerder berusten is de vraag aan de orde of de documenten onder verweerder hadden behoren te berusten, in welk geval van het bestuursorgaan mag worden verwacht dat het al het redelijkerwijs mogelijke doet om de documenten alsnog te achterhalen. In dit verband wijst de rechtbank op de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1586.

In bezwaar heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank terecht het standpunt ingenomen dat het verzoek ook ziet op het aanmeldformulier uit 2008 en documenten met betrekking tot de (beleids)keuze om de gemeente aan te melden voor de proces-verbaalvergoeding. Uit het verzoek blijkt immers voldoende dat het verzoek niet enkel ziet op de verstrekte vergoedingen, maar ook op de (beleids)keuzen die in verband daarmee zijn gemaakt.

Feitcodes

6. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank er vooralsnog van uit dat in processen-verbaal die door een BOA worden opgesteld een zogenaamde feitcode is vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank ziet het verzoek mede op de feitcodes die in de processen-verbaal zijn genoemd.

7. In het verzoek is onder meer het volgende opgenomen:

“Om u gerust te stellen, ik hoef absoluut geen uitdraai van alle procesverbalen die ooit uitgeschreven zijn door uw BOA’s, dat is informatie die zich bij uitstek leent voor verstrekking in samengevatte vorm.”

Naar het oordeel van de rechtbank moet deze mededeling worden aangemerkt als een mededeling met betrekking tot de vorm van informatieverstrekking, en heeft eiser hiermee aangegeven geen bezwaar te hebben tegen verstrekking in de vorm zoals vermeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wob. Indien verweerder van mening is dat het bepaalde in artikel 7, tweede lid, onder a, van de Wob zich tegen deze vorm van informatieverstrekking verzet, dan dient dat gemotiveerd te worden, en zal verweerder moeten beslissen over openbaarmaking van de processen-verbaal.

8. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens zal verweerder moeten beslissen op het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht groot € 167 aan hem vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 992.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier echter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.