Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:946

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7816
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ambtshalve beoordeling van rechtbank. Verweerder heeft een besluit genomen met gebruikmaking van een bevoegdheid krachtens artikel 2.1 eerste lid, onder c van de Wabo, terwijl de aanvraag van eiseres daar geen betrekking op heeft. Eiseres heeft niet gevraagd om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan voor een concrete activiteit, maar heeft een wijziging van het bestemmingsplan gevraagd, zoals ter zitting is komen vast te staan. Voor het beslissen op een dergelijke aanvraag is echter niet verweerder maar de gemeenteraad van verweerders gemeente bevoegd. Verweerder had in het bestreden besluit derhalve het primaire besluit moeten herroepen en de aanvraag ter behandeling moeten doorsturen aan de gemeenteraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6618
Module Horeca 2015/2617
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/7816

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres]

(gemachtigde: mr.ir. A. van Kessel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning geweigerd.

Bij besluit van 24 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2015. Eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigde L.L. van Dalsen-Croes.

Overwegingen

1. Eiseres is mede-eigenaresse van het pand aan het [het pand] (verder: het pand). De begane grond van het pand is tot 28 oktober 2009 verhuurd geweest aan een horecaonderneming en staat nu leeg. Vervolgens is naar een nieuwe huurder gezocht die in het pand horeca-activiteiten wil uitoefenen. Nadat deze is gevonden heeft eiseres op 21 november 2013 bij verweerder een aanvraag ingediend voor het doen herleven van de horecabestemming op het pand. Op het aanvraagformulier staat de volgende projectomschrijving: “Pand Vierheemskinderstraatje 16 stond leeg tijdens vaststelling bestemmingsplan “Culemborg Centrum”, waardoor bestemming is vervallen. Er is nu een nieuwe huurder, waarvoor wij de horecabestemming graag zouden willen doen herleven.”

2. Het pand ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan “Binnenstad” (hierna: het bestemmingsplan) en heeft onder andere de bestemming “Centrum - 3”. Ingevolge artikel 8.1 sub a, onder 2 van de planvoorschriften zijn de voor “Centrum - 3” aangewezen gronden onder meer bestemd voor: op de begane grond: bestaande horeca.

Hieruit volgt dat in het pand alleen bestaande horeca gevestigd mag zijn. Dat betekent dat het op grond van de planvoorschriften niet toegestaan is om in het pand een nieuwe horecaonderneming te vestigen.

3. Verweerder heeft op de aanvraag van eiseres beslist met toepassing van artikel 2.1 eerste lid, onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder: Wabo). Bij deze beslissing is een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, geweigerd.

4. Ambtshalve oordeelt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft een besluit genomen met gebruikmaking van een bevoegdheid krachtens artikel 2.1 eerste lid, onder c van de Wabo, terwijl de aanvraag van eiseres daar geen betrekking op heeft. Eiseres heeft niet gevraagd om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan voor een concrete activiteit, maar heeft een wijziging van het bestemmingsplan gevraagd, zoals ter zitting is komen vast te staan. Voor het beslissen op een dergelijke aanvraag is echter niet verweerder maar de gemeenteraad van verweerders gemeente bevoegd. Verweerder had in het bestreden besluit derhalve het primaire besluit moeten herroepen en de aanvraag ter behandeling moeten doorsturen aan de gemeenteraad. Gelet hierop is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 487 en een wegingsfactor 1). Daarnaast komen de reiskosten van gemachtigde van eiseres voor vergoeding in aanmerking. Deze reiskosten worden vastgesteld op € 29 (Est-Arnhem v.v., uitgaande van de kosten van openbaar vervoer).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op om de aanvraag van eiseres ter behandeling voor te leggen aan de gemeenteraad;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.003, te betalen aan eiseres.

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.H. Dijkman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.