Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:1025

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
05/820147-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot het verrichten van een werkstraf van 90 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden onvoorwaardelijk wegens het veroorzaken van een verkeersongeval. (Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820147-15

Datum uitspraak : 19 februari 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. C.L. Pas, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 01 juli 2015 te Nijmegen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de Waalbrug en gaande in de richting van het Keizer Karelplein, daarmee rijdende over de rij/voorsorteerstrook, geldende voor het rechtdoorgaande verkeer van de voor haar, verdachte uit twee rij/voorsorteerstroken,- bestemd voor het rechtdoorgaande- en rechtsaf slaande verkeer-, bestaande rijbaan van de weg, de St. Canisiussingel,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

gekomen ter hoogte van de kruising van deze weg, de St. Caniussingel en de Berg en Dalseweg, -nadat zij voor een in haar rijrichting uitstralend rood verkeerslicht had stilgestaan-,

in strijd met een in haar, verdachtes rijrichting gekeerd en voor die kruising aan de rechter zijde van die weg zich bevindend bord D6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende "Gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangegeven" en/of

in strijd met het gestelde in artikel 78 lid 1 van voormeld reglement, niet op dat kruispunt heeft voldaan aan haar verplichting, de middels een pijl aangegeven rijrichting (bestemd voor het rechtdoorgaande verkeer) te volgen en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gelet op en/of is blijven letten op het haar, verdachte tegemoetkomende, toen dicht genaderd zijnde verkeer op die weg, de St. Canisiussingel en/of

op die kruising, in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van voormeld reglement naar links is afgeslagen, gaande in de richting van die Berg en Dalseweg en/of de bestuurder van een haar, verdachte op die weg, de St. Canisiussingel tegemoetkomend ander motorrijtuig (motorfiets)niet voor heeft laten gaan en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat haar, verdachte tegemoetkomende, toen dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (motorfiets), ten gevolge waarvan of waarbij de bestuurder en de duopassagier van dat andere motorrijtuig (motorfiets) ten val zijn gekomen

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander/en (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

zij op of omstreeks 01 juli 2015 te Nijmegen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de Waalbrug en gaande in de richting van het Keizer Karelplein, daarmee heeft gereden over de rij/voorsorteerstrook, geldende voor het rechtdoorgaande verkeer van de voor haar, verdachte uit twee rij/voorsorteerstroken,- bestemd voor het rechtdoorgaande- en rechtsaf slaande verkeer-, bestaande rijbaan van de weg, de St. Canisiussingel en

gekomen ter hoogte van de kruising van deze weg, de St. Caniussingel en de Berg en Dalseweg, -nadat zij voor een in haar rijrichting uitstralend rood verkeerslicht had stilgestaan-,

in strijd met een in haar, verdachtes rijrichting gekeerd en voor die kruising aan de rechter zijde van die weg zich bevindend bord D6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende "Gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangegeven" en/of

in strijd met het gestelde in artikel 78 lid 1 van voormeld reglement, niet op dat kruispunt heeft voldaan aan haar verplichting, de middels een pijl aangegeven rijrichting (bestemd voor het rechtdoorgaande verkeer)te volgen en/of

op die kruising, in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van voormeld reglement naar links is afgeslagen, gaande in de richting van die Berg en Dalseweg en/of de bestuurder van een haar, verdachte op die weg, de St. Canisiussingel tegemoetkomend ander motorrijtuig (motorfiets) niet voor heeft laten gaan en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat haar, verdachte tegemoetkomende, toen dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (motorfiets), ten gevolge waarvan of waarbij de bestuurder en de duopassagier van dat andere motorrijtuig (motorfiets) ten val zijn gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 1 juli 2015 was verdachte als bestuurder van een personenauto komende uit de richting van de Waalbrug en gaande in de richting van het Keizer Karelplein te Nijmegen. Verdachte reed over de rij/voorsorteerstrook, geldende voor het rechtdoor gaande verkeer. Ter hoogte van de kruising van de St. Canisiussingel en de Berg en Dalseweg stond een in verdachtes rijrichting rood uitstralend verkeerslicht. Verdachte heeft stilgestaan voor het rode verkeerslicht.2 De weg, de St. Canisiussingel, bestond uit twee rijvoorsorteerstroken, bestemd voor het rechtdoor gaande en het rechtsaf slaande verkeer. Op de weg was op de linkerrijstrook een pijl aangebracht die als rijrichting “rechtdoor” aangaf, op de rechterrijstrook een pijl die als rijrichting rechtdoor en rechtsaf aangaf. Voor de kruising stond aan de rechterzijde van de St. Canisiussingel een in verdachtes rijrichting gekeerd verkeersbord te weten bord D6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende “Gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangegeven”. Op dit bord stonden pijlen in de richting rechtdoor en rechtsaf. In strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 is verdachte op de kruising linksaf geslagen.3 Daarmee heeft verdachte niet voldaan aan haar verplichting, de middels een pijl aangegeven rijrichting (bestemd voor het rechtdoor gaande verkeer) te volgen.4 Verdachte is met de tegemoetkomende en dicht genaderde motorfiets rijdende op de Canisiussingel in aanrijding gekomen, ten gevolge waarvan de bestuurder ( [slachtoffer 1] ) en de duopassagier ( [slachtoffer 2] ) van de motorfiets ten val zijn gekomen.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit, met dien verstande dat volgens de officier van justitie sprake is van een grove verkeersfout in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat, in tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie naar voren heeft gebracht, geen sprake is van een grove verkeersfout. De gedraging van verdachte, dat zij linksaf is geslagen waar dat niet mocht, dient te worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam.

Beoordeling door de rechtbank

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is in zijn algemeenheid vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en voorts naar de overige omstandigheden van het geval.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij over de Sint Canisiussingel reed. Het was druk op de weg en de auto’s reden in een soort treintje achter elkaar. Verdachte heeft de pijlen op de weg niet gezien, zegt zij. Ook het verkeersbord aan de rechterkant van de weg heeft verdachte niet gezien. Verdachte was verkeerd gereden en wilde om die reden linksaf slaan de Berg en Dalseweg in. Verdachte had gezien dat de auto’s die in tegengestelde richting op de Sint Canisiussingel reden, ter hoogte van de Prins Hendriksstraat, ook groen licht hadden. Verdachte dacht dat zij nog voor deze auto’s langs kon en is linksaf geslagen. Verdachte heeft de haar tegemoetkomende motor niet gezien.6

Verdachte heeft, op het moment dat zij bij het verkeerslicht wegreed met de intentie linksaf de Berg en Dalseweg in te rijden, de motorfiets geen voorrang verleend. Dat verdachte voorrang had moeten verlenen vloeit voort uit de algemene verkeersregels, met name artikel 18 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende ‘Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan’.

Verdachte wilde linksaf slaan terwijl dit dus bovendien tegen de verkeersregels in was. Verdachte werd hierop niet alleen geattendeerd door een verkeersbord aan de rechterkant van de Sint Canisiussingel. Ook werd door een pijl op de weg de verplichte rijrichting aangegeven, krachtens artikel 78 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende “Gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangegeven”. Verdachte had enkel de mogelijkheid om rechtdoor dan wel rechtsaf te slaan. Verdachte heeft deze bebording en verkeerstekens niet gezien. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte haar aandacht onvoldoende op de weg heeft gehad, maar enkel bezig was met de situatie dat zij verkeerd was gereden. Daar komt bij dat verdachte heeft verklaard dat het druk was op de weg, waar verdachte haar aandacht op had moeten vestigen. Voorts heeft verdachte de verkeerde inschatting gemaakt door aan te nemen dat zij nog voor het verkeer, rijdende op de Sint Canisiussingel ter hoogte van de Prins Hendriklaan, langs kon. De rechtbank acht dit met name kwalijk omdat zij in onvoldoende mate heeft gelet en is blijven letten op het naderende verkeer, nu zij de motorfiets in zijn geheel niet heeft zien aangekomen.

Alles overziend heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet de nodige voorzichtigheid en oplettendheid betracht met een ernstig ongeval tot gevolg. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Verdachte is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht om in het verkeer voorzichtig en oplettend te zijn. De rechtbank concludeert dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en daarmee schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Letsel

De rechtbank stel vast dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als gevolg van het ongeval letsel hebben opgelopen. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben letsel aan hun onderbeen opgelopen.7 Op 25 november 2015 heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij inmiddels voor de zevende keer is geopereerd en dat zijn been vijf centimeter is ingekort. Met betrekking tot zijn zoon verklaart [slachtoffer 1] dat zijn zoon aan het revalideren is in de St. Maartenskliniek in Nijmegen. De voet van zijn zoon staat scheef en dat zal zo blijven.8 Gelet op de aard en de ernst van het letsel kwalificeert de rechtbank het letsel van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] als zwaar lichamelijk letsel.

3 Bewezenverklaring

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de wettige bewijsmiddelen heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zij op of omstreeks 01 juli 2015 te Nijmegen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de Waalbrug en gaande in de richting van het Keizer Karelplein, daarmee rijdende over de rij/voorsorteerstrook, geldende voor het rechtdoorgaande verkeer van de voor haar, verdachte uit twee rij/voorsorteerstroken,- bestemd voor het rechtdoorgaande- en rechtsaf slaande verkeer-, bestaande rijbaan van

de weg, de St. Canisiussingel,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

gekomen ter hoogte van de kruising van deze weg, de St. Caniussingel en de Berg en Dalseweg, -nadat zij voor een in haar rijrichting uitstralend rood verkeerslicht had stilgestaan-,

in strijd met een in haar, verdachtes rijrichting gekeerd en voor die kruising aan de rechter zijde van die weg zich bevindend bord D6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende "Gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangegeven" en/of

in strijd met het gestelde in artikel 78 lid 1 van voormeld reglement, niet op dat kruispunt heeft voldaan aan haar verplichting, de middels een pijl aangegeven rijrichting (bestemd voor het rechtdoorgaande verkeer) te volgen en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gelet op en/of is blijven letten op het haar, verdachte tegemoetkomende, toen dicht genaderd zijnde verkeer op die weg, de St. Canisiussingel en/of

op die kruising, in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van voormeld reglement naar links is afgeslagen, gaande in de richting van die Berg en Dalseweg en/of de bestuurder van een haar, verdachte op die weg, de St. Canisiussingel tegemoetkomend ander motorrijtuig (motorfiets) niet voor heeft laten gaan en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat haar, verdachte tegemoetkomende, toen dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (motorfiets), ten gevolge waarvan of waarbij de bestuurder en de duopassagier van dat andere motorrijtuig (motorfiets) ten val zijn gekomen

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander/en (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 150 uren werkstraf, te vervangen door 75 dagen hechtenis en tot oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht de straf te matigen gelet op de omstandigheid dat volgens haar een lagere schuldgradatie in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 bewezen kan worden geacht.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 22 december 2015.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende. Verdachte heeft als bestuurster van een personenauto door haar eigen handelen een verkeersongeval veroorzaakt ten gevolge waarvan de bestuurder en de passagier van een motorfiets ernstig letsel hebben opgelopen.

De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan, omdat verdachte linksaf wilde slaan terwijl dit niet was toegestaan en zij meer aandacht had voor het feit dat zij verkeerd gereden was en geen aandacht had voor het haar tegemoetkomende verkeer. Verdachte heeft de motorfiets niet gezien en geen voorrang verleend.

Uit het uittreksel van de justitiële documentatie van 22 december 2015 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een zwaardere schuldmodaliteit in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Nu de rechtbank echter bewezen heeft geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een aanmerkelijke verkeersfout, zal zij een lagere werkstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De hierna te noemen werkstraf acht de rechtbank dan ook passend en geboden. Vanuit het oogpunt van normhandhaving acht de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid op zijn plaats, nu verdachte de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een werkstraf gedurende 90 (negentig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen;

 ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra (voorzitter), mr. C. van Linschoten en mr. M.A. Bijl, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Verhagen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 februari 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, basisteam Nijmegen-Noord, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2015317997, gesloten op 14 september 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2016.

3 Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, d.d. 7 september 2015, p. 19, onder het kopje 2.1.3 Verkeersmaatregelen ter plaatse.

4 Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, d.d. 7 september 2015, p. 34, onder het kopje 5.2 Oorzaak, toedracht en gevolg.

5 Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] , d.d. 8 juli 2015, p. 59, laatste alinea.

6 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2016.

7 Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring inzake [slachtoffer 1] , d.d. 27 juli 2015, p. 62 alsmede een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring inzake [slachtoffer 2] , d.d. 29 juli 2015, p. 65.

8 Het aanvullende proces-verbaal d.d. 25 november 2015.