Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:897

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-02-2015
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2047
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:3182, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om nadeelcompensatie afgewezen vanwege verjaring. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op de bepaling van artikel 8, eerste lid, van de Verordening nadeelcompensatie Arnhem 2011 kunnen beroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/2047

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. P.A.W. Eskens),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser van 4 maart 2013 om nadeelcompensatie vanwege de gedwongen sluiting van zijn raamprostitutiebedrijven in het Spijkerkwartier in Arnhem afgewezen.

Bij besluit van 11 februari 2014 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

Op 25 maart 2014 heeft verweerder ambtshalve een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit II).

Verweerder heeft op 14 mei 2014 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.A.F.M. van der Wielen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht merkt de rechtbank het door eiser ingediende beroep tegen bestreden besluit I aan als mede te zijn gericht tegen bestreden besluit II.

Ten aanzien van bestreden besluit I

2. Nu verweerder bestreden besluit I heeft vervangen door bestreden besluit II, acht de rechtbank bestreden besluit I ingetrokken. Daar eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep gericht tegen bestreden besluit I, zoals namens hem ter zitting is bevestigd, is dat beroep niet-ontvankelijk.

Nu verweerder volledig op eigen initiatief is overgegaan tot het nemen van bestreden besluit II vanwege een door hem geconstateerd bevoegdheidsgebrek in bestreden besluit I, eiser ten aanzien van dat bevoegdheidsgebrek geen gronden heeft aangevoerd en de rechtbank niet is gebleken dat eiser door voornoemd handelen van verweerder is benadeeld, acht zij geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. Het voorgaande geeft evenmin aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoedt.

Nu met bestreden besluit II, dat materieel gelijk is aan bestreden besluit I, niet wordt tegemoetgekomen aan het beroep van eiser zal de rechtbank het beroep daartegen hieronder beoordelen.

Ten aanzien van bestreden besluit II

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Op 11 maart 1996 heeft de gemeenteraad van Arnhem ingestemd met de nota “Integrale aanpak overlast Spijkerkwartier”. Belangrijk element van deze nota was het terugdringen van overlast als gevolg van onder meer raamprostitutie. Ter uitvoering van dit beleid heeft de burgemeester van Arnhem bij besluit van 27 november 2002 de door eiser gevraagde exploitatievergunning voor een raamprostitutiebedrijf met ingang van 1 december 2002 geweigerd. Bij besluit van 24 juni 2003 heeft de burgemeester het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 januari 2004 (AWB 03/1621 en 03/1784) heeft de rechtbank Arnhem het hiertegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 september 2004 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het hiertegen door eiser ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard (zaaknr. 200401171/1).

Bij besluit van 14 juni 2004, gewijzigd bij besluit van 21 september 2004, heeft de burgemeester van Arnhem eiser meegedeeld dat hij de exploitatie van de in die besluiten nader omschreven raamprostitutiebedrijven in het Spijkerkwartier met toepassing van bestuursdwang zal beëindigen, indien eiser de exploitatie niet vóór 24 november 2004 staakt. Bij besluit van 30 november 2004 heeft de burgemeester het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 mei 2005 (AWB 04/3023 en 04/3025) heeft de rechtbank Arnhem het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 november 2005 heeft de Afdeling het hiertegen door eiser ingediende hoger beroep ongegrond verklaard (zaaknr. 200505218/1).

Bij besluit van 23 november 2005 heeft de burgemeester van Arnhem aan eiser meegedeeld dat hij gelet op de uitspraak van de Afdeling van die datum gerechtigd is om handhavend op te treden. De burgemeester heeft bij dat besluit meegedeeld uitvoering te zullen geven aan de bestuursdwangaanschrijving van 14 juni 2004, indien de exploitatie van de desbetreffende raamprostitutiebedrijven niet vόόr 4 januari 2006 is beëindigd. Bij besluit van 13 juni 2006 heeft de burgemeester het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 9 juni 2011 heeft eiser verweerder laten weten nog steeds aanspraak te maken op vergoeding van de volledig door hem geleden schade ten gevolge van voornoemd besluit van 13 juni 2006. Bij brief van 10 juni 2011 heeft eiser verweerder bericht dat hij zijn recht op schadevergoeding ten gevolge van de sluiting van zijn bedrijf in het Spijkerkwartier ondubbelzinnig voorbehoudt en dat deze schade zich niet beperkt tot het nadeel dat is ontstaan uit het besluit van 13 juni 2006.

Bij brief van 4 maart 2013 heeft eiser verweerder, onder verwijzing naar zijn brieven van 9 en 10 juni 2011, verzocht om nadeelcompensatie ten gevolge van de gedwongen sluiting van zijn bedrijf in het Spijkerkwartier, welk verzoek bij het primaire besluit is afgewezen.

4. In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 5 februari 2014 daaromtrent, gehandhaafd en overwogen dat eiser zijn verzoek niet tijdig heeft ingediend. Hieraan heeft verweerder kort gezegd ten grondslag gelegd dat de twee schadeveroorzakende besluiten bij uitspraak van 29 september 2004 respectievelijk

23 november 2005 onherroepelijk zijn geworden zodat de verjaringstermijn van vijf jaar, als bedoeld in de Verordening nadeelcompensatie Arnhem 2011 (hierna: de Verordening van 2011), op moment van de aanvraag was verstreken. Het besluit van 13 juni 2006 kan niet als een schadeveroorzakende gebeurtenis worden aangemerkt. Niet is gebleken dat de verjaring is gestuit. Het betoog van eiser dat de verjaringstermijn later is aangevangen omdat hij eerst na het mislukken van de onderhandelingen met verweerder de schade kon vaststellen, wordt niet gevolgd. Tot slot is volgens verweerder geen sprake geweest van onderhandelingen als gevolg waarvan hij zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mocht beroepen op verjaring.

5. Eiser betwist dat zijn verzoek is verjaard en hij heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat verweerder heeft miskend dat niet de Verordening van 2011, maar de daaraan voorafgaande Nadeelcompensatieverordening Arnhem 2003 (hierna: de Verordening van 2003) van toepassing is.

6. De rechtbank stelt vast dat op 3 februari 2011 de Verordening van 2011 in werking is getreden (Arnhemse Koerier 2 februari 2011) en dat de Verordening van 2003 per die datum is ingetrokken. Nu eisers aanvraag is ingediend op 4 maart 2013, valt zijn aanvraag aldus binnen de werkingssfeer van de Verordening van 2011. Voor zover eiser zich hierbij beroept op het overgangsrecht neergelegd in artikel 16 van laatstgenoemde regeling, slaagt dit beroep niet, nu dit recht conform deze bepaling uitsluitend geldt voor aanvragen die zijn ingediend vόόr 3 februari 2011. Reeds hierom vindt de Verordening van 2003 geen toepassing. Voor zover eiser betoogt dat het in strijd is met de rechtszekerheid dat de bepaling inzake verjaring uit de Verordening van 2011 hem wordt tegengeworpen terwijl de schadeveroorzakende besluiten dateren van vóór de inwerkingtreding van die Verordening oordeelt de rechtbank dat dit beroep eiser niet kan baten. Eiser wist ten tijde van de schadeveroorzakende besluiten immers dat de burgemeester, zoals aangegeven in diens besluit van 30 november 2004, een eventueel verzoek tot schadevergoeding zou behandelen naar analogie van de Verordening van 2003, welke een vrijwel gelijkluidende (verjarings)bepaling kent als de Verordening van 2011.

7. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Verordening 2011 kan het college de aanvraag afwijzen indien vijf jaren zijn verstreken na aanvang van de dag na die waarop de benadeelde bekend is geworden zowel met de schade als met het voor de schadeveroorzakende gebeurtenis verantwoordelijke bestuursorgaan, en in ieder geval na verloop van twintig jaren nadat de schade is veroorzaakt.

In het tweede artikellid is bepaald dat indien een aanvraag betrekking heeft op schade veroorzaakt door een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld, de in het eerste lid genoemde termijn van vijf jaren niet aanvangt voordat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat de besluiten van 27 november 2002 en 14 juni 2004 (gewijzigd bij besluit van 21 september 2004) als schadeveroorzakende besluiten hebben te gelden als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Verordening van 2011. In geschil is of het besluit op bezwaar van 13 juni 2006 eveneens dient te worden aangemerkt als een schadeveroorzakend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit besluit terecht niet als zodanig gekwalificeerd, nu het besluit van 13 juni 2006, evenals het daaraan voorafgegane primaire besluit van 23 november 2005, uitsluitend strekt tot het geven van een nieuwe begunstigingstermijn na de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2005, vanaf welk tijdstip verweerder tot effectuering van het bestuursdwangbesluit bevoegd was. Door dit besluit is eiser derhalve extra tijd gegund om de exploitatie van zijn raamprostitutiebedrijven te beëindigen, zodat van een schadeveroorzakend besluit geen sprake kan zijn.

9. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het besluit van 14 juni 2004 als laatste schadeveroorzakende besluit heeft te gelden. Nu dit besluit bij uitspraak van de Afdeling van 23 november 2005 onherroepelijk is geworden, heeft de in artikel 8, eerste lid, van de Verordening van 2011, genoemde verjaringstermijn op 24 november 2005 een aanvang genomen. Voor zover eiser heeft betoogd dat de verjaring is gestuit met zijn brieven van 9 en 10 juni 2011, wordt hij hierin niet gevolgd, reeds nu deze brieven zijn ingediend na afloop van de termijn van vijf jaren, te rekenen vanaf 24 november 2005. Ook eisers betoog dat hij na voornoemde uitspraak van de Afdeling van 23 november 2005 nog lange tijd in onderhandeling is geweest met verweerder, leidt niet tot het daarmee beoogde resultaat, nu ook binnen dit onderhandelingstraject niet is gebleken van handelingen die kunnen worden aangemerkt als stuitingshandelingen.

10. Voorts heeft eiser erop gewezen dat hij pas in de loop van 2010 bekend is geworden met de schade, ontstaan uit de schadeveroorzakende besluiten, zodat de verjaringstermijn eerst geruime tijd na 23 november 2005 is aangevangen. Dat eiser gedurende enige tijd heeft gemeend dat hij de geleden schade (zelf) zou kunnen compenseren door verplaatsing van zijn bedrijf naar het Billitonterrein en dat deze verplaatsing uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden, laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat eiser in elk geval sinds de sluiting van zijn bedrijf in het Spijkerkwartier wist dat hij schade zou lijden, zo getuige ook de door eiser ingediende schaderapportage van 19 januari 2013, opgesteld door Adviesbureau Tillema, waarin reeds over 2006 schade wordt opgevoerd. Derhalve slaagt de beroepsgrond niet.

11. Gelet op al het voorgaande overweegt de rechtbank dat de verjaringstermijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Verordening van 2011 op 24 november 2010 was verstreken zodat eiser zijn verzoek niet tijdig heeft ingediend.

12. Ten slotte ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verweerder de verjaring van eisers verzoek, gelet op de ‘kan-bepaling’ van artikel 8, eerste lid, van de Verordening van 2011 en in het licht van de door eiser aangedragen omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet had kunnen inroepen. Ten aanzien van het beroep dat eiser doet op het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5811, overweegt de rechtbank dat dit niet slaagt nu door verweerder onbestreden is overwogen - en overigens ook door eiser ter zitting is erkend - dat de door hem gevoerde onderhandelingen met verweerder zich niet uitstrekten tot de (omvang) van de door hem geleden schade, maar zich beperkten tot een (mogelijke) verplaatsing van zijn bedrijf.

In het kader van de rechtszekerheid heeft eiser verder aangevoerd dat hij zich tijdens de onderhandelingen steeds constructief heeft opgesteld naar verweerder teneinde het proces niet te verstoren en dat verweerder had kunnen weten dat hij een verzoek tot schadevergoeding wilde indienen. Nu, zoals hierboven reeds is overwogen, de door eiser gevoerde onderhandelingen sec gericht waren op verplaatsing van zijn bedrijf, eiser naar het oordeel van de rechtbank alle gelegenheid heeft gehad om vόόr het verstrijken van de verjaringstermijn een schadeverzoek in te dienen bij verweerder en de burgemeester eiser reeds eerder heeft laten weten dat een verzoek tot schadevergoeding zou worden behandeld naar analogie van de Verordening van 2003, waar in artikel 3, derde lid, een vergelijkbare verjaringstermijn is opgenomen, heeft verweerder in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen grond hoeven zien om het inroepen van de verjaring achterwege te laten.

13. Gezien het voorgaande is het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in zoverre geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 11 februari 2014 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 25 maart 2014 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzitter, mr. M. van der Linde en

mr. R.J.B. Schutgens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.